zondag, november 26, 2006

Volksmacht in verkiezingstijd. Vóór en tegen het populisme door Dick PELS op Waterlandstichting.nl, november 2006.

Bestuurlijke vernieuwing als non-starter.
De PvdA probeert het als enige nog met de integratie. Niemand probeert het nog met Europa of het buitenland in het algemeen. Het milieu beleefde een kortstondige opvlieger na het bezoek van Al Gore. Maar de echte non-starter in de huidige verkiezingscampagne is de democratische vernieuwing. Geen van de grote partijen wil er, na het dubbele échec van de ‘burgemeesterscrisis’ van maart 2005 en het Europa-referendum van juni 2005, zijn vingers nog aan branden. Van de kleine partijen doet alleen D66 nog een dappere poging. Verder houden alleen de rechtse splinters in het spoor van Fortuyn nog iets van een vergezicht op radicale democratisering vast.


Die verwantschap tussen het ‘linkse’ D66 en de ‘rechtse’ fortuynisten, en tussen het republikeinse ideaal van politiek burgerschap en het populistische ideaal van de volksdemocratie, hoeft niemand te verbazen. Met zijn voornemen het regentenbestel te doen ontploffen, zijn pleidooi voor de directe verkiezing van gezagsdragers, en zijn inzicht in de spanning tussen personendemocratie en partijendemocratie is Van Mierlo Fortuyn altijd ver vooruit geweest. Tegenstanders kunnen dan ook tevreden toezien hoe D66 bezig is in een punt te verdwijnen, en hoe de fortuynistische splinters elkaar in de kleine ‘ruimte op rechts’ opeten en verdringen.

Democratisch populisme
Maar die zelfgenoegzaamheid is ongegrond. Het populisme kan niet zomaar worden weggezet als een rechtse ondermijning van ‘onze’ representatieve democratie. De democratische vertegenwoordiging kent meerdere vormen en stijlen, zowel indirect als direct, zowel collectivistisch als personalistisch, zowel parlementair als buitenparlementair. Zij is niet per definitie gebonden aan het mechanisme van politieke partijen, maar kan ook letterlijk worden belichaamd in representatieve personen. Het parlement is niet de enige plek waar de volkssoevereiniteit wordt uitgeoefend, die alle politieke ambten legitimeert. Daarom is het vanuit democratisch oogpunt interessant en opportuun om elementen van de ‘populistische uitdaging’ in te bouwen in het bestaande parlementaire bestel. De populistische tegenstelling tussen gevestigden en buitenstaanders staat haaks op de traditionele tegenstelling tussen links en rechts. Het is zaak om beide tegenstellingen ‘in het spel te houden’ en tegelijkertijd te activeren.

Dat experiment kan echter alleen slagen als we definitief breken met een dragende gedachte van het populisme die door de kritici ervan terecht wordt gehekeld. Dat is de overtuiging dat het volk kan spreken met één stem, daadwerkelijk soeverein is en in staat tot zelfbestuur, en dat de kloof tussen burgers en overheid dus kan en moet worden overbrugd. Nee: ook de democratie is een eliteheerschappij, en ieder die suggereert dat ‘Den Haag’ moet worden schoongeveegd om daar de volksmacht te vestigen, verdoezelt het feit dat hij/zij zelf weer een nieuwe, alternatieve elite vormt die streeft naar de macht, en net als de concurrentie een partijdige visie verwoordt op het volksbelang. Anders uitgedrukt: het probleem van ‘oer-democratische’ noties als volksbestuur, volkswil, volkseenheid en volkssoevereiniteit is dat het volk (populus) niet als zodanig bestaat, niet voor zichzelf kan spreken, en dus alleen via onderling concurrerende woordvoerders zijn wil kan laten gelden. De democratie zal het moeten doen zonder demos.

D66
Vanuit dit zowel pro- als antipopulistische gezichtspunt kunnen de verkiezingsprogramma’s op hun democratisch gehalte worden doorgelicht. Voor D66 is er na de kiezersrevolte van 2002 niets veranderd in de verhouding tussen burgers en gekozenen: zelfs de kleinste wijzigingen in het staatkundig bestel werden vertraagd, gesmoord in staatscommissies of verworpen in de Eerste Kamer. Nieuwe regenten hebben zich aangediend die zich hebben overgegeven aan willekeur en misbruik van macht (hier verwijst men ondubbelzinnig naar Verdonk en haar beleid). Groot onderhoud aan de democratie, waarbij gevestigde structuren moeten worden opengebroken, is meer dan ooit nodig. De fortuynistische tweedeling tussen gevestigden en nieuwkomers wordt zelfs uitgeroepen tot de nieuwe dragende tegenstelling in politiek en maatschappij.

‘Mensen besturen zelf’, luidt daarbij het (misleidende) motto van D66. Mensen weten zelf wat goed voor hen is, en moeten zelf kunnen bepalen hoe hun leven en land worden ingericht. Maar die ‘republikeinse’ opvatting onderschat m.i. de noodzaak van professionalisme in de politiek, en de even grote noodzaak om een institutionele afstand te bewaren tussen het volk en zijn vertegenwoordigers. Als volgens D66 ‘visie, leiderschap en resultaatgerichtheid’ de sleutels zijn om de kloof tussen burger en bestuur te overbruggen, hebben politici een eigen verantwoordelijkheid en moeten zij een zelfstandige positie innemen tegenover het volk. Het is juist de functie van politici om beter te weten ‘wat goed voor ons is’ en van die betweterij regelmatig verantwoording af te leggen.

D66 is vanouds voorstander van bestuurders die rechtstreeks door de burgers worden gekozen. De burgemeester, commissaris der koningin, kabinetsformateur en voorzitter van de Europese Commissie mogen vervolgens hun eigen kabinet of college samenstellen. Daarnaast pleit de partij al sinds jaar en dag voor het correctief en raadgevend referendum en voor het volksinitiatief. Het kiesstelsel moet de binding tussen kiezer en gekozene versterken en de individuele herkenbaarheid van bestuurders verbeteren; voor dit doel moet tenminste de drempel voor voorkeursstemmen omlaag worden gebracht. Het gemengde evenredige-plus-districtenstelsel waar ex-minister De Graaf nog over struikelde is blijkbaar niet langer heilig; liever wacht men de voorstellen af die het Burgerforum op dit punt zal doen. Inmiddels is duidelijk dat ook deze club meer ziet in het verzwaren van de voorkeurstem binnen het stelsel van evenredige vertegenwoordiging dan in het invoeren van enigerlei vorm van districtenstelsel.

De Fortuynisten
‘Aanpakken van de regentenklasse in Nederland’ en van het ‘particratisch partijenmodel’ zijn de verwante motto’s van de nieuwe-oude Lijst 5 Fortuyn. De politieke partijen die in ons land de dienst uitmaken zijn vooral gericht op behoud van hun eigen macht. Er is sprake van een bijna hermetisch gesloten politieke cultuur, waarbij de gevestigde partijen aantrekkelijke banenmachines zijn geworden voor hun eigen leden, en waarin conformisme aan de dominante partijlijn hoogtij viert. L5F wil ‘principieel buiten het politieke bedrijf blijven staan, zowel wat betreft opvattingen als qua imago en stijl’, met kamerleden die ‘anders dan de beroepspolitici van de huidige partijen echte volksvertegenwoordigers zijn’.

Sterker dan D66 laat de voormalige LPF zich leiden door de letterlijke betekenis van democratie als ‘volksheerschappij’, en noemt zij ‘participatie door het volk’ als haar belangrijkste ideaal. In ons parlementaire bestel is de volkssoevereiniteit echter niet gewaarborgd. Burgers dragen eens in de vier jaar hun medebeslissingsrecht af aan volksvertegenwoordigers, die vervolgens een monopolie op het beslissingsrecht hebben. D66 heeft ‘door zijn ijver om een goede deelnemer aan het vermolmde parlementaire stelsel te zijn’ amper iets kunnen bereiken. Lijst 5 Fortuyn wil dan ook ‘veel beter en fundamenteler dan D66 ooit gedurfd of gekund heeft’ luisteren naar de achterban en kiezen voor meer invloed van burgers.

Des te opmerkelijker is dat concrete voorstellen zoals die voor de gekozen burgemeester of minister-president of voor referenda en burgerinitiatieven in het programma van L5F ontbreken. In plaats daarvan worden alle kaarten gezet op een soort permanente politieke vertegenwoordiging en verantwoording via internet, ook van en aan niet-leden. Blijkbaar is men zo huiverig geworden voor politiek personalisme dat de door Fortuyn zelf zo sterk gecultiveerde elementen van imago en stijl nu worden gewantrouwd. Het verdriet van de nette burgerman Herben is herkenbaar in de volgende opvallende uithaal naar de mediademocratie: ‘Wie Fortuyn reduceert tot een rechtse populist doet hem niet alleen onrecht, maar wakkert ook de mediahype aan van zogenaamd charismatische politici. De personendemocratie lijkt uit te draaien op een Idols-finale. De jacht op charismatische personen is een dwaalspoor dat is uitgezet door journalisten en politicologen die willen dat het spel volgens hun regels wordt gespeeld.’ De voormalige anti-partij is nu een nette programma-partij geworden, die afscheid neemt van bijna alles wat het charismatische mediafenomeen-Fortuyn juist zo interessant maakte.

Nog meer Fortuynisten
Ook Wilders’ Partij voor de Vrijheid roert de populistische trom. Het programma Klare Wijn uit maart 2006 stelt vast dat er sinds 2002 niet veel méér heeft plaatsgevonden dan een ‘hergroepering van de oude politiek’. Het land is (opnieuw) in handen gevallen van een politieke kaste die vooral met zichzelf bezig is en het landsbelang verkwanselt. Nederland is in de praktijk geen democratie ‘maar een coalitieland gedomineerd door een partijencratie’. De grote partijen representeren zelf niet veel meer dan ‘varianten van sociaal-liberalisme’. Het echte gevecht gaat dan ook tussen die partijen die zich behaaglijk voelen in het bestaande systeem (alle partijen van SP tot en met VVD) en de politici die dat systeem willen uitdagen en fundamenteel willen hervormen. Ook het recentere verkiezingspamflet van de PvdV ademt dit outsiders-sentiment, en herhaalt de voorstellen uit Klare Wijn voor een meer directe democratie, via de invoering van bindende referenda, een districtenstelsel, de gekozen burgemeester en minister-president (en zo mogelijk ook politiechefs en rechters), en het afschaffen van de Eerste Kamer.

Ook de nog jongere partij EénNL van Pastors en Eerdmans wil het totaal anders doen dan de gevestigde partijen. EénNL zet zich schrap tegen de Haagse ‘beroepsbestuurders’, wil ‘de kloof met de mensen’ dichten en ‘het land teruggeven aan de burgers’. Voorop prijkt het door Fortuyn geliefde motto van Van der Capellen tot der Pol, dat het volk de ‘ware eigenaar’ is van het land en de overheden en magistraten ‘enkel maar de directeurs, bewindhebbers en rentmeesters’ van deze grote compagnie. Vanuit dit oogpunt is er iets goed mis met de Nederlandse democratie. Een nieuwe regentenklasse bestuurt op ondoorzichtige wijze het land. Je mag wel stemmen, maar er valt weinig te kiezen. Zo wachten we al veertig jaar tevergeefs op de gekozen burgemeester. Via een gesloten benoemingencircuit verdelen de partijen onderling de baantjes. Een regering ‘van en voor het volk’ is verworden tot een regering van en door een miniscule minderheid van het volk. Daarom moet ernst worden gemaakt met verdere democratisering, via het inmiddels bekende rijtje van rechtstreekse verkiezingen van gezagsdragers, bindende correctieve en raadgevende referenda, en het afschaffen van de Eerste Kamer.

De gevestigden
Het verbaast niet dat de beide coalitiepartijen, anders dan deze zelfbenoemde politieke outsiders, zich sterker verbonden voelen met het bestaande parlementair-democratische bestel. Het CDA is het meest behoudend in zijn voorkeur voor de klassieke representatieve democratie en de parlementaire soevereiniteit. De politieke cultuur kan worden verbeterd, niet via de weg van radicale stelselwijzigingen of democratische vernieuwingen, maar doordat mensen zich vertegenwoordigd voelen en politici doordachte visies presenteren op de toekomst van het land. Vooral de regionale worteling van volksvertegenwoordigers moet worden versterkt. Het CDA keert zich tegen het referendum en blijft hechten aan de kroonbenoeming van de commissaris der koningin en de burgemeester, om zowel recht doen aan de ‘eigenstandige’ positie van de bestuurders als aan het gegeven dat staten en raad het ‘hoofdorgaan’ zijn van provincie of gemeente.

Het programma van de ChristenUnie (geen coalitiepartner) onderstreept daarbij een kernpunt van het representatieve stelsel dat door het CDA stilzwijgend wordt voorondersteld. Aan overheden vallen eigen verantwoordelijkheden toe, die niet samenvallen met de optelsom van de wensen en belangen van burgers. Wat het publiek belang inhoudt zal telkens opnieuw moeten worden verduidelijkt, door politieke partijen met een helder en consistent profiel. Ook de CU zoekt het niet in stelselwijzigingen, maar in betrouwbare politici met een heldere visie die zich dienstbaar maken aan de samenleving (en daarmee uiteindelijk aan God). De gekozen minister-president lijkt aantrekkelijk om de kloof tussen burger en politiek te overbruggen, maar is een ‘misplaatste figuur in het Nederlandse staatsbestel’. Vormen van directe democratie zijn alleen acceptabel als het beginsel van de representatieve democratie geen geweld wordt aangedaan. Volgens de CU voldoet alleen het correctief referendum aan deze eis.

De VVD is een geval apart, omdat deze partij in snel tempo is teruggekomen van de fortuynistische politieke vernieuwingsagenda van Van Aartsen (‘ik heb Fortuyn goed gekend’) en de republikeinse toonzetting van het Liberaal Manifest van februari 2005. De nieuwe leider Rutte valt in feite terug op het Wiegel-standpunt, dat de representatieve democratie in zijn traditionele gedaante heilig verklaart. Terwijl het Liberaal Manifest het dualisme tussen de uitvoerende en controlerende machten wilde aanscherpen, pleitte voor de rechtstreekse verkiezing van ‘beeldbepalende bestuurders’ zoals de burgemeester en de minister-president, en de ‘koudwatervrees’ voor het referendum liet varen, is van die ambities in het verkiezingsprogramma Samenleving met ambitie weinig meer terug te vinden. Van de genoemde aanzetten tot verdieping van het representatieve stelsel wordt alleen nog de gekozen burgemeester genoemd, terwijl over het referendum niet langer wordt gerept.

De gevestigde oppositie
Terwijl de coalitiepartners vooral tevredenheid uitstralen met het bestaande, treft men ook bij Hare Majesteit’s oppositie weinig urgentiegevoel aan. Voor de PvdA – de boosdoener van de burgemeesterscrisis – heeft de bestuurlijke vernieuwing in elk geval geen prioriteit. Het verkiezingsprogramma bepleit ‘bindend bestuur’, een omslag van beleid naar uitvoering, een vermindering van het aantal bestuurslagen en een grotere herkenbaarheid van politici. Ter bevordering van het laatste kiest men voor het Belgische model, waarin de voorkeurstemmen voor individuele kandidaten meer gewicht krijgen ten opzichte van de door de partij vastgestelde lijstvolgorde. Wie de burgemeester wordt, wordt inzet van de gemeenteraadsverkiezingen. Er komt een correctief referendum op initiatief van de bevolking. De politici van de PvdA moeten integere mensen zijn die zich laten leiden door het algemeen belang en niet door hun eigen belang. Het resultaat is een vrij timide programma dat zich niet brandt aan directe verkiezingen van bestuurders en de ‘partocratische’ lijstjes- en benoemingencultuur niet werkelijk aanpakt.

De SP is uitgesprokener in haar visie op democratisering (die geniet zelfs ‘topprioriteit’), maar houdt eveneens vast aan ‘onze parlementaire democratie’, de volkssoevereiniteit en het partijenstelsel, ditmaal aangelengd met een grotere dosis populisme. Politici en politieke partijen zijn er voor de burgers en niet andersom, volgens het adagium van Marijnissen uit 1974: ‘Het gaat er niet om wat wij willen, het gaat er om wat de mensen van ons willen’. Niet alleen is de SP in het linkse spectrum de meest toegewijde ‘partijen-partij’, zij lijkt ook de meest principiële verdediger van de parlementaire, monistische opvatting van de volkssoevereiniteit, die echter wél moet worden uitgebouwd met het referendum en het volksinitiatief. De Tweede Kamer kiest de kabinetsinformateur (de beoogde premier), de gemeenteraad kiest de burgemeester. De raad blijft formeel en feitelijk het hoogste orgaan van de lokale democratie, en de dualisering moet dan ook subiet worden teruggedraaid.

Ook GroenLinks toont weinig ambitie, en paart vrijblijvende algemeenheden (‘In een goed functionerende democratie voeren politici het inhoudelijke debat met open vizier’) aan sympathieke pleidooien voor referenda en meer kiezersinvloed op de samenstelling van kabinet en gemeentebestuur. Maar het democratisch monisme gaat hier zover dat men aanvankelijk voorstelde de burgemeester maar helemaal af te schaffen, en zijn rol als collegevoorzitter te laten overnemen door de wethouder van de grootste collegepartij. Deze frivoliteit werd op het verkiezingscongres afgestemd ten gunste van het veiliger standpunt dat de burgemeester door de raad moet worden verkozen. Maar die doordraverij zegt wel iets over de weerzin binnen GroenLinks tegen populisme en dualisme, en de nadruk op de raad (en het parlement) als de enig juiste afspiegeling en uitdrukking van de volkssoevereiniteit. GroenLinks is wel de enige partij die nog durft te zeggen dat Nederland op lange termijn een republiek moet worden. Die gedachte is voor de PvdA en inmiddels ook de SP niet langer opportuun. Zelfs D66 noemt het R-woord niet meer en is voorlopig tevreden met het ceremoniële koningschap.

Conclusie
Overzien we het politieke spectrum, dan constateren we dat de animo voor democratische vernieuwing nogal ongelijk is gespreid. De progressieve partijen voeren in feite een strategie van parlementarisering, ook op lokaal niveau, waarin het dualisme wordt gewantrouwd en bestuurders sterker worden gebonden aan de ‘enige echte’ volksvertegenwoordiging. Vandaar de koudwatervrees voor rechtstreekse verkiezingen, aparte mandaten voor gezagsdragers en een personalisering van de macht, die worden beschouwd als concessies aan ongewenste en systeem-vreemde vormen van ‘plebiscitaire’ of ‘leiderschapsdemocratie’. Ook CDA en VVD zijn huiverig voor een mogelijke aantasting van het ‘wezen’ van de representatieve democratie. Alleen D66 en de fortuynistische splinters bekijken het vertegenwoordigend stelsel van een wat grotere afstand (‘van buitenaf’), en willen de machtenscheiding tussen bestuurders en controleurs scherper markeren door beide functies van een eigen kiezersmandaat te voorzien.

Wat daarbij opvalt is dat bijna alle partijen van links tot rechts schatplichtig blijven aan ‘oer-democratische’ noties zoals die van het zelfbestuur en de volkssoevereiniteit (uitzondering zijn de kleine christelijke partijen, die immers zoeken naar de wil van God en niet die van het volk). Bij fortuynistisch rechts nemen die noties een radicale populistische vorm aan, terwijl de gevestigde partijen een meer gematigde parlementaire versie ervan omarmen, met het ‘republikeinse’ D66 (en wellicht de ‘basisdemocratische’ SP) ergens tussen deze polen in. De gevestigde partijen hebben meer oog voor de autonomie van de professionele politiek en de noodzaak van afstand tussen burgers en bestuur. Maar ook zij neigen naar een vorm van monisme waarin parlementen en partijen de exclusieve dragers zijn van de democratische legitimiteit.

Anders dan vaak wordt gedacht, bestaat er dus geen wezenlijk conflict tussen de klassieke opvatting van democratie en het populisme, maar liggen zij eerder in elkaars verlengde. Ook de parlementaire democratie staat bloot aan de populistische verleiding, zolang zij idealen blijft koesteren zoals die van de volkssoevereiniteit en het democratisch zelfbestuur. Daarom is een visie op democratische representatie nodig die duidelijker afscheid neemt van deze misleidende ficties. Ook de democratie is onvermijdelijk een heerschappij van elites. Politici moeten zich niet verschuilen achter de brede rug van het volk, en ook politieke buitenstaanders moeten niet doen alsof zij er niet bij horen. Zij zijn net zo goed beroepspolitici en vormen een alternatieve elite, die niet samenvalt met het volk maar een concurrerende visie verwoordt op wat het volk wil. De ‘kloof’ tussen woordvoerders en achterban blijft ook in dit geval intact.

De paradox is al met al dat juist het populisme, ondanks zijn misleidende streven naar volksmacht en identiteit tussen regeerders en geregeerden, een uitdaging stelt die het gevestigde bestel nieuwe impulsen kan geven. De elitetheorie van de democratie trekt de giftige angel uit het populisme, maar behoudt de radicale ‘anarchistische’ buitenstaandersvisie op de gevestigde parlementaire politiek. Het besef dat er ook in de democratie altijd elites zullen optreden is immers een permanente aansporing om te voorkomen dat zij uitgroeien tot een nieuwe regentenklasse. Vandaar de noodzaak om, naast het vertrouwen van burgers in hun politieke vertegenwoordigers, gelijkopgaand daarmee ook het democratisch wantrouwen te organiseren. Dat kan het beste gebeuren door de tegenstelling tussen gevestigden en buitenstaanders tot een permanent onderdeel van het democratische landschap te maken. Bijvoorbeeld door het organiseren van directe verkiezingen van bestuurders op alle niveaus. Links zou het lef moeten hebben om deze vorm van anti-establishment-denken tot een centraal programmapunt te maken.

Bron: Waterland

zaterdag, oktober 07, 2006

De Leidse achterban van Geert Wilders door Maria TREPPS op Maria Trepps blog, 7 oktober2006.

Ik ben samen met anderen al jarenlang bezig met onderzoek en acties tegen het rechtspopulisme aan de Universiteit Leiden.

Vandaag staat een uitgebreid interview met Geert Wilders in de Volkrant: "Nederland staat aan de vooravond van een tsunami van islamisering. Moslims zullen de Nederlandse samenleving overspoelen en criminaliteit en overlast veroorzaken, ook op het platteland. Hun intolerante en gewelddadige cultuur zal de Nederlandse samenleving raken in het hart, in onze identiteit. Hun gedrag vloeit voort uit hun religie en cultuur. Je kunt dat niet los van elkaar zien." In een gematigde islam gelooft Wilders niet. "Ik geloof helemaal niet in de islam. Wat krijgen we nou." Niet-westerse allochtonen zijn niet langer welkom in Nederland. De al aanwezige allochtonen moeten een assimilatiecontract tekenen, waarin ze beloven dat ze zich aanpassen aan de dominante Nederlandse cultuur en bijbehorende waarden en normen. Allochtonen die het contract schenden, moeten Nederland verlaten. Dat zullen er niet zo veel zijn, denkt Wilders, omdat de wet een afschrikwekkende werking zal hebben. "Ik denk dat je maar één of twee vliegtuigen nodig hebt. Nieuwe moskeeën wil Wilders verbieden. We hebben er gewoon te veel. Ik word gek van al die moskeeën. De paus had laatst volkomen gelijk: de islam is een gewelddadige religie. Islam betekent onderwerping en bekering van niet-moslims. Die interpretatie geldt in de huiskamers van die probleemjongeren, in de moskeeën. Het zit in die gemeenschap zelf.[…] een recidiverende Marokkaanse straatterrorist gaat bij de derde overtreding gewoon het land uit. Dat zetten we als minimumstraf in de wet."

Geert Wilders staat niet alleen, hij heeft een sterke intellectuele achterban aan de Universiteit Leiden. Aan de Universiteit Leiden werken een aantal wetenschappers, die direct of indirect verbonden zijn aan de Edmund Burke Stichting. De Burke Stichting heeft via haar ex-directeur (nu secretaris) Bart Jan Spruyt het verkiezingsprogramma van Geert Wilders beïnvloed. De Leidse Burkianen zijn: de Burke Stichting initiator en voorzitter Kinneging, het lid van raad van advies Burke Stichting Cliteur, eredonateur Ellian en sympathisant en Wilders-fan, de germanist Jerker Spits.

Bart Jan Spruyt ( gepromoveerd in Leiden) heeft vanaf september 2004 inofficieel, later dan officieel samengewerkt met Wilders. In augustus 2006 heeft Spruyt zijn samenwerking met Wilders verbroken, omdat Wilders niet met de andere rechtspopulistische partijen wil samenwerken.

Kinneging beweert in het interview op 13 mei 2006 in de NRC dat de Stichting in 2005 de bakens had verzet: "We hebben de politiek radicaal de deur uitgezet". Hij verzwijgt dat Spruyt, die begin 2006 een officieel samenwerkingsverband met Geert Wilders is aangegaan en voor Wilders het partijprogramma schreef, altijd lid van het bestuur van de Burke Stichting is gebleven ( later niet meer als directeur, maar wel als secretaris) , en vanwege de officiële samenwerking met Wilders de Stichting niet hoefde te verlaten.

De Leidse hoogleraar Bolkestein is ook nauw verbonden met de Burkianen en met Geert Wilders. Hij heeft met Cliteur, Kinneging, Wilders en met de medeoprichter van de Burke Stichting Joshua Livestro jarenlang samengewerkt in de VVD.

Bolkestein zit samen met Kinneging, Ellian en Cliteur in het nieuwe Leidse rechtengebouw (terwijl hij eigenlijk organisatorisch bij Sociale Wetenschappen/ Politicologie hoort).

Bolkestein, islamofoob en anti-sixties-ideoloog van het eerste uur, is de geestelijke vader van Kinneging en Wilders.

Niet voor niets wordt Bolkestein uitgebreid aangehaald door Wilders en Spruyt in hun filosofisch programma Een Nieuw-realistische visie ( te lezen op de Wilders-site).

De Burkiaan Afshin Ellian, die zich eerder zeer positief had uitgelaten over Wilders, schrijft in zijn column Eer de libertas philosophandi ( NRC 2-9-2006) ineens kritisch over Wilders: "Van Geert Wilders mogen de komende vijf jaren geen moskeeën gebouwd worden Hij wil , met een beroep op democratie en vrijheid, de godsdienstvrijheid voor moslims afschaffen. "

Het is merkwaardig dat Ellian niet ingaat op het veel grotere probleem, namelijk dat Wilders het gelijkheidsbeginsel uit de grondwet wil schrappen. Ellians veel te zwakke en te obligate kritiek op Wilders komt ook te laat. Zoals ik zelf in een lezersbrief in de NRC ( 20 april 2006) heb geschreven, is het standpunt van Ellian nauw verwant aan het standpunt van Wilders. Ellians juridisch-politieke eisen zijn op cruciale punten verwant aan het denken van Wilders. Ellian eist een een soort administratieve ophokplicht voor de jihadisten, buiten het strafrecht om. ( NRC 26-11-2005). Hetzelfde verwoordde Geert Wilders in een BBC- interview van 21 maart 2006, waar hij het heeft over administrative detention.

Bron: Maria Trepps Blog

maandag, augustus 28, 2006

Het volksnationalisme van filosoof Ad Verbrugge door Eric KREBBERS in De Fabel van de Illegaal, 71/72, 2005.

Sinds de publicatie van zijn boek "Tijd van onbehagen" in 2004 spreekt Ad Verbrugge steeds vaker op allerlei filosofiebijeenkomsten. Wellicht geïmponeerd door zijn zorgvuldig gecultiveerde filosofenuitstraling, noemen sommige progressieve journalisten Verbrugge een "uitdagende jonge filosoof" die diepgang brengt in actuele politieke discussies. De oerconservatieve docent wijsbegeerte blijkt echter weinig te begrijpen van historische en maatschappelijke processen. Hij promoot een simpel, maar uiterst gevaarlijk religieus volksnationalisme.

Verbrugge doceert aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Eerder werkte hij onder meer aan de Leidse universiteit en bij diverse politiekorpsen. Net als een groeiend aantal andere publicisten probeert Verbrugge het volksnationalistische ideeëngoed uit de jaren 30 weer salonfähig te maken. Zowat om de bladzijde verwijst hij instemmend naar filosofen die de bouwstenen voor het nazisme aandroegen, zoals Carl Schmitt, Oswald Spengler, Friedrich Nietzsche, Martin Heidegger en Carl Gustav Jung. En tussendoor promoot hij ook nog eens hedendaagse ultra-conservatieve cultuurcritici als Benjamin Barber, Neil Postman, Samuel Huntington, Francis Fukuyama en Alasdair MacIntyre. Andere bronnen hanteert de "uitdagende jonge filosoof" vrijwel niet.

Cultuurgemeenschap

Net als bij andere volksnationalisten, draait bij Verbrugge alles om "de volksgemeenschap" en zijn "cultuur". En om de staat, "de zelfbewuste institutionalisering" van "de bezielde cultuurgemeenschap", zoals Verbrugge beweert. Die "cultuurgemeenschap" zou volgens de volksnationalisten voortdurend bedreigd worden. Via het oproepen van zo'n sfeer van bedreigingen denken ze de geesten rijp te kunnen maken voor extreem-rechtse maatregelen en ingrepen, vooral bedoeld om "het volk" onder hun "bezielende leiding" bijeen te krijgen of te houden.

De volksnationalistische ideologie kenmerkt zich door een morbide fascinatie voor oorlog en geweld. Wanneer "een gemeenschap" oorlog voert om te overleven is volgens Verbrugge alles geoorloofd. "Slechts de absolute wil van de gemeenschap geldt hier. Daaraan is alles, maar dan ook alles ondergeschikt. En daarvoor wordt dus uiteindelijk ook met de onschuldige dood betaald - hoe wreed dat ook mag klinken." Het zou dan uitsluitend nog gaan om het "recht van de sterkste", en "het sterke is hier het goede", meent Verbrugge. "Cultuurgemeenschappen" zouden alleen kunnen voortbestaan wanneer zijn leden bereid zijn tot noodzakelijk geweld om de leden van de andere "cultuurgemeenschap" te doden. Ieder "volk" moet van hem dan ook zijn "voorgeslacht eren", dat "bloed heeft geofferd voor het eigen bestaan". Als het erop aan komt, mag niemand kiezen voor "iets anders dan zijn eigen gemeenschap", want die zou namelijk "heilig" zijn.

Vanzelfsprekend acht Verbrugge "de Nederlandse gemeenschap" met zijn vermeende "Hollandse handelsgeest, werklust, soberheid en discipline" de beste. "De aard van onze eigen cultuur" zou verbonden zijn met een "voorchristelijke oerziel". Maar door het gebrek aan aandacht voor "de culturele traditie" zou "onze cultuurgemeenschap" verzwakken. Om die nu weer te "bezielen" moeten de "eigen taal" en allerlei "gemeenschappelijke symbolen" als het koningshuis, herdenkingen en feesten meer gecultiveerd worden. Belangrijk daarbij zou ook de "volksgeschiedenis" zijn "met de grote gebeurtenissen en ondernemingen die het volk zijn eigen identiteit geven".

Bloed- en aardeband

Bij het volksnationalisme hoort een bloed-en-bodem theorie. Volgens Verbrugge moet elke "cultuurgemeenschap" per definitie gebonden zijn aan bepaalde territoriale grenzen. En om deel uit te kunnen maken van zo'n "cultuurgemeenschap" zouden individuen dus een "bloed- en aardeband" moeten hebben. Individuele rechten zouden de "uitdrukking van de algemene wil van een gemeenschap" vormen en zouden zodoende alleen door staten verleend kunnen worden. Wanneer een staat zijn burgers echter minder of helemaal geen rechten verleent, dan mag men daar niet tegen protesteren, zo vindt Verbrugge, want "het volk is recht en moraal tegelijk". Mensenrechten zouden sowieso een kosmopolitisch verzinsel zijn, en simpelweg niet kunnen bestaan omdat ze niet op "een cultuurgemeenschap" betrokken zijn.

Verbrugge keert zich om vergelijkbare redenen ook tegen de EU, alweer zo'n levensbedreiging voor "onze cultuurgemeenschap". De Unie zou namelijk niet "geworteld" zijn in een "volksgemeenschap", maar net als het communisme via een "ideologisch rationaliseringsproces" juist alle "culturen" wegvagen. De "ontwortelde" Europese bestuurlijke elite zou zo de "Europese ziel" verwoesten. Verbrugge wil af van het "verzonnen ideaal" van de EU en terug naar "de echte cultuurgemeenschappen" met hun soevereiniteit en strenge grenscontroles. Daarbij zouden "de pompeuze handgebaren van Chirac, de bouwvakkersretoriek van Schröder, de ijdelheid en arrogantie van Berlusconi" trouwens helemaal niet bij "ons" passen. Balkenende, Kok en Lubbers zouden daarentegen herkenbaar en echt van "onszelf" zijn.

Volksaard

Weer een andere bedreiging voor "onze cultuurgemeenschap" vormen de migranten. Die zouden onder meer zijn binnengehaald vanwege "de morele zelfvoldaanheid over het helpen van asielzoekers". Hun "massale toestroom" zou "de infrastructuur van ons land onder druk gezet" hebben en onder meer een "enorme stijging van de huizenprijzen" veroorzaken. Het zou volgens Verbrugge "de afkeer van de eigen (christelijke) traditie" zijn die "ervoor gezorgd heeft dat de 'ander' met open armen werd ontvangen". Hij meent dat "onze burgerrechten te gemakkelijk uitgedeeld" zijn, want "een deel van de islamitische gemeenschap wil kennelijk niet echt tot het westen behoren". Misschien is er over 50 jaar wel een moslimmeerderheid in de grote steden die zich wil gaan afscheiden van Nederland, zo filosofeert hij. In ieder geval blijft "de Nederlandse aarde en volksaard" hen nu al vreemd. Moslims zouden hun "levenskracht" slechts uit "het oude vaderland" ontvangen door alleen met leden van de eigen "cultuurgemeenschap" te willen trouwen. Deze volgens Verbrugge "bewuste cultuurpolitiek" van "de moslimgemeenschap" zou neerkomen op "etnische discriminatie". En daar moet van hem nu eens een eind aan gemaakt worden.

"De moslimgemeenschap" zal volgens Verbrugge "hoe dan ook Nederland als haar nieuwe vaderland moeten aanvaarden" en deel moeten gaan uitmaken van "de Nederlandse gemeenschap". Om "onze eigen cultuurgemeenschap" veilig te stellen mag men hen daartoe best dwingen en zelfs gerust het principe van de rechtsgelijkheid loslaten. Sowieso moet de multiculturele samenleving afgeschaft worden, want zonder "culturele eenheid" zou de democratie niet kunnen bestaan. Gedwongen integratie zou volgens Verbrugge noodzakelijk zijn, want "de cultuur" van veel migranten zou ofwel "achterlijk" zijn, waardoor ze een "culturele inhaalslag" zouden moeten maken, ofwel anders zijn, en dan zouden ze afstand moeten nemen van "hun oude cultuur en gemeenschap".

"De cultuurgemeenschap" zou overigens ook van binnenuit bedreigd worden, in de eerste plaats door het individualisme. Verbrugge zegt genoeg te hebben van "de naïeve droom van vrije en gelijkwaardige personen". Volgens hem is "de cultuurgemeenschap" veel belangrijker dan zijn leden, en kan "de gemeenschap" hen vrijheid schenken, maar hen ook via de staat dwingen om de persoonlijke vrijheid op te geven, of om afstand te doen van hun eigendom, en zelfs "om te sterven voor het eigen land". En dat zou geen onrecht zijn. Integendeel, de burger zou dat allemaal zelf moeten willen, gedreven door "een bovenindividuele bezieling". Burgers zouden bereid moeten zijn om "het heilige offer te brengen om de eigen levensbestemming te vinden, ten behoeve van de gemeenschap". Willem van Oranje zou zo bijvoorbeeld "grootse en nobele daden" hebben verricht voor "het vaderland".

Gepeupel

Een andere bedreiging zou "het gebrek aan liefde voor de eigen cultuur" zijn. De Nederlandse bevolking, en dan vooral de jeugd, zou door dat "cultuurverlies" tot "gepeupel" zijn verworden dat weinig anders doet dan "verveeld tv-kijken", spelen op de computer en luisteren naar vormen van popmuziek die niet zouden deugen, zoals death metal, gangsta rap en trance. Vol walging beschrijft Verbrugge hoe "het gepeupel" samenkomt bij danceparty's en voetbalwedstrijden van het Nederlands elftal. De "verwaarlozing van de cultuur" zou vooral veroorzaakt worden door het ontbreken van gezagsverhoudingen op school en in het gezin. Verbrugge vindt dat "onze cultuurgemeenschap" deze bedreiging moet tegengaan via inperking van de persoonlijke vrijheid. Er zouden ook zwaardere straffen moeten worden uitgedeeld en een "herstel van de verticale verhoudingen" zou noodzakelijk zijn. Volgens de "uitdagende jonge filosoof" zou het een symbool van verwendheid zijn wanneer men tegen deze maatregelen protesteert. Zo'n inperking zou namelijk onontkoombaar zijn als "we" de "samenhang van de cultuurgemeenschap" willen "afdwingen" die hard nodig zou zijn om te kunnen overleven.

"De feitelijke ongelijkheid en ongelijkwaardigheid tussen mensen zijn met het sociale en culturele milieu en de plaats van de geboorte gegeven", zo meent Verbrugge, en daar moet men geen verandering in willen brengen. Hij pleit dan ook voor "een samenleving waarin niet allen gelijk zijn, maar juist ieder een eigen plaats heeft waar hij zich thuis voelt". Juist door de acceptatie van machtsongelijkheid zouden "volksgemeenschappen" gezond blijven, beweert Verbrugge. De leden daarvan zouden "hun saamhorigheid in het verschil" moeten ervaren. Herverdeling van de rijkdom noemt hij een "totalitair onrecht". Er zouden nu eenmaal verschillen zijn in bijvoorbeeld de aanleg en luiheid van bevolkingsgroepen. Bovendien zou een "uitbundige verzorgingsstaat" de "gemeenschapsbanden" maar ondermijnen omdat mensen elkaar niet meer hoeven te helpen. De aartsconservatief Verbrugge is faliekant tegen elke vorm van communisme en socialisme. En ook van het liberalisme met zijn "ongebreideld consumentisme" moet hij vanzelfsprekend niets hebben. Maar met het kapitalisme als zodanig heeft hij geen probleem.

Nationale kerk

Verbrugge beweert dat "de Nederlandse cultuurgemeenschap" ten onder dreigt te gaan aan een gebrek aan religie, volgens hem de kern van iedere "cultuur". Er zou tegenwoordig teveel rationaliteit zijn. Maar het doet er niet toe of een geloof waar is, zegt Verbrugge. Religie is volgens hem "de bovenindividuele verheffing van een god in een volk dat van daaruit zijn levenskracht, richting en zin ontvangt". Via zijn religie zou "een volk" dus "zijn plaats in de kosmos" weten. Verbrugge pleit daarom ook voor "nationale kerken waarin god in eenheid met het eigen volk wordt ervaren". Hij wil dat de vroegere religieuze gebruiken terugkeren, zoals de kerkgang en de gebeden voor de maaltijd of het slapengaan. Hij klaagt dat het huwelijk tegenwoordig niet "heilig" meer is en zelfs open staat voor homo's. Verbrugge vindt het schandalig dat het huwelijk afhangt van "particuliere voorkeur" en gemakkelijk verbroken kan worden, want het gezin zou "de natuurlijk omgeving" zijn waar "gemeenschapszin" bijgebracht wordt. Hij vindt het ook niet goed dat veel kinderen hun ouders bij de voornaam noemen en niet langer de "heilige" begrippen vader en moeder gebruiken.

De afbraak van "het heilige" zou volgens Verbrugge leiden tot ondermijning van "de cultuur" en dus van "de volksgemeenschap". Die zou "het heilige" nodig hebben omdat het "ons ontzag inboezemt" en "ons" in zou doen zien dat God en "de gemeenschap" veel "groter en belangrijker zijn dan wijzelf". Volgens Verbrugge "ontvangt" het individu via de religie "zijn levensbestemming". En die zou natuurlijk in de eerste plaats bestaan uit het dienen en voortzetten van "de cultuurgemeenschap". Volgens Verbrugge "dooft" nu helaas "de wil tot voortplanting uit" en zou men niet langer "de geest van zijn land of volk in leven houden, een cultuur voortzetten".

Bron: De Fabel van de Illegaal

zaterdag, augustus 26, 2006

Het patatconservatisme door Rob HARTMANS in De Groene Amsterdammer, 17 juli 2004.

Nieuwe conservatieven als Livestro, Cliteur en Spruyt hebben de mond vol van een stoer, mannelijk ideaal, maar in werkelijkheid vertegenwoordigen ze slechts een slap soort patatconservatisme. Ze schrikken terug voor de consequenties van hun eigen denkbeelden, en zoeken daarom hun heil in het uitventen van een imaginair vijandbeeld. Wat betreft ruggengraat en holle leuzen zijn deze volgelingen van Edmund Burke typische kinderen van de jaren zestig.


Enkele jaren geleden heb ik alle sinds 1918 verschenen jaargangen van dit weekblad doorgenomen. Een hele klus, die wel zeer leerzaam, verhelderend en vaak plezierig was. Er waren echter periodes bij waarin het vooral een kwestie van doorbijten was. Dat gold vooral voor de jaargangen uit de jaren zeventig. Alles leek toen ondergeschikt te zijn aan het politieke doel. Er was weinig ruimte voor twijfel, standpunten van al dan niet vermeende tegenstanders kwamen niet aan bod en aan bepaalde onderwerpen werd helemaal geen aandacht besteed. Hoe de komende revolutie van links er precies zou uitzien bleef vaag, maar dat zij noodzakelijk en onvermijdelijk was, daarover bestond geen twijfel. Dit gebrek aan intellectuele twijfel, zelf reflectie en humor resulteerde in een blad dat volgens de latere redacteur Sander Kooistra nog het meest leek op «met koud water aangemaakte Brintapap». Hoe merkwaardig het ook schijnt, toen ik het onlangs verschenen boekje met columns van Joshua Livestro las, moest ik vrijwel onmiddellijk denken aan het marxistische betonvlechtersproza en de rechthaberische toon die zo kenmerkend waren voor De Groene van dertig jaar geleden.

Livestro is de man die met zijn artikel «Het conservatieve moment is gekomen» (NRC Handelsblad van 3 februari 2001) de aftrap gaf voor een rechtse stormloop op de «linkse kerk». Kort tevoren had hij samen met onder anderen zijn leermeester Andreas Kinneging en de orthodoxe calvinist Bart Jan Spruyt de Edmund Burke Stichting opgericht, bedoeld om het conservatieve gedachtegoed onder de aandacht te brengen en het politieke debat te beïnvloeden. Echt afwezig waren conservatieve ideeën natuurlijk nooit geweest, maar naar de smaak van sommigen, die nu pas als conservatief «uit de kast» durfden te komen, was het publieke debat veel te lang gedomineerd door «links» en was het vaderland onder invloed van «de geest van 1968» verworden tot een hedonistische speeltuin waarin veel mensen alles deden wat God verboden had en een richtingloze overheid gemakzucht en immoreel gedrag niet alleen toeliet maar zelfs subsidieerde.

Een deel van deze kritiek was zonder meer terecht, en vergeleken met het radicaal populistische offensief dat reeds was ingezet door Pim Fortuyn en de patjepeeërs van Leefbaar Nederland deed het beschaafde, intellectueel onderbouwde protest van de burkeanen sympathiek aan. Wie kan immers ontkennen dat een aantal problemen van de verzorgingsstaat veel te lang zijn ontkend, dat het denken in termen van «rechten» ertoe heeft geleid dat veel mensen hun individuele verantwoordelijkheid afschuiven op de overheid, dat met het verbreken van allerlei als knellend ervaren banden — zoals het traditionele gezin, de godsdienst en het verzuilde bestel — een hyperindividualistische, materialistische, hardvochtige en kille samen leving is ontstaan? Met recht sprak Pim Fortuyn van «de verweesde samenleving», al kreeg je niet de indruk dat deze libertijnse praatjesmaker en zijn vastgoedvriendjes daar echt een alternatief voor hadden.

De vraag was dus of de nieuwe conservatieven met een overtuigend en levensvatbaar alternatief zouden komen. Na ruim drie jaar is het tijd om de balans op te maken. In de tijd dat Livestro en Spruyt nog gezamenlijk optrokken — inmiddels is de eerste uit de Edmund Burke Stichting gegooid — presenteerden zij zich nadrukkelijk als mannelijke denkers. Voor de fotograaf van, naar ik meen, HP/De Tijd namen ze de pose aan van Rodins beeld De denker, en op hun website geurden zij met de namen van grote geesten die tezamen het conservatieve wereldbeeld zouden hebben gevormd (dat enkele van deze grote denkers door hun leermeester Kinneging nog waren gelauwerd als de grondleggers van het liberalisme mocht de pret niet drukken). Daarnaast werden Livestro en Spruyt niet moe te verkondigen dat de conservatieven «echte mannen» waren. Links had veel te veel medelijden gehad met iedereen die uit de boot viel en te lang getracht iedereen tevreden te stellen door middel van een politiek van «pappen en nathouden». Het was nu tijd om de mensen de waarheid te vertellen, hen te wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid en zonodig een trap onder het achterwerk te geven. Het was ferme taal, het waren overzichtelijke idee en. Maar was is er tot nu toe van terechtgekomen?

Wat betreft Spruyt moet worden vastgesteld dat het met zijn ideeën nogal tegenvalt. Weliswaar publiceerde hij begin vorig jaar een lezenswaardige bundel met opstellen over het conservatieve gedachtegoed van een aantal voorgangers, maar veel eigen denkwerk zat daar niet in. Ook het in oktober 2003, samen met zijn kompaan Michiel Visser gepubliceerde manifest De crisis in Nederland — en het conservatieve antwoord was allesbehalve indrukwekkend. Naast een potsierlijke en een van een groot gebrek aan historische kennis getuigende aanval op «de Verlichting» bevatte het nauwelijks aanzetten tot een alternatieve politiek. Veel verder dan het geijkte gezeur over «de jaren zestig», de wandaden van het kabinet-Den Uyl en een obligaat pleidooi voor een kleine doch krachtige overheid kwamen de auteurs niet.

Vanzelfsprekend moet, geheel in lijn met de post fortuynse tijdgeest, volgens de nieuwe conservatieven wel stevig worden opgetreden tegen buitenlanders die niet alle vijftien coupletten van het Wilhelmus uit het hoofd kennen. Als zij zich niet aanpassen aan het Nederland van Calvijn, Michiel de Ruyter en boerenkool met spek, dan hebben ze hier niets te zoeken. Ondertussen heeft Spruyt, zoals Pieter Hilhorst onlangs in Vrij Nederland signaleerde, op dit punt al weer bakzeil gehaald. Hij heeft namelijk verklaard dat hij best begrijpt dat moslimjongeren er niets voor voelen om hun culturele identiteit aan de kapstok te hangen en zich volledig aan te passen aan de «traditionele Nederlandse beschaving». Blijkbaar heeft hij inmiddels ingezien dat die Nederlandse beschaving met uitzondering van Stap horst helemaal niet meer «traditioneel» is, en dat vergaande integratie van buitenlanders zou betekenen dat ze zich gaan aanpassen aan de geseculariseerde samenleving die het product is van die verfoeide Verlichting. Blijkbaar kunnen de zogenaamde «nieuwkomers» voorlopig maar beter helemaal niet integreren, en moeten ze eerst wachten tot Nederland zich weer in zijn geheel houdt aan de Dordtse leerregels van 1619. Het is onmiskenbaar een eigen gedachte, maar erg overtuigend en haalbaar is zij niet.

Maar hoe zit het dan ten minste met het testosteron gehalte van Spruyts ideeën? Uiteraard was hij een groot voorstander van de oorlog in Irak en betreurt hij het dat Nederland niet daadwerkelijk heeft meegedaan aan de bevrijding van Bagdad. Wie twijfelt aan de motieven en de effectiviteit van Bush’ ideologische kruistocht is ongetwijfeld een verwijfde, linkse slappeling, die bestreden dient te worden. Ondertussen horen we Spruyt eigenlijk alleen nog maar klagen dat hij tijdens een lezing is bedreigd, en dat hij geen politiebescherming krijgt. Mede-conservatief en verkondiger van ferme standpunten Paul Cliteur heeft inmiddels al de handdoek in de ring gegooid. De conservatieve mannenbroeders geven dus blijk van dezelfde slappe houding die sinds Fortuyn kenmerkend is voor veel critici van links: kritiek op de eigen harde standpunten wordt onmiddellijk betiteld als demonisering, en elke onbekookte en onparlementaire uitlating van ongenoegen wordt gezien als een bedreiging. Dat is uiteraard ieders goed recht, maar erg «mannelijk» is het niet.
Intellectuelen als Spruyt, Livestro en Cliteur mogen dan stoere standpunten innemen, en pleiten voor een harde en mannelijke aanpak-politiek, tegelijkertijd blijven ze echter wat ze zijn: intellectuelen die afkomstig zijn uit redelijk welgestelde en beschermde milieus, die na hun studie in keurige en respectabele baantjes zijn gerold waarbij men het van opa geërfde driedelige pak nooit hoefde uit te trekken. En hoewel ze graag opkomen voor de «gewone», hardwerkende Nederlander, die ook baalt van alle uitvreters en lamzakken die hier door de linkse kerk gepamperd en vertroeteld zijn, hebben ze waarschijnlijk heel weinig contact gehad met wat vroeger «de lagere volksklassen» werden genoemd.

Ik zie deze mannelijke denkers namelijk niet erg lang standhouden te midden van mijn vroegere collegae in het rioolwezen, al zou het hun incasseringsvermogen wellicht ten goede komen. Confrontatie met het onder deze backbone van onze samenleving gangbare idioom — «Hé, godverdommese slome flikker, als je nou niet als de godgloeiende sodemieter die tyfuspijp in je teringklauwen neemt, ram ik deze kango zo ver in je reet dat hij er bij je jongeheer weer uit komt.» (Noot van de vertaler: een kango is een met perslucht aangedreven slaghamer) — zou ze immers duidelijk maken dat tussen woord en daad vaak een flinke kloof gaapt. Sommige mensen drukken zich nogal direct uit en nemen, net als trouwens veel intellectuelen, snel allerlei grote woorden in de mond, zonder dat ze daar onmiddellijk consequenties aan verbinden. Wie in een collegezaal tegen Spruyt roept dat hij doodgeschoten moet worden, of in de Kalverstraat tegen de held van Srebrenica roept dat hij moet worden opgeknoopt, spoedt zich namelijk niet naar huis om onmiddellijk een aanslag te beramen. Heel veel mensen denken simplistisch en uiten ook hun ongenoegen op een simpele manier. Dat werd goed zichtbaar tijdens de hysterie rond Fortuyn, en het zou de voorstanders van een vergroting van de directe invloed van de burger wat voorzichtiger moeten stemmen.

Ook de tegenwoordig door Vrij Nederland omarmde conservatieve dissident Joshua Livestro maakt, al zijn stoere retoriek over de oorlog in Irak en zijn lofliederen op de krijgshaftige traditie van Nederland ten spijt, een allesbehalve mannelijke indruk. In zijn stukjes mag hij dan keer op keer pleidooien houden voor het «getrouwde gezin», die onwrikbare hoeksteen van de samenleving, maar voor het moment suprème van dit bejubelde gezins leven deinst hij terug. Op zijn website vindt men namelijk een artikel waarin hij tekeergaat tegen de «thuisbevallingmaffia». (Over demonisering gesproken, wat is dat toch voor idiote gewoonte om elke groepering waar je het niet mee eens bent te kwalificeren als «maffia»?) Volgens Livestro is Nederland namelijk op het gebied van bevallingen een soort ontwikkelingsland, waar «middeleeuwse kwakzalversideeën» nog hoogtij vieren, zodat deze tegenstander van de Verlichting een pleidooi houdt voor bevallen in het ziekenhuis.

Opnieuw een volkomen respectabel standpunt, al vraagt men zich af wat er voor een echte conservatief nu mooier is dan dat zijn vrouw thuis bevalt, te midden van het eigen gezin, in hetzelfde bed als waarin het kind is verwekt. In deze vertechnocratiseerde en kille maatschappij, waarin professionals het individu de verantwoordelijkheid vrijwel volledig uit handen hebben genomen, is een thuisbevalling nu juist een moment dat je er als vader nog toe doet, waarop je daadwerkelijk van nut kunt zijn, waarbij je na afloop de nageboorte in je eigen tuin kunt begraven. Goed, je driedelig pak moet er wel even voor uit, maar er zijn weinig momenten waarop je dichter bij «het leven» zelf staat, waarop «het bloed» belangrijker is dan de door Edmund Burke zo verafschuwde abstracties en rationalisaties.

Maar ja, ook in dit opzicht lijkt Livestro sterk op de verbale radikalinski’s van de jaren zeventig, op de «revolutionairen-met-behoud-van-uitkering» van de latere kraak beweging. Het dwepen met revolutionaire denkbeelden, maar vervolgens terugschrikken voor de consequenties, is ook kenmerkend voor Livestro’s bundeltje columns. Op het omslag van Rechts spraak (Aspekt) kijkt hij ons neerbuigend aan, gehuld in de decent om zijn krijtstreep gewikkelde vaderlandse driekleur. Het is een merkwaardige kruising tussen de rechtervleugel van de VVD en de ludiekerigheid van het door hem verafschuwde Provo.

Lezing van deze stukjes maakt al snel duidelijk dat er een grote overeenkomst is tussen het revolutionaire conservatisme van Livestro en het linksradicalisme. Hij schrijft dat hij, naar aanleiding van zijn onvermoeibare aanvallen op «de jaren zestig» door journalisten vaak wordt gevraagd of hij dan soms terug wil naar de jaren vijftig. In een dergelijke situatie citeert hij met instemming de Amerikaanse sociologe Wendy Shalit: «Ja, graag zelfs. 1850 liefst. Alles beter dan wat we nu hebben.» Hier is dus helemaal geen conservatief aan het woord, maar een gevaarlijke Jacobijn, iemand die blijkbaar niet helemaal goed weet wat hij wil — want welk fatsoenlijk mens wil terug naar het roofridderkapitalisme van 1850? — als het maar totaal anders is en er onmiddellijk mee wordt begonnen.

Even verderop steekt hij de loftrompet over het «neoconservatief idealisme» van Bush en consorten. Anders dan een linkse paus als Bart Tromp beweert, gaat het de Amerikaanse regering helemaal niet in de eerste plaats om de Iraakse olie, maar stond zij te popelen om in dat land een «democratische blauwdruk» te implementeren. En inderdaad, dat was nu zo griezelig aan die revolutieromantiek van de jaren zeventig, toen modieus links diep onder de indruk was van het idealisme van Mao en zijn Rode Gardisten die een radicaal-socialistische blauwdruk wilden implementeren. Als de geschiedenis van het communisme ons iets geleerd heeft, is het dat het onmogelijk is om mensen met de bajonet op het geweer het paradijs in te jagen. Als er overigens iemand is geweest die heeft gewaarschuwd tegen de gevaren van dergelijke universalistische pretenties, dan was dat de aartsvader van het conservatisme, de door Livestro zo bewonderde Edmund Burke.

In de jaren zeventig van de twintigste eeuw waren het trouwens vooral linkse publicisten als Jacques de Kadt, Karel van het Reve, Renate Rubinstein en Bart Tromp die waarschuwden tegen idealisme en blauwdrukdenken. Maar ja, dat kan Livestro natuurlijk helemaal niet begrijpen. Hij meent namelijk precies te weten hoe «links» in elkaar zit, en welke «heilige huisjes» het krampachtig op de monumentenlijst heeft gezet: «relativisme in epistemologische vraagstukken (‹niets is waar›), nihilisme in morele uitgangspunten (‹dus alles is geoorloofd›), etatisme in politieke aangelegenheden (‹alles via de staat›), centralisme in economische zaken (‹op naar het plan!›) en radicaal individualisme in sociologisch opzicht (‹ik, ik, ik›)».

Een dergelijke karikatuur heb ik niet meer gezien sinds het vormingstoneel van theatergroep Proloog, waarbij de wandaden van het perfide kapitalisme altijd werden gepleegd door een dikke, sigaren rokende fabrikant met een hoge hoed. Maar ja, met hetzelfde gemak breekt Livestro de staf over de «erfenis van links», die zou bestaan uit een miljoen WAO’ers en het multiculturele drama. Alsof Nederland decennialang gezucht heeft onder een PvdA-dictatuur, en VVD en CDA in die jaren nooit regeringsverantwoordelijkheid hebben gedragen.

Nu kan men dit soort retoriek nog afdoen als, wellicht noodzakelijke, overdrijvingen om gehoor te vinden voor een standpunt dat te lang is genegeerd. Maar ook als je kijkt naar de kern van Livestro’s boodschap zie je dat zijn denkbeelden hoogst inconsistent zijn. Hij wil de normen en waarden, de sociale geborgenheid en hiërarchie van het pre-industriële Europa, gecombineerd met de zegeningen van het kapitalisme. Hij wil terug naar het dorp van Swiebertje, Bromsnor en de burgemeester, maar dan wel inclusief winkelcentrum, bedrijventerrein, vliegveld en modern ziekenhuis.

De traditionele, agrarische samenleving, waar conservatieve heren zo genoeglijk met hun paard over decoratieve heggen en kristalheldere beekjes konden springen, waarbij de lokale, in sociaal en religieus opzicht nog homogene, bevolking onderdanig de pet afnam, is verdwenen als gevolg van het kapitalisme. De heggen hebben plaatsgemaakt voor rationeel ingedeelde landbouwpercelen, de beken zijn vervuild door de industrie, die een tijdlang grote behoefte had aan buitenlandse werknemers.
Als er één fenomeen is dat de, door de conservatieven ten onrechte geïdealiseerde, samenleving van het ancien régime heeft ontwricht, dan is dat het kapitalisme geweest. De morele verloedering die in de jaren zestig zou zijn begonnen, is niet alleen de schuld geweest van de VPRO en de blote borsten van Phil Bloom, maar is vooral zo onstuitbaar gebleken omdat allerlei lieden daar, volgens de beste kapitalistische principes, grof geld aan konden verdienen. Wat dat betreft hebben de commerciële tv-zenders meer onheil gesticht dan die verafschuwde linkse revolutionairen.

Uiteraard weten conservatieven als Livestro en Spruyt dat best, het komt ze alleen niet goed uit. Hun «alternatief» is immers niet levensvatbaar en ze willen graag meeliften op het succes van de liberalen en populisten, die aan hun conservatieve preken helemaal geen boodschap hebben. Ze schrikken terug voor de consequenties van hun eigen denkbeelden, en zoeken daarom hun heil in het uitventen van een imaginair vijandbeeld. Ze hebben de mond vol van een stoer, mannelijk ideaal, en doen zich voor als de boerenkool met spek etende erfgenamen van Willem van Oranje, Calvijn en De Ruyter, maar vertegenwoordigen in werkelijkheid slechts een slap soort patatconservatisme. Qua kleding en denkbeelden oriënteren de nieuwe conservatieven zich weliswaar op de generatie van hun grootouders, wat betreft ruggengraat en holle leuzen zijn ze typische kinderen van de jaren zestig.

Bron: De Groene Amsterdammer

maandag, juli 31, 2006

FAR-RIGHT IN BIG MOSCOW CONFAB (Russia) door Mara VLADIMIROVA in for Antifa-Net Moscow reports, Juli 2006.

31/7/2006- An international racist conference, attended by a galaxy of right-wing extremists including top US nazi David Duke and titled The White World in the XXI century, took place in Moscow on 8-9 June.

The idea of staging the event in Moscow came from the French New Right writer Guillaume Faye who visited Moscow last year. On the Russian side, the collective behind the racist magazine Athenaeum and the Russian European Synergy group co-organised the meeting. Coordinator of the meeting was Pavel Tulaev, Athenaeum's main editor, who officially billed the gathering as a scientific seminar with contributions from world-renowned philosophers. At the meeting, his wife Galina Lozko represented Ukraine where she edits a magazine called Svarog. The National State Party of Russia (NDPR) boss, Alexander Sevastjanov, opened the meeting to the applause of the many members of his party in attendance. So-called 'warriors' from the National People's Party (NNP) were also on hand as 'minders' but NNP chief Alexander Ivanov-Sucharevsky did not turn up, opting instead to send a statement to be read out to the conference. Several other well-known Russian nationalists were present as were two representatives of the Movement Against Illegal Immigration. Most of the foreign guests were people who have had articles published in Athenaeum. Most prominent was Faye who drew a utopian picture of a new white empire 'Eurosiberia' with its capital in Moscow. He probably forgot that Siberia is already inhabited by different Asian peoples. What Faye plans to do with these non-white ethnic groups was not made clear.

Two other French far-rightists made the trip: Pierre Vial, from the fascist journal Terre et Peuple, who talked about the conflict between Northern and Southern civilizations, and Jean-Pierre Tillenon, a Breton nationalist. Pierre Krebs from Germany, where he leads the Thule Seminar, impressed listeners with a speech, chunks of which seem to have been lifted directly from Hitler's propaganda chief Josef Goebbels and then mixed with references to ancient Greeks and equally ancient Germans. Another German,
Constantin von Hoffmeister, a teacher, banged on about the superiority of biopolitics over geopolitics. The star performer, though, was the ghastly perma-tanned and ever-coiffeured Duke who treated his audience to a presentation in which, after describing all the known incipient threats to the so-called 'white race', he tried to paint journalists as the biggest enemy of nationalists because they were able to brand nationalists as idiots. Duke is now well known in Moscow where he clearly feels at home. The rest of the racist cast included Gerhoch Reisegger from Austria who spoke about the Turkish danger for Europe, Jose Maria Alvares and Enrique Ravello from the Spanish magazine Tierra y pueblo and Eleftherios Ballas from the Greek group Arma for Aryan roots and race spirit who also represented the Norwegian National Socialist Movement with which Arma has links.

Other invited foreign extremists failed to appear, having been unable to obtain Russian visas, among them Barbara Krygier from Poland, Silvano Lorenzoni from Italy, Robert Steuckers from Belgium and Anton Rachev from Bulgaria who had been down to speak on the riveting subject of the 'Metapolitical Front of the White Movement'. Vladimir Avdeev, a Russian racist from the editorial board of Athenaeum entertained guests by dishing out a reprint of a German 1930s poster of racial types in Europe. It appeared to escape his notice that the poster depicts Slavs as an inferior race. Avdeev evidently considers himself a 100% honorary Aryan For outsiders, it was not easy to get into the conference whose details were circulated to a very narrow circle. From the admission fees and literature
sales, however, Athenaeum must have garnered several thousand US $.

Athenaeum was founded five years ago to succeed another racist journal, Inheritance of Ancestors and, from the outset, was styled as a Russian international magazine because of its publication of articles by right-wing extremist propagandists and politicians from across the world. Athenaeum's web site is multilingual with pages in Russian, English, German, French, Spanish, Polish, Bulgarian, Serbian, Ukrainian and White Russian. The site contains considerable material on the French New Right and on the political warfare between Faye and French New Right guru, Alain de Benoist. The British National Party and the history of the British nationalist movement since beginning of the twentieth century also feature there. Anatoly Ivanov, the head of European Synergy, translates the French material
on the web site. As a historian, Ivanov wrote a book, Christian Black Death, in 1978, a work in which he claims that "Christianity was a Jewish ideological diversion for destroying the spiritual foundations of Aryanism". The main stages in European history- the struggle between German emperors and Popes in the Middle Ages, the Renaissance and philosophies of Schopenhauer and Nietzsche Ivanov explains as "constant liberation of the Aryan soul of the Europeans from zionochristianism and the realisation of the spiritual antagonism between the Jewish and Aryan worlds". This same outlook, which means criticising Christianity and looking back to old Slavic roots and pan-Slavism and propagating the theory of the 'Fourth World War' between 'the White World' and others, forms the ideological basis of Athenaeum. Among the devotees of Athenaeum's neopagan position are Sevastjanov's NDPR and Ivanov-Sucharevsky's NNP. Ivanov-Sucharevsky has been prosecuted several times for extremist propaganda in his newspaper I'm Russian and there are rumoured to be links between him and groups of Moscow skinheads. Neither the NDPR nor the NNP bother to hide their ultra-nationalism and sympathy for Adolf Hitler. Members of both these parties took part in the big Russian nationalist march in Moscow on 4 November last year.

At the end of the conference, delegates produced a resolution for the creation of a "White International" with the head of the Greek
goddess Athena as its symbol and "White people of the world, come together" as its slogan. Moscow, meanwhile, was declared the capital of their brave new white world in the XXI century. The organisers and delegates are seemingly so satisfied with the results of
their efforts that they have decided to hold a seminar annually, the next planned for September this year in the Crimea.

Bron: I-Care

maandag, juni 26, 2006

Alexander Dugin, die Faschismusfrage und der russische politische Diskurs door Andreas UMLAND in Russlandanalysen 105/06.

Zusammenfassung

In den vergangen Monaten kann man eine erfreuliche Sensibilisierung der russischen Öff entlichkeit gegenüber Skinhead-Attacken und nationalistischer Propaganda beobachten. Dessen ungeachtet bleibt das Verhältnis der Putinadministration und der kremlgesteuerten Massenmedien zu xenophoben Tendenzen in Politik und öff entlicher Diskussion zweideutig. Während primitiver Fremdenhass und Gewaltaktionen öffentlich stigmatisiert werden, nimmt die Verbreitung insbesondere antiamerikanischer Stereotypen durch die Massenmedien und politische Publizistik ungehindert ihren Fortgang. So spielt etwa der Publizist Alexander Dugin, der in den neunziger Jahren off en profaschistisches Ideengut propagierte, im Diskurs der russischen politischen Eliten heute eine wichtige Rolle. Es dürfte interessant sein zu beobachten, wie die russische Führung in den kommenden Jahren mit den daraus erwachsenden Herausforderungen an die Innen- und Außenpolitik umgehen wird.



Eine neue Sensibilität für Rechtsextremismus ?

Angesichts der Häufung gewalttätiger Übergriffe und anderer ausländerfeindlicher Aktionen erlebt die Diskussion um russischen Faschismus derzeit ein neues Hoch in den Massenmedien der Russischen Föderation (RF). Eine ähnliche Debatte hatte es Mitte
der 1990er gegeben, als die Konfrontation zwischen Präsident Jelzin und der „unversöhnlichen Opposition“, bürgerkriegsähnliche Zustände in Moskau, Wladimir Shirinowskijs Aufstieg, das Auftauchen neonazistischer Parteien, der Erste Tschetschenienkrieg usw. den Begriff vom „Weimarer Russland“ prägten.

Obwohl dieses Konstrukt in den Kommentaren der letzten Monate seltener auftaucht, ist auch die aktuelle Mediendebatte von Alarmismus und Aktionismus gekennzeichnet. Immerhin ist zu begrüßen, dass die russische Öffentlichkeit, die die wachsenden rechtsextremistischen Tendenzen in der Parteienlandschaft und Jugendkultur über Jahre hinweg weitgehend ignoriert hatte, diese nun zumindest teilweise zur Kenntnis
nimmt und Gegenmaßnahmen diskutiert. Selbst die an und für sich als nationalismusfreundlich bekannte russische Justiz beginnt, sich dem Druck der öff entlichen Meinung bzw. der Präsidialadministration zu beugen, und wendet, im Vergleich zur Praxis der neunziger Jahre, den Fremdenhassparagraphen des russischen Strafgesetzbuches häufi ger an. Ebenfalls hoffen lassen die scharfen Reaktionen staatlicher Organe z.B. auf einen xenophoben Werbespot des „Rodina“-Blocks im Vorfeld der Wahlen zum Moskauer Stadtparlament 2005 oder das Vorgehen gegen die oft tödlich endenden Skinhead-Attacken auf Immigranten und Gaststudenten. In diesbezüglichen offiziösen Darstellungen wird zuweilen auf das „antifaschistische“ Erbe der Sowjetunion verwiesen und eine im Russentum verwurzelte besondere Resistenz gegenüber dem Faschismus beschworen.

Uneindeutige Reaktionen

Trotz solcher ermutigenden Anzeichen bleibt das Verhältnis der kremlkontrollierten zentralen Massenmedien zu den rechtsextremen Tendenzen insgesamt ambivalent. Während manifester Antisemitismus und gewaltbereiter Rassismus nunmehr massive Kritik und demonstrative Stigmatisierung erfahren, sind andere xenophobe Denkmuster in der Auslandsberichterstattung und weltpolitischen Kommentaren weiter präsent bzw. verstärken sich. Dies betrifft neben den klassischen antiwestlichen, -baltischen, -ziganistischen und -polnischen Reflexen zunehmende ukraino- und kaukasophobe – derzeit insbesondere antigeorgische – Stereotypen. Den unbestrittenen Spitzenplatz unter den von den russischen Staatsmedien projizierten „Feinden Russlands“ nehmen die Vereinigten Staaten ein. Der immer primitivere und tiefergehende Antiamerikanismus in politischen Fernsehsendungen wie „Odnako“ (Michail Leontjew),
„Tschelowek i sakon“ (Alexei Pimanow), „Realnaja politika“ (Gleb Pawlowskij) oder „Post Scriptum“ (Alexei Puschkow) steigert sich in ein manichäisches Weltbild, in dem die USA für den Großteil der Missgeschicke und Fehlentwicklungen der jüngsten russischen, ja Weltgeschichte verantwortlich gemacht werden und in welchem die amerikanische Gesellschaft zum negativen Anderen der russischen Zivilisation mutiert. Kurioserweise wird jener Staat, welcher Russland in der jüngsten Geschichte am meisten Leid zugefügt hat, Deutschland, von dieser paranoid gefärbten Wahrnehmung der Außenwelt ausgenommen und, wohl nicht zuletzt aufgrund der persönlichen Neigungen Putins, zum kollektiven Freund der Russen stilisiert (ein Zerrbild, das freilich auch durch das unorthodoxe Verhalten von Exkanzler Schröder genährt wurde).

Letztlich ist anzumerken, dass trotz zunehmender Verurteilung rechtsextremistischer Tendenzen, Repräsentanten der als putinfreundlich geltenden nationalistischen politischen Gruppierungen, allen voran Shirinowskijs sogenannte Liberal-Demokratische Partei, von den kremlgesteuerten Diskreditierungs kampagnen verschont geblieben sind, obgleich viele Statements von Shirinowskij und Konsorten (man denke etwa an sein berüchtigtes Pamphlet „Der letzte Sprung nach Süden“) ebenfalls geeignet sind, Fremdenhass in der Bevölkerung zu schüren.

Verirrungen der Intelligenzija

Neben derlei Tendenzen in Debatten der breiten Öffentlichkeit, gibt es ähnlich widersprüchliche Entwicklungen im Elitendiskurs und der politischen Publizistik. Einerseits wird von der politischen Spitze die Integration Russlands in westliche Organisationen, wie die G 8-Gruppe oder Welthandelsorganisation, vorangetrieben. Andererseits sind heutige politische Expertendiskussionen sowie das intellektuelle Leben insgesamt von einem sich ausbreitenden antiwestlichen, häufig als „eurasisch“ bezeichneten Konsens geprägt, dessen Grundtenor ist, dass Russland „anders“ als die USA sei bzw. gar im Gegensatz zu den Vereinigten Staaten existiere. Der russische Buchmarkt erlebt eine Schwemme von politischen Schmähschriften, die von unverhohlenem Amerikahass, abstrusen Verschwörungstheorien, pathologischen Weltuntergangsängsten und bizarren Neugeburtsphantasien geprägt sind. Zu den mehr oder minder weit gelesenen Autoren derartiger Machwerke zählen – neben vielen anderen – Sergej Kurginjan, Igor Schafarewitsch, Oleg Platonow, Maksim Kalaschnikow (alias Wladimir Kutscherenko) und Sergej Kara-Mursa.

Der wahrscheinlich bekannteste derartige Publizist ist Dr.sc.pol. Aleksandr Dugin (1962 geb.) – Gründer, Ideologe und Vorsitzender der sogenannten Internationalen Eurasischen Bewegung, deren „Höchster Rat“ sich mit der Mitgliedschaft des Ministers für Kultur der RF Aleksandr Sokolow, Vizevorsitzenden des Föderationsrates der RF
Aleksandr Torschin, mehrerer Botschafter und ähnlich illustrer Figuren schmückt, darunter auch einige westliche Intellektuelle und GUS-Politiker. Dugins wachsende Prominenz ist insofern bemerkenswert, als der „Neoeurasier“ nicht nur als der einflussreichste, sondern auch unverschämteste unter seinen ultranationalistischen
Publizistenkollegen gelten darf. Während sich Autoren wie Kurginjan oder Kara-Mursa in ihren Traktaten auf eine Wiederbelebung klassischer russischer antiwestlicher Ressentiments und untergründige Anleihen an westliche Quellen beschränken, gibt Dugin offen zu, dass nichtrussische antidemokratische Konzepte, etwa solche des europäischen integralen „Traditionalismus“ (René Guénon, Julius Evola, Claudio Mutti, etc.) sowie der westlichen Geopolitik (Alfred Mahen, Halford Mackinder, Karl Haushofer u.a.), deutschen „Konservativen Revolution“ (Carl Schmitt, Ernst Jünger, Arthur Moeller van den Bruck usw.) und frankophonen „Neuen Rechten“ (Alain de Benoist, Robert Steuckers) zu seinen Hauptquellen zählen.

Mehr noch: in den neunziger Jahren hat Dugin wiederholt seine Sympathien für ausgesuchte Aspekte des Italofaschismus und Nazismus, unter anderem für die Waffen-SS und das Institut „Ahnenerbe“, angedeutet und das Dritte Reich als bislang konsequenteste Inkarnationen des von ihm bevorzugten „Dritten Weges“ charakterisiert. Im Kapitel „Faschismus – grenzenlos und rot“ der WWW-Version seines 1997 erschienenen Buches „Tampliery Proletariata“ (Die Tempelritter des Proletariats) gab er der Hoffnung Ausdruck, dass nach der inkonsequenten Umsetzung ursprünglich richtiger Ideen durch Hitler, Mussolini usw. im postsowjetischen Russland nun ein „faschistischer Faschismus“ erstehen würde. In Dugins apokalyptischer Weltsicht stellt sich die Weltgeschichte als jahrhundertealte Konfrontation zwischen hierarchisch organisierten „eurasischen“ Landmächten und liberalen „atlantischen“ Seemächten dar. Diese Auseinandersetzung auf Leben und Tod wird heute zwischen Russland und den USA, als Hauptrepräsentanten der beiden antagonistischen Zivilisationstypen, ausgetragen und nähert sich nun ihrem „Endkampf“ (ein Wort, das bei Dugin in Deutsch, ohne Übersetzung ins Russische erscheint).

Derlei profaschistische Stellungnahmen müssten eigentlich dazu führen, dass Dugin und andere rechtsextreme Publizisten, die sich vergleichbar äußern, ähnlich öff entlich stigmatisiert werden, wie dies derzeit mit den neonazistischen Parteien und
Skinheadgruppen geschieht. Das war bisher jedoch kaum der Fall. Vielmehr sind Dugin & Co., wie etwa der bekannte Chefredakteur der wichtigsten ultranationalistischen Wochenzeitung Russlands „Sawtra“ (Morgiger Tag), Aleksandr Prochanow, gern gesehene Gäste bei politischen Abendsendungen wie „Wremena“ (Wladimir Posner), „Tem wremenem“ (Alexander Archangelskij), „Woskresnyj wetscher“ oder „Kbarjeru“ (Wladimir Solowjow), ja teilweise bei populären Nachmittagstalkshows wie „Pust goworjat“ (Andrej Malachow).

Das postsowjetische Faschismusverständnis

Dass Dugin bislang von kremlgesteuerten Journalisten und seinen politischen Konkurrenten weitgehend „verschont“ wurde, hängt nicht nur damit zusammen, dass er sich in letzter Zeit als „radikaler Zentrist“ und fanatischer Putin-Anhänger profiliert und es vermocht hat, Sympathien bei prominenten Repräsentanten der russischen Legislative und Exekutive zu wecken. Dugin ist es auch gelungen, dem
Faschismusvorwurf zu entgehen, indem er seine Schriften und öff entliches Image mit dem verzerrten, von der sowjetischen Propaganda geerbten Faschismuskonzept abgestimmt hat. Im postsowjetischen Diskurs wird der dem Italienischen entstammende
Begriff „Faschismus“ mit dem deutschen Nazismus und seinen äußerlichen Symbolen, wie Hakenkreuz und Hitlergruß, gleichgesetzt. Teilweise geht die propagandistische Nutzung des Faschismusbegriffs so weit, dass er auf alle als „antirussisch“ angesehene Ideen angewandt wird und sich damit unversehens zum rhetorischen Instrument in xenophoben Hetzkampagnen russischer Ultranationalisten wandelt.

Dugins Beispiel illustriert, dass es angesichts eines solchen verengten Faschismusverständnisses genügt, sich mit Lippenbekenntnissen von den schlimmsten Verbrechen des Dritten Reiches zu distanzieren sowie ein allzu offenes Kopieren der nazistischen Symbolik zu vermeiden, um einer öff entlichen Stigmatisierung als „Faschist“ zu entgehen. Dies zumindest würde erklären, warum einerseits manifest neonazistische Gruppierungen, wie die „Russische Nationale Einheit“ Alexander Barkaschows sowie die Skinhead-Banden, von der Exekutive und inzwischen auch Judikative lautstark verfolgt werden, andererseits jedoch rhetorisch nicht minder radikale ultranationalistische Publizisten geduldet sind, ja sich in öffentlichen Foren und den staatlich kontrollierten Massenmedien ungehindert präsentieren können bzw. scheinbar sogar eine aktive Rolle in diversen Projekten kremlnaher Polittechnologen zugewiesen bekommen haben.

1984 – Déjà vu

Ein weiterer Faktor, der Dugin & Co. begünstigt, scheint die Rückkehr der russischen Führung zu quasi orwellschen öff entlichen Diskursformen zu sein. Von der Präsidialadministration ferngesteuert, hangelt sich die politische Berichterstattung in den Massenmedien von einem nationalpatriotischen Happening zum anderen. Ob Russland-China-Gipfel oder der Olympiadeauftritt russischer Sportler, ob „Orange Revolution“ oder der Kassenerfolg eines russischen Fantasyfi lms im Ausland – internationale Ereignisse jedweder Art werden zum kollektiv errungenen Triumph oder zur gemeinsam erlittenen Erniedrigung der russischen Nation und ihrer getreuen Führung aufgebauscht.

Die damit einhergehende Verflachung und Emotionalisierung öffentlicher politischer Debatten, die manchmal in kuriosen Schreiwettkämpfen zwischen Teilnehmern politischer Fernsehdiskussionen endet, verdrängt ernsthafte Analyse. Politische
Kommentare sind auf das „Hier und Heute“ fixiert, was im Falle Dugins dazu beigetragen haben mag, dass sein eigentlich bekanntes neofaschistisches Auftreten in den Neunzigern „vergessen“ wurde. Die mit der propagandistischen Ausrichtung der Auslandsberichterstattung einhergehende gebetsmühlenartige Verunglimpfung des Westens erweitert zudem sukzessive den Raum für radikale Losungen und Lösungen,was ebenfalls die gesellschaftliche Position Dugins und ähnlich orientierter Theoretiker stärkt.

Ausblick

Wird die neugewonnene Sensibilität gegenüber nationalistischen Tendenzen zu einer nachhaltigenRückbesinnung auf tolerante und weltoffene Aspekte in der russischen politischen Tradition führen ? Oder bleibt die jüngste Tendenz eine bloße Episode in den wechselhaften Medienkampagnen der Putinadministration ?
Es lassen sich zwei gegenläufi ge Trends – ein ideologischer und ein pragmatischer – beobachten, deren Aufeinandertreffen den öffentlichen Debatten Russlands erstmals wieder gewisse Brisanz verleiht: Zwar erfüllt das von der Präsidialadministration der
letzten Jahre lancierte dualistische Weltbild – die einfältig-guten, um ihre „Unabhängigkeit“ ringenden Russen gegen den hinterlistig-imperialistischen Westen – wichtige Legitimationsfunktionen für den „harten“ Kurs des „wiedererstarkenden“ Russlands unter seinem neuen Präsidenten. Doch öffnet der offiziöse Verfolgungswahn Tür und Tor für radikale Schlussfolgerungen. Da das amerikanische Gesellschaftsmodell als Gegenbild der russischen Zivilisation erscheint, kann es nicht verwundern, wenn jugendliche Schlägertrupps auf ihre Weise die „Amerikanisierung“ der russischen Gesellschaft zu verhindern suchen. Die damit verbundene Beschädigung des internationalen Images der Russen ist wiederum unvereinbar mit den ebenfalls starken Bestrebungen, Russland als geachteten Partner der westlichen Staaten zu etablieren. Zudem scheint es in der Kremlführung Überlegungen zu geben, dem rasant fortschreitenden Schwund der Bevölkerung der RF durch großangelegte Immigration zu begegnen, was neuen Zündstoff liefern würde. Letztlich widersprechen der fanatische Antiamerikanismus und die radikal proiranische Position von Dugin & Co. den sicherheitspolitischen Kalkulationen des Kremls und seinen Bemühungen, sich gleichberechtigt in die internationale Koalition gegen islamistischen Terror einzureihen. Diese und ähnliche Herausforderungen der kommenden Jahre verleihen dem – zumindest teilweisen – Machtwechsel im Jahr 2008 zusätzliche Brisanz.

Redaktion: Hans-Henning Schröder

Über den Autor
Dr. Andreas Umland ist DAAD-Lektor an der Nationalen Taras-Schewtschenko-Universität Kiew.


Bron: Russlandanalysen

dinsdag, juni 20, 2006

De "superieure westerse cultuur" van opiniemaker Cliteur door Harry WESTERINK op De Fabel van de Illegaal, juni 2006.

"Onze westerse cultuur" is de beste. Links houdt de samenleving in de greep van de "politieke correctheid". Alleen het leven "met kwaliteit" verdient bescherming. Aldus de omstreden rechtsfilosoof Paul Cliteur, die al jarenlang een onsmakelijke hutspot van conservatief-liberale standpunten opdient.


Cliteur was voorzitter van het Humanistisch Verbond en partij-ideoloog bij de Teldersstichting, het wetenschappelijke bureau van de VVD. In 1989 promoveerde hij met het proefschrift "Conservatisme en cultuurrecht" aan de Leidse universiteit. Daar werkt hij als hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap. Ook is hij verbonden aan het universitaire E.M. Meijers Instituut, waar hij het onderzoeksprogramma "Sociale cohesie en multiculturaliteit" coördineert. Hij schreef onder meer de boeken "Darwin, dier en recht", "Moderne Papoea's", "Tegen de decadentie" en "God houdt niet van vrijzinnigheid". Ook maakte hij columns voor het tv-programma Buitenhof en publiceerde hij regelmatig in NRC Handelsblad, Trouw en Vrij Nederland. Momenteel werkt hij aan zijn nieuwe boek "Ethiek: vragen van goed en kwaad voor een verwarde samenleving".

Samen met zijn maatjes Andreas Kinneging, Bart Jan Spruyt, Joshua Livestro en René van Wissen was Cliteur in 2000 betrokken bij de oprichting van de Edmund Burke stichting.(1) Ze willen dat het conservatieve gedachtengoed meer maatschappelijke invloed krijgt en voeren daartoe een aanhoudend media-offensief.(2) Bruggenhoofd voor de Burke stichting vormt "de Leidse school", een universitair circuit van conservatieve hooligans waartoe naast Cliteur en Kinneging ook Afshin Ellian,(2) Jerker Spits (3) en Piet Emmer (4) behoren. Cliteur zit ook nog in de Raad van Aanbeveling van de Bastiat stichting, een uiterst rechtse libertarische denktank.(5) En daarnaast maakt hij deel uit van de viermansredactie van het nieuw-rechtse tijdschrift Civis Mundi van Wim Couwenberg, die er niet vies van is om samen met internationaal bekende fascisten te spreken op een colloquium van TeKos, de denktank van het extreem-rechtse Vlaams Belang.

Slavernij

Een belangrijk onderdeel van Cliteurs ideologie vormt de haat tegen multiculturalisme en cultuurrelativisme. "Het multiculturalisme is niet veel anders dan een oorlog tegen het westen, zoals het nazisme en stalinisme dat waren", durft hij zelfs te beweren.(6) Volgens hem hangt "de intellectuele elite van Nederland sinds de jaren 60" over de multiculturele samenleving "de verkeerde opvattingen" aan. De cultuurrelativisten zouden alle "culturen" gelijkwaardig achten. Maar volgens Cliteur is "de westerse cultuur" met zijn "universele waarden" superieur aan andere "culturen". Instemmend citeert hij de uiterst rechtse criminoloog en Trouw-redacteur Chris Rutenfrans: "We moeten niet schromen om de westerse cultuur hoog te houden als de beste die er is". Ook verdedigt Cliteur de eveneens uiterst rechtse Italiaanse premier Silvio Berlusconi, die stelde: "We moeten ons bewust zijn van de superioriteit van onze beschaving, een systeem dat berust op welzijn, respect voor mensenrechten en respect voor religieuze rechten - iets wat je niet hebt in islamistische landen."

Om niet voor racist te worden versleten voegt Cliteur er nog wel aan toe dat "culturen" weliswaar niet gelijkwaardig zijn, maar mensen wel. Een "cultuur" die niet erkent dat alle mensen gelijkwaardig zijn, is volgens hem "inferieur" aan een "cultuur" die daar wel vanuit gaat, "de westerse cultuur" dus. Die zou zijn voortgekomen uit "de Grieks-Romeinse cultuur" van 500 jaar voor tot 500 jaar na de jaartelling. In die "cultuur" echter bestond volop slavernij, konden alleen mannen van de eigen stadsstaat vrije burgers zijn, en werden mensen als bron van vermaak voor de leeuwen geworpen. Wat er "superieur" zou zijn aan dergelijke patriarchale verhoudingen, legt Cliteur gemakshalve maar niet uit. Ook het kolonialisme en de slavenhandel vanaf de zestiende eeuw en de wereldoorlogen en concentratiekampen in de twintigste eeuw waren bepaald geen hoogtepunten van beschaving.

Tegenover de huidige "multicultuur" zet Cliteur een zelfbedachte "monocultuur". Daarin zouden een aantal grondrechten centraal moeten staan, zoals de vrijheid van meningsuiting en godsdienst, het non-discriminatiebeginsel, en het recht op privacy en lichamelijke integriteit. Sociale grondrechten als recht op inkomen en onderdak wijst hij echter categorisch af. Hoe groter het aantal grondrechten, hoe groter de kans dat die worden uitgehold, luidt zijn nogal merkwaardige argumentatie daarvoor. Binnen zijn beperkte rijtje grondrechten brengt hij ook nog eens een rangorde aan. De vrijheid van meningsuiting zou namelijk "de koningin" onder de grondrechten zijn. "Vooruitgang in de geschiedenis is voor mij: vooruitgang in de vrijheid van denken en meningsuiting." Zo maakt hij bewust het recht om niet gediscrimineerd te worden ondergeschikt aan de vrijheid om te zeggen wat je vindt. De mensheid zou namelijk vooruit gekomen zijn door te kwetsen en te beledigen. Dus "we" zouden niet moeten zeuren over discriminatie. "Er waart een geest door Nederland die aangeeft dat niet vrijheid van spreken het uitgangspunt moet zijn, maar de gevoelens van groepen die niet met kritiek op hun handel en wandel wensen te worden geconfronteerd." Als "wij" moslims te kakken willen zetten, dan moet dat gewoon kunnen, bedoelt hij.

Bloemendaalse identiteit

Volgens Cliteur is het multiculturalisme van de cultuurrelativisten tot mislukken gedoemd. Dat probeert hij te bewijzen aan de hand van het voorbeeld van Britse moslims die zich bij de Taliban aansloten om te strijden tegen de Britten en Amerikanen in Afghanistan. Er leeft in Groot-Brittannië "een aanzienlijke groep moslims die hun "gastland" niet bepaald als hun vaderland beschouwen", zo schrijft hij. Waarbij hij Groot-Brittannië dus nadrukkelijk "gastland" noemt van moslims die toch echt de Britse nationaliteit hebben. "Zij zijn bereid de wapenen op te nemen om het land waarin zij leven in een ander deel van de wereld ten val te brengen. Betekent dit niet dat het bevorderen van multiculturalisme in eigen land een suïcidale strategie is?" Maar ook velen uit "de westerse cultuur" hebben met demonstraties en gewapend verzet geprobeerd om oorlogen van "hun eigen land" te stoppen, zoals Amerikanen die in de jaren 60 massaal protesteerden tegen de Vietnam-oorlog.

Misschien moeten we wel "moderne Papoea's" worden, mijmert Cliteur. "De Papoea staat voor het idee van een afgesloten cultuur, een cultuur die uit één blok gehouwen is." 'Hij plaatst zichzelf met zulke vergelijkingen in de racistische koloniale traditie waarbij westerlingen meenden dat "de inboorlingen" niet verder keken dan hun neus lang was. "Monoculturen" hebben echter nooit bestaan. Cliteur meent van wel, maar erkent in ieder geval dat ze er nu niet meer zijn. Toch blijft hij erover dromen.

Hoezeer Cliteur ook te keer gaat tegen multiculturalisten, toch heeft hij meer met hen gemeen dan hem lief is. Beide partijen zitten namelijk gevangen in het bijzonder onvruchtbare denken in "cultuur", een uiteindelijk vaag en ongrijpbaar begrip dat weinig tot niets bijdraagt aan het begrijpen van samenlevingen. Begrippen als macht en arbeid zijn daartoe veel meer geëigend, dat hebben marxisten lang geleden al aangetoond. Daarom moet links ook vermijden om mee te gaan in het streven naar behoud van "de eigen cultuur" van "allochtonen", maar pleiten voor gelijke rechten voor iedereen, en tegen onderdrukking en uitbuiting. Bij het bestrijden van het groeiende racisme hoeft links dan ook niet op te komen voor het multiculturalisme.(7)

Omdat het begrip "cultuur" op zich al vaag is, heeft het concept "nationale cultuur" helemaal geen betekenis. Behalve in het denken van allerhande doorgedraaide nationalisten natuurlijk. Cliteur erkent dat indirect door in een van zijn boeken schertsend een denkbeeldige in Bloemendaal woonachtige persoon op te voeren die "de Bloemendaalse identiteit" zegt te hebben. ""Bloemendaler zijn" hoort bij zijn wezen. Hij heeft het over zijn "Bloemendaalse ziel", zoals men in Russische romans spreekt van een Slavische ziel", grapt Cliteur. Een dergelijke houding zou men toch wel vreemd vinden, stelt hij. "Het cultiveren van etnische identiteit heeft doorgaans niet zulke aangename trekjes", merkt hij terecht op. Maar zelf maakt hij zich juist schuldig aan het vastpinnen van mensen op hun etnische identiteit. "Kijk naar de Marokkanen uit het Rifgebergte", schrijft hij bijvoorbeeld. "Die komen uit een zeer gewelddadige cultuur, met extreem veel wantrouwen. Die geven dus een verhoogd risico binnen de Nederlandse samenleving. Dat is een relevant gegeven om je beleid op af te stemmen."(8) Volkomen racistisch pleit hij daarbij voor "het screenen" van dat soort "risicogroepen". Hij vindt het ook "zeker niet ondenkbaar" om alle Marokkanen onder de 30 jaar te weren uit Nederland.

Cliteur toont onbedoeld wel vaker aan dat het denken in "culturen" onzinnig is. "Allerlei waarden van islamitische, Arabische, Indische, Griekse en Romeinse herkomst bepalen de Europese cultuur",(9) schrijft hij bijvoorbeeld. Maar daarmee ondergraaft hij zijn eigen ideologie van de "unieke" en "superieure" westerse "cultuur". Elders schrijft hij dat de doodstraf en het recht op abortus "de Amerikaanse cultuur" ernstig verdeeld houden.(6) En daarmee gaat hij weer in tegen zijn eigen opvatting van "de Amerikaanse cultuur" als een monolitisch blok. Hij zegt zich ook te kunnen vinden in de visie van de filosoof Francis Fukuyama, die begin jaren 90 nog meende dat het liberalisme de grote eindoverwinnaar was geworden in de wereldwijde strijd tussen de ideologieën. Het kapitalisme bepaalde volgens Fukuyama toen overal ter wereld "de moderne cultuur", waardoor het denken in etnische, nationale of continentale "culturen" meteen als een illusie verworpen zou moeten worden. Toch blijft Cliteur dat juist wel doen. Met hun stigmatiserend wij-zij denken willen opiniemakers als hij namelijk de ideologische invloed van de conservatieve beweging op de samenleving verstevigen.

Slachtofferrol

Cliteur noemt zichzelf vrijdenker, atheïst en humanist. Hij zegt geïnspireerd te zijn door het progressieve achttiende-eeuwse Verlichtingsdenken, dat de aanzet gaf tot een brede maatschappelijke emancipatiegolf. Wie verwacht dat hij daarom ook het anti-autoritaire emancipatiestreven van de jaren 60 van de vorige eeuw waardeert, komt bedrogen uit. Geharnast trekt hij in zijn schotschriften ten strijde tegen "de protestgeneratie", die op het pluche van de macht zou zitten en de hele samenleving zou geselen met de zweep van "het politiek correcte denken". Net als de rechts-populisten Pim Fortuyn (1) en Pamela Hemelrijk (2) speelt Cliteur de outsider die vanuit een underdogpositie moet opboksen tegen een veronderstelde paternalistische linkse elite van vooral PvdA-ers. "We worden natuurlijk niet gemarteld of in de gevangenis gegooid, maar we worden wel onmondig gemaakt", schrijft hij.(10) "Het absolute kwaad dat in de zeventiende eeuw werd geassocieerd met geloofsafval, de duivel en ketterij, wordt tegenwoordig geprojecteerd op politieke ideeën." Conservatieve ideeën wel te verstaan, waarop volgens hem een nieuw taboe zou rusten. "Bijna alle media en culturele instellingen zijn bolwerken van links. Zij worden nooit tegengesproken. Als dat wel gebeurt, ervaren ze dat als arrogant."(11) Fortuyn zou die vermeende linkse hegemonie hebben doorbroken. Daarom prijst Cliteur hem de hemel in. "Emancipator van de moslims", noemt hij hem onder meer, en "heraut van het vrije woord", "onze bevrijder van de politiek correcte denkpolitie, die dit land lange tijd in een toestand van zelfcensuur gegijzeld hield", en "de apostel van een "nieuwe politiek" die moeiteloos het naoorlogs verzet van een hele generatie als vrijblijvend geleuter in de hoek zette".(9)

Over "de lawaaigeneratie", "de pretgeneratie van de jaren 60" of "de babyboomgeneratie die nu vele banen bezet houdt" laat Cliteur zich onophoudelijk denigrerend uit. "Opgegroeid in weelde, banen voor het oprapen en eigenlijk zonder dat men ergens voor behoefde te strijden - dat waren de omstandigheden waaronder de protestgeneratie opgroeide. Het enige gevaar dat op de loer lag was de verveling. Strijd had men niet geleverd, en al helemaal niet tegen een groot gevaar als het nationaal-socialisme. Het is onterecht en ondankbaar, maar misschien wel begrijpelijk dat juist de leden van déze generatie een hang naar groots en meeslepend leven ontwikkelden en zich afzetten tegen hun vaders. Maar hoe kon men dat rechtvaardigen? De grootste provocatie die men voor die vaders kon bedenken, was dat niet de vaders de strijd tegen het nazisme hadden geleverd, maar dat eigenlijk de leden van de protestgeneratie erkenning zouden moeten krijgen als de vaandeldragers van het anti-nazisme."(12) Waarbij Cliteur gemakshalve over het hoofd ziet dat ook die "vaders" tijdens de bezetting meestal niet in het verzet zaten, maar massaal collaboreerden met de nazi's. En hij negeert ook nog eens het bestaan van vrouwen.

In 2004 schoot Cliteur nog verder door in zijn slachtofferrol. Hij meende te worden gedemoniseerd door toch nogal bedaarde huisvadertypes als Thijs Wöltgens, Bart Tromp en Jacques Wallage,(1) PvdA-coryfeeën die in de lijn van het heersende politieke klimaat zelf steeds verder naar rechts zijn opgeschoven. Deze sociaal-democraten zouden zowaar "een hetze" voeren tegen de conservatieven, en "links-radicalen" hebben "gevoed" die Burke-voorman Spruyt zouden hebben bedreigd. Was Spruyts verhaal over die vermeende bedreiging al bijzonder opgeklopt, helemaal onzinnig is Cliteurs suggestie dat radicaal-linkse activisten hun oren zouden laten hangen naar sociaal-democratische regenten. Heel dramatisch deed Cliteur het voorkomen alsof hij straks de volgende Fortuyn zou worden, en dat "de kogel" dan opnieuw "van links" zou kunnen komen. Links zou namelijk een "liquidatiecultuur" kennen. Overigens erkende hij haast terloops zelf nooit bedreigd te zijn. Toch maakte hij met veel ophef bekend te zullen stoppen met zijn columnistenwerk. Cliteur is nogal close met zijn "goede vriend" Spruyt, hoewel die lid is van de christenfundamentalistische SGP (13) en Cliteur naar eigen zeggen niets moet hebben van religie. Blijkbaar vormt de gezamenlijke strijd tegen links en de islam voldoende motivatie om de onderlinge ideologische verschillen te overstijgen. Door toedoen van links zou Nederland "staatsgezag" missen en in "een staat van anarchie" verkeren.(14) Om verder terrorisme te voorkomen zei Cliteur bereid te zijn om onze grondrechten vergaand te beperken. "De staat is primair, de rechtsstaat is secundair."(15) Met andere woorden: Cliteur heeft geen principiële problemen met een vervanging van de huidige democratie door een dictatuur.

Barbarij

Ongebruikelijk voor zijn sociale omgeving is Cliteurs pleidooi voor dierenrechten. Daarmee heeft hij zich in kringen van dierenrechtenactivisten nogal populair gemaakt. Hij was bij de verkiezingen voor het Europese Parlement in 2004 een van de kandidaten op de kieslijst van de Partij voor de Dieren. Cliteur gaat er vanuit dat dieren kunnen lijden en daarom ook rechten moeten krijgen. Het meest beïnvloed is hij door de vaak bewonderde maar ook verguisde Australische filosoof Peter Singer, die probeert om de ideologie van het kapitalisme, het liberalisme, een biologische rechtvaardiging te verschaffen.(16) Volgens Singers filosofie van het utilitarisme is het niet perse slecht om iemand te doden, als daardoor de totale hoeveelheid geluk maar toeneemt, en de hoeveelheid lijden afneemt. "Wie het leven zelf - dat wil zeggen het leven zonder meer - heilig verklaart, maakt eigenlijk een fout. Het leven zonder meer is niet waard geleefd te worden. Het leven is alleen iets waard wanneer het een leven is "met kwaliteit", een leven dat de levende persoon in staat stelt iets "met zijn leven te doen". Zou men zich van het leven niet bewust zijn (zoals bij een comateuze patiënt het geval is), dan heeft het leven voor die persoon geen betekenis", aldus Cliteur.(17) In navolging van Singer acht hij niet alle vormen van menselijk leven beschermenswaardig, en meent hij dat sommige diersoorten principieel bescherming verdienen. Singers filosofie roept allerlei vragen op. Wat is "leven met kwaliteit"? Wie bepaalt wat "kwaliteit" is? En kan die "kwaliteit" wel objectief gemeten worden? Singers ideeën zijn levensgevaarlijk voor hele groepen mensen, zoals gehandicapten. Zeker in onze door en door patriarchale wereld waarin vooral geld de dienst uitmaakt en werkelijke zelfbepaling zodoende nauwelijks voorkomt.

Wanneer Cliteur schrijft over de slechte behandeling van dieren, dan noemt hij onze samenleving ineens "een merkwaardige mengeling van beschaving en barbarij", in plaats van terug te vallen op zijn mantra van "de superieure westerse cultuur". Als dieren kunnen lijden en daardoor recht hebben op bescherming, hoe zit het dan met mensen? Die kunnen immers ook lijden. Behoren die dan ook niet allemaal voldoende eten, geld en onderdak te hebben? Hoe moet het dan met die 3 miljard mensen op aarde die van minder dan 3 dollar per dag in leven moeten blijven en gaan vluchten om te kunnen overleven? "Ik ben daar eerlijk gezegd zelf ook niet goed uit", aldus Cliteur, "hoe je daar mee om moet gaan. Wat ik wel weet, is dat we nooit zonder meer open grenzen kunnen uitroepen en ongelimiteerd kunnen toelaten. Dat gaat gewoon niet."(18) Wat Cliteur hier niet hardop wil zeggen, is dat open grenzen ten koste zouden gaan van de rijkdom in "de superieure westerse cultuur", die immers voor een aanzienlijk deel gebaseerd is op de armoede elders, op goedkope grondstoffen en lage lonen. Een moreel niet zo "superieure" positie van de rechtsfilosoof.

Noten

1. Zie: "De kwartiermakers van Fortuyn", Gebladerte-reeks 23. In: Fabel Archief.
2. Zie: "De wegbereiders van Wilders", Gebladerte-reeks 27. In: Fabel Archief.
3. "Germanist Jerker Spits promoot Hitlers ideologische voorvaderen", Eric Krebbers. In: Fabel Archief.
4. "Leidse slavernij-professor wil meer goedkope arbeidsmigranten", Eric Krebbers. In: Fabel Archief.
5. "Libertariërs aller landen verenigen zich", Gerrit de Wit. In: Fabel Archief.
6. "Moderne Papoea's", Paul Cliteur, 2002.
7. "Niet op de bres voor multiculturalisme", Eric Krebbers. In: Fabel Archief.
8. ""Er moet veel meer gekwetst worden"", Coen Verbraak. In: Vrij Nederland, 4.5.2002.
9. "God houdt niet van vrijzinnigheid", Paul Cliteur, 2004.
10. ""We worden onmondig gemaakt"", Alain van der Horst. In: HP/De Tijd, 27.2.2004.
11. "Filosofisch elftal", Yoram Stein, 2006.
12. "Tegen de decadentie", Paul Cliteur, 2004.
13. "Taliban op klompen", Harry Westerink. In: Fabel Archief. En: "SGP probeert zieltjes te winnen met aanval op islam", Harry Westerink. In: Fabel Archief.
14. ""Nederland verkeert in staat van anarchie"", Alain van der Horst. In: HP/De Tijd, 25.2.2005.
15. "Hutspot Holland", Guido Derksen, 2005.
16. "De profeet van het kapitalisme", Eric Krebbers. In: Fabel Archief.
17. "Darwin, dier en recht", Paul Cliteur, 2001.
18. "Het recht om Cliteur te kwetsen", Stan van Houcke In: De Humanist, maart/april 2002.

Bron: De Fabel van de Illegaal

zondag, mei 07, 2006

My answer door Edward GOLDSMITH op EdwardGoldsmith.com

Edward Goldsmith has come under attack from all sides of the political spectrum for his uncompromising and firmly-held views. In this article of January 2003, he robustly defends himself against his various detractors.


I have been under heavy, often vitriolic, attack in the last year. For some of my critics I am now a racist, fascist, neo-nazi, and "extreme right-wing ideologue" (Eric Krebbers and others of Fabel van de Illegaal). I say "now", as in the past I have been referred to as a Bolshevik (l'Actuel, a French periodical), a "whacko-communist-liberal" (a viewer of the US television programme C-Span), an "anarchist" (widespread sources), a "Jacobin" (Lyndon Larouche), a "Palaeolithic counter-revolutionary" (widespread sources), an "omnivorous pseudo-ecological tribalist" (Bob Finch of the Mundi Club) a "hypocrisy accumulation zone" (same source), a "Gaian-sociobiologist" (Wolfgang Sachs) a madman (Professor Lewis Wolpert), and even more recently, so I am told, the "anti-Christ" (Cardinal Biffi).

This suggests above all that my writings are difficult to classify in terms of today's conventional classifications, also that my views are not as popular as they might be, at least among many sectors of today's industrial society. I have to admit that they could not be more different from those of "Fabel van de Illegaal", my most vitriolic critics today, and of their gurus, Nicholas Hildyard and Larry Lohmann of the "Corner House", but that does not make me a fascist or any of the other things that these people make me out to be.

My views reflect above all my rejection of modern industrial society in just about all its manifestations, including its underlying world-view and its associated values, and the very principle of economic development that they serve to rationalise and hence legitimise. Needless to say, I also reject even more the globalisation of this destructive process, which, by its very nature, can only lead, if it continues for much longer, to the annihilation of the natural world, and among other things to the extinction of our species. I doubt if all the people I work with accept this view, many of them do not see the present situation as being quite as grim as I do. All I can say is that I sincerely hope that they are right.

My views also reflect my experience of traditional societies and my extensive reading of the anthropological literature over the last 40 years. It is quite clear to me that only traditional societies have proved to be in any way sustainable. Only such societies have been capable of satisfying real human needs. These include the need to live in a loving family, a cohesive community, and a rich natural environment, and to be imbued with the religio-cultural pattern that holds it all together. These ideas could not be less fashionable, but I believe them to be true, and it would take more than the venom of Krebbers, Hildyard, and Lohmann, to make me relinquish them. It is no coincidence that not one of my African, Indian, or Polynesian friends rejects a single word of my writings.

These writings also fit in perfectly with the ideas of Mahatma Gandhi (I worked for four or five months in 1974 with the Gandhi Peace Foundation in Delhi), while possibly the leading Gandhian figure in India today, Sunderlal Bahuguna, personally arranged for the publication of a shortened version of my book The Way: an Ecological World-View [1] to distribute among social activists in his country. If my views make me a fascist and a racist then you would have to apply these terms to the members of all traditional societies just about everywhere in the world - including New Guinea tribesmen and Amazonian Indians. [See Note A]

I suppose that by holding these views I could be described as a conservative - but a conservative with a small 'c' - which I take as applying to those who seek to protect society against the state and in particular against the totalitarian state that has always sought to destroy the family and community which it tends to regard as rival social structures. Today, it is above all, the big corporations that seek to destroy social forms and create an atomised mass society made up of egoistic and competitive individuals with no social or ecological obligations of any kind and whose interrelationships are of a strictly economic nature.

To be a conservative with a small 'c' does not mean that I am right wing in the normal sense of the term. Mrs Thatcher had no feeling for society. In fact she once denied that society actually existed over and above the individuals and families that it contained. Right wing governments such as those of Mr Reagan and Mrs Thatcher, Mr Bush and Mr Major, and in effect Mr Clinton and Mr Blair, are totally committed to defending the interests of big corporations - interests that are in many ways in total conflict with those of the citizens who elected them to power.

I hated Mr Major's government and actually set up a Commission that published a 64-page booklet entitled The Tory Record: an Assessment. It was a merciless indictment of its record over the previous eighteen years, showing how it had sided with big industry and against the electors on such issues as unemployment, health, child malnutrition, the privatisation of the nuclear industry, contaminated land, etc; 87,000 copies of this booklet were distributed by Green Party candidates in different constituencies.

It is of course true that right-wing parties do affect concern (sometimes sincerely and sometimes less so) for the destruction of the family and the community, and that of the natural world, but their economic policies can only further accelerate their destruction. For me only a local economy run by small companies, artisans and small farmers, can provide the economic infrastructure for a society made up of solid families and communities, while minimising its impact on the environment and Right Wing governments (including those of Mr Clinton and Mr Blair) are forcing us in the very opposite direction - towards ever greater economic globalisation.

But let us look at the precise accusations that are being levelled at me. The first is that I am a regular participant in the meetings of the French New Right. In fact - and for what it is worth - I have participated in exactly one meeting of the French New Right, that of le G.R.E.C.E. in November 1994. Before being invited to speak at that meeting I had never heard of le G.R.E.C.E., nor even of the New Right. I have also participated in one meeting of the Delta Stichting in Antwerp in 1997, a similar association. [See Note B]

I have been involved for thirty years in environmental, and, to a lesser extent, in social issues that are of relevance for determining a society's impact on its environment. I founded The Ecologist in 1969. I have written, edited, or co-edited 17 books and also written hundreds of articles, mainly on environmental issues, and am invited to speak at meetings of all sorts of groups in many different countries. A year or two before I spoke at le G.R.E.C.E. I toured Switzerland at the request of the Swiss Trotskyist party to denounce the activities of the IMF, which that country was about to join. I have also spoken at the World Bank and at the annual meeting of the World Economic Forum in Davos.

There is no point just talking to fellow environmentalists, as I used to do in the early days. It is essential, as far as I am concerned, that people - regardless of their political views - should understand the seriousness of the environmental problems we face today. As for the G.R.E.C.E. after I was invited to speak at their meeting, I was told that they were originally a neo-fascist, intellectual, and cultural association, but that they had seriously changed their tune in the last 15 years. Some people later insisted that this change was of a purely cosmetic nature and that the writings of their guru and main spokesman Alain de Benoist, which I found particularly interesting, did not reflect his real agenda.

At the time I was not in a position to decide whether this is so, nor am I better able to do so today. What is certain is that I do not find anything in his writings to suggest that he is a fascist. For one thing de Benoist has strongly criticised the National Front on many occasions, and their views on social issues - insofar as I can judge them - are by no means the same. In particular, de Benoist has strongly denounced Le Pen's attitude to immigrants in France. Nor is he a rabid nationalist for that matter. [2] He is in favour of European integration, to which I am very much opposed.

In any case, I have never had any contact whatsoever with any extreme Right political party, either in France or in England, let alone funded them, as it is apparently rumoured. The only political party I have been a member of is the British Green Party, whose formation was largely triggered off by the Blueprint for Survival (1972) [4] a book of which I was co-author. I stood for the first parliamentary election that (what is now) the Green Party ever contested in October 1974. I later stood as the Green Party candidate for the County Council Elections in Cornwall, and still later for the European elections representing Cornwall and Plymouth.

What is fascism?
Since I am accused of being a fascist, I think it is worth seeing exactly what fascism really means. The main features of the fascist state - if we take Hitler's Germany and Mussolini's Italy as the models - are: firstly that it is totalitarian. That is to say that it is run by a highly authoritarian and centralized government that brooks no opposition and whose policies are thereby subject to no democratic control.

However, in my book, The Way: an Ecological World-View, I point out that in a traditional society made up of cohesive family and community groupings, there is no place for the State (in the sense of a formal government and bureaucracy, let alone a totalitarian state). I quote the great anthropologist, Roy Rappaport, who describes it as "a special purpose association" [5] - concerned almost exclusively with its own short-term interests and almost invariably oblivious of the real needs of those it has been called upon to govern."

I also quote J.K.Galbraith, who states that "the State, in important matters, is an instrument of the industrial system", and the industrial system I also reject. As I have already noted, I see economic development and hence industrialization, as the cause of all the social and environmental problems of today. What I believe in is real democratic government, by which I mean participatory government at a communal level - the only level at which the individual can make himself or herself heard, the only level at which he or she can truly participate in public affairs, and the only level at which decisions can be taken by those who will be affected by them. [6]

The model, for me, at least in the Western world, is the Swiss Confederation as it once was. Power there effectively resided with the communes rather than with the Cantonal governments and still less with the Confederate Government in Berne. [7] If none of my readers (as I am sure is the case) can name a single Swiss politician - this clearly suggests that the Swiss central government even today has very little power. In any case, to suggest as Krebbers does that for over thirty years I have been "propagating the same totalitarian view of the world" [8] is a downright lie, and he knows it. My view of the world is the very opposite to the authoritarian or totalitarian view. [See Note C]

The second main feature of the fascist state is its militarism and its associated imperialism. Alan Cassel wrote in his book Fascist Italy [9] that "the fascist creed was the injunction 'believe, obey, fight'". The supreme fascist virtues were "Spartan"." The state into which the fascist proposed to integrate the Italian masses was a bleak one. "It demanded sacrifice and duty, and held out the distant hope of national conquest and honours of war. It was less suited to a civil community than to an army," while needless to say German fascism was even more militaristic.

I, on the other hand, utterly reject militarism, as I make clear in my book The Stable Society [10] and in The Case Against the Global Economy, which Jerry Mander and I co-edited, nor would I have worked for the Gandhi Peace Foundation for four months in 1974 if I were militaristically inclined.

The third basic feature of fascist ideology is corporatism. The corporative state was one of Mussolini's most cherished principles. Its object was to encourage industrial activity (not by the small farmers and artisans, as suggested by my critics, but by big powerful companies) and put it to the service of the state. Corporations (industrial associations) were set up for each major industry and included representation from both capital and labour. The government was seen as representing these corporations to the point that in 1938 the Chamber of Deputies was abolished and replaced by a "Chamber of Fasces and Corporations", which was elected or appointed by 22 corporations. [11]

Needless to say it is critical to the thesis of "The Case Against the Global Economy" [12] that democracy is impossible if the economy is run by large corporations that are powerful enough to control our governments as they do today. It follows that we must return to a local economy run by small companies that are more likely to take the interests of the society in which they operate at heart, and which, in any case, governments are better able to control.

The fourth feature of the fascist state, at least in the case of Nazi Germany, was its racism. (Mussolini was not a racist until he was forced to become one by Hitler in 1938). The importance of maintaining the purity of the Aryan blood was central to Hitler's vision. [13] It was this purity which enabled the Aryans to dominate the rest of the world. The Jews had to be exterminated because they wished to interbreed with the Aryans and were thereby a threat to the very survival of the "master race" - which is of course absurd as Jews seek marriage among themselves in order to preserve their identity as a people. Nolte, an authority on the Nazis, [14] regards genocide "as corresponding to the central intention of National Socialism".

To accuse me of espousing these ideas is simply farcical. To begin with I am a Jew myself. Many of my relations died in Hitler's gas chambers. I repeat that I am 100 percent against the totalitarian state, militarism, imperialism, corporatism, and racism, (that is if this latter term is defined as the persecution of racial, or indeed of cultural minorities). [See Note D] It will be noted that the fascist state did not in any way promote the things that I personally believe in, i.e. the protection of our natural environment, of local communities, local economies, small farmers, artisans and local cultural patterns that provide people with a blueprint for relating to their society and to the natural world, and of course local participatory democracy.

As I have already stated, I believe that most people still entertain these views. Among them, I am sure, are many people I would approve of, and some too I would disapprove of. For all I know, Jack the Ripper firmly believed in the local economy. So what? Would any of the idealistic young people who are fighting so desperately to prevent the annihilation of the world's remaining forests simply give up and take a job in a logging company because they had suddenly discovered that Count Dracula had fought just as passionately to save the forests of Transylvania? I doubt it very much.

Krebbers, Hildyard, etc., insist that my reason for attending the meeting of the G.R.E.C.E. in 1994 and that of the Delta Stichtung in 1997 was to help make these associations respectable in the eyes of the environmental movement. I am very flattered of course that they should think that by personally participating in the meeting of an association, whatever it might be, suffices to assure its complete acceptance by the environmental movement. I must have grossly underestimated my influence in environmental circles.

We must realize that we can only hope to win the critical battle we are fighting, by getting the public on our side, and not just part of the public, but as much of it as possible. It is only public pressure that can make governments change their policies, and what is more public pressure is the only force that we can conceivably control. As it happens, possibly half the population of a country like the UK or the US is made up of people who normally vote for Conservative or right wing governments. [See Note E] Just like Left Wing voters they must be converted to our cause - that is of course if we want to win this battle - i.e. if we want our children to have a life worth living on this planet.

This means that environmentalists and those fighting the global economy must not be frightened of making ad hoc alliances with groups with whom we may disagree on many important issues in order to prevent destructive initiatives like the Multilateral Agreement on Investments (MAI) for instance. Thus in Seattle there was a de facto alliance between environmentalists and Third World leaders, whose refusal to sign the final declaration actually brought the meeting to a close.

Yet their motivation was not to prevent the further destruction of the planet or to fight the escalating poverty in their respective countries. It was primarily to obtain greater access to the American markets many sectors of which are still relatively closed to their exports. However, to export more sugar cane, palm oil, bananas, tea, coffee, cut flowers, and livestock to the U.S. can only occur at the cost of cutting down still more forests and of diverting still more land and water that is badly required to feed their already underfed citizens in order to accommodate the interests of the corporations that run the export trade in Third World countries.

This is of course something that environmentalists cannot approve of, yet tactically this temporary alliance was of critical importance. One of the first great victories of the environmental movement could never have been scored without it.

On the other hand, if the object of an alliance is to co-operate in building up a new society, this would of course only be possible with people with whom we agreed on most, if not all, fundamental issues. What is certain is that there is a huge difference between these two types of alliances. The former are loose and temporary, whereas the latter are much closer and of course must be long-lasting if they are to achieve their goal.

Stability
However, Krebbers goes even further over the top when he attacks the substance of my book The Way: an Ecological World-View. [15] Thus he talks of "my fascistic longings for a stable society," but what on earth is fascistic about a stable society? To say that a living system is stable is to say that it can resist, or, if it fails to do so, recover from a disturbance. A healthy organism basically means a stable organism - as J. Ralph Audy puts it, "health is a continuing property, potentially measurable by the individual's ability to rally from insults, whether chemical, physical, infectious, psychological or social." Of course a healthy organism is also one that contributes to the stability of the larger systems of which it is part in order to prevent conditions from occurring, which it cannot resist or recover from.

The same is true for a society, an ecosystem and for the ecosphere or Gaia herself. A stable society is one in which discontinuities such as the incidence of aberrant social forms like drug addiction, alcoholism, crime, delinquency, massacres, revolutions and wars, etc., are reduced to a minimum. Most normal people would like to live in such a society. Of course, not so our friend Krebbers, for whom a stable society is "clearly opposed to left-wing revolutionary politics". [16] In other words, to please Krebbers we need to create an unstable society with all the misery this will give rise to, just in order to provide people with something to revolt against.

The stability of Gaia or the ecosphere is particularly critical. Global warming which is occurring today should really be referred to as 'global climatic destabilization', since the ecosphere is, as a result, becoming subject to increasing and ever more serious discontinuities such as sea level rises, ever worsening storms and floods, and also droughts and heat-waves. What is more this destabilization could well lead to the freezing up of certain areas such as Northern Europe, for as the ice shelves melt the salinity of the seas is reduced and ocean currents such as the gulf stream weaken and eventually cease to exist.

Among other things climatic destabilization will make agriculture extremely difficult to say the least. How we will be able to feed the world in increasingly unstable climatic conditions is by no means evident. [17] But of course, only fascists would even consider doing such an evil thing as applying constraints on corporations as well as on people in order to stabilize world climate!

Order
Krebbers, and indeed others of my critics, also object to my use of the term 'order'. However, in the context in which I use this term it has nothing to do with the sort of order maintained by a totalitarian government. That is not a real or natural order. Among other things it is terribly unstable. For me order is the opposite of chaos, and is closely related to stability. To maintain the stability of any natural system involves maintaining its basic structure or order.

This is clear in the case of a biological organism, as it is in the case of the ecosphere. As Jim Lovelock writes "the atmospheric concentration of gases such as oxygen and ammonia", and of course carbon dioxide "is found to be kept at an optimum value from which even small departures could have disastrous consequences for life," [18] - as indeed is now proving to be the case. For if climatic change is occurring it is that our industrial activities are systematically and ever more drastically transforming the chemical composition of the atmosphere, disrupting its critical order and hence destabilizing it.

For me, it is equally important to maintain what I take to be the critical order of human society. It is no coincidence that every traditional society known - everywhere in the world - was organized into families and communities. [19] It is only at these levels of organization that most important functions, like the bringing up of children, the care of the old and the sick, the production, preparation and the equitable distribution of food and other resources can best be achieved. [20] It is also only at these levels, that real participatory democracy is even conceivable.

In addition it provides people with their most basic form of security. If the poor of the Third World can survive at all in increasingly difficult conditions it is because of the extraordinary solidarity displayed by family members towards each other. Among the pavement dwellers in the slums of Calcutta, if one brother manages to get a job he will feed not only his own immediate family but also that of his unemployed brothers. As secure, long-term jobs become ever less available within the context of the global economy and as the welfare state is slowly dismantled in order to reduce costs to industry, so will people, in a society in which the family and the community have disintegrated, be deprived of any form of security. How they will survive is not at all evident.

But of course, for Krebbers, Hildyard, Lohmann and other members of the extremist fundamentalist cult of political correctness, the family is unacceptable for it is "patriarchal" [See Note F] - as is the community, which is seen as "exclusive". So it is presumably better to allow children to fend for themselves, rather than be looked after by their evil patriarchal families and for all the other important family and community functions to be assumed by bureaucrats, who, in the words of John McKnight, only "wear the mask of care" - but who presumably Krebbers and his friends regard as incomparably better capable of doing so.

The Unit of Evolution
Krebbers and his friends are also keen to show that I have no interest whatsoever in individual people but only in the evil social groupings of which they are part. In their effort to do this, they quote me as asking "what is so special about the individual organism"? By itself this may seem to confirm their thesis, but let us look at the context in which this question is put. [21] In a chapter on evolution in my book The Way I state that "the fundamental flaw in the neo-Darwinian thesis is that the individual organism is taken to be the basic unit of evolution." But then, I ask, "what is so special about the individual organism? Is there such a fundamental difference between its adaptive strategies and those of other natural systems that it can be viewed as totally distinct from them? The answer is unquestionably no."

I then try to show that if evolution were the product of natural selection then this process would have had to occur not only at the level of the organism but also at that of its constituent molecules, organs and tissues and also that of the family, the community, the society, the ecosystem, and Gaia herself. This is strongly denied by neo-Darwinists and sociobiologists today. They maintain that all these natural systems evolved simply by virtue of being composed of individuals who alone are capable of evolution by natural selection.

Clearly the passage quoted by Krebbers is not in any way designed to reflect my views, or anyone else's views, on the relationship of the individual citizen to the larger society of which he or she is part, as Krebbers clearly must have known from the very start. It is only about the level or levels at which the evolutionary process is directly operative. This is typical of the way Krebbers and his colleagues have extracted passages from my writings in order to make it appear that I am saying things that often could not be further from my mind.

The Hierarchical Ecosphere
Krebbers also singles out for attack the constant reference in my book to the hierarchical organization of the ecosphere. Hierarchy, like stability and order is clearly a bad word in Krebbers' vocabulary. [22] He seems to react to these words very much as Pavlov's dogs were seen as doing. [23] The fact is that the natural systems that make up the ecosphere are organized hierarchically. The ecosphere is made up of ecosystems in turn made up of populations, societies, and, among some forms of life, communities and families, and of course biological organisms, which in turn are made up of organs and tissues, cells, molecules, atoms etc.

If Krebbers doesn't like it, too bad. To deny it is as idiotic as to deny that the earth is round. [24]. Eugene Odum, the most prestigious ecologist in American Academia today, who is the author of what were the standard textbooks on ecology in the USA for many decades ("Fundamentals of Ecology" and "Basic Ecology"), devotes considerable space to the hierarchical nature of the living world. He ends up by telling us that his subject - ecology - is concerned with "the upper end of the spectrum, covering populations and ecosystems".[25]

This natural hierarchy, by the way, is not in any way tyrannical - as can be that of the State and corporations, which are extraneous to the hierarchy of the natural world. As I point out in The Way living things at all levels of organisation do not behave in a purely egoistic way (as we are told by our economists and theoretical biologists, who are nearly all of the Neo Darwinian and sociobiological faiths) except in a totally disintegrated society such as that in which we live in today. They seek, on the contrary, to maintain the order and stability of all the larger systems of which they are part.

This could not be more logical, for as Eugene Odum notes, "the individual organism.cannot survive for long without its population any more than the organ would be able to survive for long as a self-perpetuating unit without its organism". [26] The stable family requires to be part of a community whose stability in turn can only be assured in a stable society, while social groupings at all levels of organization can in turn only be stable if they are part of a stable ecosystem, which in turn needs to be part of a stable ecosphere. To destroy ecospheric or Gaian stability, for instance by destabilizing global climate, means that each of these natural systems will be correspondingly affected. Destabilize Gaia's climate sufficiently and its constituent natural systems will simply disintegrate and die off.

This goes some way towards explaining why the priority of traditional societies has always been to maintain the order of the cosmos (the world of the gods, which was seen as encompassing society and the natural world). It explains too why all these entities were seen as subjected to the same sacred laws of the ecosphere - or Gaian laws - a view which Krebbers, Hildyard, Lohmann, and also surprisingly Wolfgang Sachs, regard as thoroughly evil. [27] They may hate the messenger, but the message could not be better documented.

What is more, if traditional peoples believed that society and the natural world were governed by the same set of laws, and that these laws were sacred, there is another very good reason for it. It is only in such conditions that population control and resource management have ever been possible and hence societies have ever proved sustainable (another word for stable). [28]

In the aberrant modern society, in which we live, we can actually destroy our planet and make our species extinct without violating a single law. In the context of the global economy run by transnational corporations via the World Trade Organization, the situation is now even more preposterous. Not only are there no effective laws to protect the environment, but new laws are being introduced which actually make it illegal to do so. The most outrageous is Article 23.3 of the WTO's General Agreement on Trade in Services (GATS), which I shall describe further on in this document.

It goes without saying that if we had remained imbued with a traditional cosmic and hence ecological religio-culture we would not be in the terrible situation in which we find ourselves today. Everybody would still feel the obligation to co-operate with his or her fellows and with the community itself. In such conditions there would be little need for government, or for any sort of bureaucracy, and conditions would be incomparably less favourable for the TNCs.

On the other hand, as society disintegrates - i.e. becomes atomized - its citizens are taught, like today, that they have no obligations to anyone except themselves. This, in itself, creates a correspondingly greater need for government, and eventually tyrannical government at that. Hence, by promoting individualism and egoism, as we are doing ever more frenziedly, rather than by accentuating people's obligations to their society and to the natural world, we promote tyranny and totalitarianism - both political and economic.

Krebbers, in his efforts to prove that I am a fascist and neo Nazi, insists that I state in The Way that "I want to eliminate social deviants" [28] - presumably, in my own private gas chambers.

As it happens, the methods that I propose in my writings for maintaining social order and preventing deviancy and crime- and, as it happens too, the only ones that have really proved effective, are the very opposite of those used by totalitarian or authoritarian regimes. For me, it is only via public opinion, reflecting traditional values and exerted at a local level, rather than via a brutal police force, as is the case in a totalitarian regime, that order can be maintained. In an article I wrote in 1971 in The Ecologist I quote the famous anthropologist Ralph Linton on this subject. He writes,

"Eskimos say that if a man is a thief no one will do anything about it, but the people will laugh when his name is mentioned. This does not sound like a severe penalty, but it suffices to make theft almost unknown. Ridicule will bring almost any individual to terms while the most stubborn rebel will bow before ostracism or the threat of expulsion from his group." [29]

Ostracism is indeed the ultimate penalty, the most feared one, as the members of a traditional and in particular of a tribal society cannot imagine life outside their family and community. By the way, this punishment is very rarely applied. In any case, to ostracise someone is not the same as to "eliminate" him or her, with all the distinctly unpleasant connotations clearly intimated by Krebbers.

Of course, once society has disintegrated and we no longer have real communities or any effective public opinion, then this strategy becomes inoperative and so far, we have not developed an effective alternative. As I point out "the state may hire more police officers, spend billions on an ever more elaborate judicial system, and build more prisons, but all this has little effect." [30] In the US there are now two million people in prison, and the overall crime rate is only marginally affected.

Emotional attachment to the natural world
My belief, clearly expressed in The Way, that we need to be emotionally linked to the natural world, is for Krebbers (and also for Lohmann of the "Corner House") further proof of my neo-Nazi sympathies. Krebbers quotes a passage from my book The Way: an Ecological World-View in which I try to show that our sense of aesthetics is an

"important means of apprehending and of understanding our relationship to the world around us, as it is of attaching us emotionally to that which is important to us and to the cosmic hierarchy of which we are part."

I note too that

"it is above all the natural world, in which our aesthetic sense - like all our other faculties - have evolved, that we find beautiful as we do the human artefacts that mimic it."

I then point out, and this is the passage that has attracted Krebbers' ire, that "a Gothic cathedral, is beautiful; for its vault is that of the forest; its pillars the forest trees. On the other hand we abhor what is foreign to nature: unnatural colours, the straight lines of modern buildings, the uniformity of a conifer plantation, that contrast only too sharply with the mosaic of different greens of a natural forest." [31]

Krebbers must have a very twisted mind. With his usual venom he states that

"Goldsmith's fast-growing cohort of extreme right-wing supporters, however, need only a nod and a wink. They know exactly what Goldsmith is getting at. For example, they certainly long to return straight away to the nazi kulturkammer of the Second World War when they read this passage." [32]

Does Krebbers suggest that everybody who is moved by the beauty of the natural world is a Nazi? Were our great poets like Blake and Wordsworth, who derived their inspiration from the natural world, Nazis? Were great painters like Turner and Constable Nazis? All this is so preposterous that it makes me wonder why I am actually spending so much time in dealing with this paranoiac drivel.

I could of course, draw up a whole catalogue of such dishonest devices made use of by Krebbers and his friends to discredit my writings, but let us move now to more practical issues.

As we have seen, Fabel van de Illegaal and others like them reject the family, which is "patriarchal", and the community, which is "exclusive". They also reject culture, which Hildyard considers to be a "new form of racism", and even the mildest form of patriotism, which for them is "nationalistic". They reject too the local economy, which they see as but another form of capitalism. They also viciously attack those who are fighting "the vague fashionable term globalization" [33] (which they often refer to mockingly as "the supposed globalization") for it "is part of the Right Wing ideology." [34] Above all it involves "discriminating against foreign capital" [35] as opposed to national capital and this - unbelievable as it may seem - they see as racist.

The International Forum on Globalisation and Public Citizen
Not surprisingly, they bitterly attack the International Forum on Globalization (IFG), (of which I have the privilege of being a director), as well as Public Citizen. The former, they tell us is "dominated by the extreme Right" [36] and just about all its active members are targeted.

# Maud Barlow, head of the Council of Canadians, (who with Tony Clarke, has led the battle against corporate control in Canada), is a nationalist and a racist because she complains that Canadian education is being taken over by American corporations, and opposes "cultural homogenisation" [37]
# Vandana Shiva, one of the most tireless and brilliant activists today in the battle against genetically modified foods, patents on life and the destruction of traditional agriculture, is also a racist because she has had some contact with members of the nationalist Hindu government in India - whose policies, by the way, are difficult to distinguish from those of the previous government.
# David Korten's "imagery comes close to that of fascism". He has also dared state that his particular approach is "the only one that would be able to get the Republicans out on the street and mix with more progressive activists." Krebbers forgets that nearly half of the US electorate votes Republican. Are they all to be outlawed too? Korten further states [38] that the world is overpopulated - which of course it is, and grossly overpopulated too - and wants to reduce the world population from six to one billion people. "How this is to be done" Krebbers comments with his usual unpleasantness "he has wisely not revealed" [39], intimating that Korten is secretly planning the mass sterilization, or perhaps even the extermination of the world's surplus inhabitants.
# Lori Wallach, who led the alliance, that included environmental groups, church groups, and the AFLCIO, that killed Clinton's proposed fast track to negotiate further free trade agreements with South America, and that spearheaded the successful battle against the Multilateral Agreement on Investments (MAI), is also under vicious attack because she included Republican Senators in her alliance, and accepted funding from Mr Milleken, the textile magnate, who has previously given money to the Heritage Foundation, and other right wing groups.[40] This is apparently untrue, but even if it were, would it not be a good thing that Milleken should be putting his money to good use? Is there any reason to believe that Public Citizen's policies would have been adversely affected by accepting this money? Would it have been more ethical for Lori to have obtained the funding she needed from the World Bank, Monsanto, or even the Clinton administration?
Susan George too is under attack (even though she is the President of the most highly respected Left Wing think tank in Europe) [41] because she correctly stated that without including the Right Wing Republicans in her alliance Lori Wallach's initiative would not have been so successful.
As for Mike Dolan of Public Citizen, he is, among other things, "a chauvinistic American" [42] so much so that this evil man actually wants people in America to eat mainly local produce. Krebbers and his friends forget that by encouraging a country to import cheap goods from abroad they are spelling the demise of all its small producers - and it is of course much worse in a poor country where the small producers make up the bulk of the population. Nor would the poor in the countries from which the food imported by the USA is derived benefit. In most Third World countries between 50 and 80 percent of the good agricultural land is already used for export crops, which means that there remains little land for producing food for local people, who are thereby condemned to malnutrition and in many cases famine.
Krebbers and his friends also attack Ralph Nader, the most selfless and totally committed man I have ever known and one of the few figures in the USA who is respected by almost everybody, including his opponents. His sin is to be the President of Public Citizen, whose trade department is run by Lori Wallach. Also "he has remained silent on abortion, homosexuality and migration." [43] So has Fabel van de Illegaal remained silent on deforestation, nuclear power, genetically modified crops, ozone depletion, and global warming, the last of which is by far and away the most serious problem we face today to the point of dwarfing all others.
Nor is Jerry Mander spared by Fabel van de Illegaal. He is guilty of "technophobia", a serious crime because "technology has made our lives very much more comfortable" [44] , which coincidentally or not is also what the most polluting industries say when attacking the environmentalists who oppose the use of the technologies around which these industries have developed.
Trade unions are also targeted by Fabel van de illegal, in particular the US Transport and Steel Workers Union, because they are only concerned with the interests of American working people rather than with the battle against capitalism and patriarchy. Even the moderate AFLCIO is lambasted by Krebbers, for whom it is hopelessly right-wing because it also joined the alliance against Clinton's fast track and the MAI organized by Lori Wallach.
Fabel van de Illegaal even goes so far as to lambast José Bové, the incredibly courageous French peasant leader who is one of today's most effective activists against corporate control, "for adopting free trade as a primary target," which, they tell us, of course, is "based on a new Right analysis". [45]
Even the French Socialist Prime Minister, Lionel Jospin, does not escape Fabel van de Illegal's vitriol, because his refusal to sign the OECD's proposed Multilateral Agreement on Investment (MAI) which effectively killed this totally disgraceful proposal, was only motivated by "French nationalism." [46], which, of course, is precisely how it was interpreted by the WTO and the corporations that control it.
Who then is not a "racist", "nationalist", "fascist", or "proponent of patriarchy"? Presumably only the self-righteous, holier-than-thou members of this absurd and utterly pernicious cult of political correctness, and of course, the unjustly maligned giant transnational corporations, the World Bank, the IMF and the WTO, that alone seem to have escaped the venom of Fabel van de Illegaal.

It is indeed, extremely difficult to understand the motivations of these people. What are they really trying to achieve? They tell us that their raison d'être is to fight racism. But is it really by attacking me and now my colleagues, the members of the IFG, in so vicious and dishonest a manner that they can best achieve this goal? Would they not be best spending their time and money by researching what are the specific social conditions which led to the rise of the Nazis in Germany and the fascists in Italy in order to prevent a recurrence of these conditions and hence a resurgence of the extreme Right?

If they were to do so, of course, they would discover that in Germany one of the important factors involved was the terrible poverty in the late 1920s and early 1930s which was partly caused by the first World War, also by the reparations imposed by the victorious allies, and even more so by the crash of 1929, and the hyper-inflation that followed. This would lead Fabel van de Illegaal, if they were honest, to reconsider their attitude to "the supposed globalisation", for the highly competitive and automated global economy as is convincingly argued by Jeremy Rifkin (another member of the IFG) in his book The End of Work [47], can only give rise to unprecedented levels of unemployment in the industrial world. Already about 20 million people in Western Europe are said to be unemployed, and many of them are now in dire financial straits, especially with the dismantling of the welfare state so as to reduce costs to industry in the highly competitive conditions to which the global economy gives rise.

But this is nothing compared with the unemployment and poverty that it will create in Third World countries. The WTO that spearheads "the supposed globalization" insists on opening up Third World agriculture to Western TNCs, also of opening up their markets to highly subsidized imported goods, including food, which must have catastrophic effects. In India for instance there may be five hundred million small farmers, who often farm no more than a few acres. There is no way in which they can survive if the WTO has its way, and if they go so will the small businessmen, shopkeepers, artisans, service castes and street vendors who totally depend on the farming community for their livelihood.

What we will be seeing is a shift of hundreds of millions of people to the cities. India could then be faced with cities of 30, 40, 50 or even 100 million people, the vast majority of whom would be living in indescribably sordid slums, where there would be unemployment, misery, and destitution on an unimaginable scale. Under such conditions the victims would almost certainly look for scapegoats and it is as likely as not that they would pick an ethnic group they see as different from themselves as they did in Germany in the early 1930s. Already increasing poverty in India has led to growing strife between the Hindus and the Moslems and this strife cannot but increase when poverty and unemployment, already desperate, worsen still further.

It is not only in the nearest conurbations that victims of this appalling tragedy will seek refuge. Vast numbers of them will also be forced to migrate to strange, distant, and not necessarily welcoming lands. The still affluent West, where the amenities to assure their welfare are already under stress, will be increasingly overwhelmed. Unfortunately, as this occurs, so will they be ever less welcome and their future welfare, in spite of the brave efforts of such organizations as Fabel van de Illegaal, will become ever more problematic. Surely it must be the priority of Fabel van de Illegaal, to prevent such intolerable conditions from occurring.

What I have said is evident to all thinking people with any knowledge of the situation in such countries as India, and of course China, and it makes it even more difficult to understand why Fabel van der Illegaal are spending so much time and money attacking and seeking to discredit precisely those groups, such as the IFG and Public Citizen, that are taking the lead in seeking to prevent precisely those conditions from occurring that would be most likely to contribute to real racism and ethnic conflict. This being so, one cannot avoid questioning what are these people's true motives and where they get their money from to fund all their research, and their endless polemical publications?

In seeking to answer this question one cannot avoid noting that Krebbers and his friends, either by coincidence or by design, are promoting precisely those conditions that most favour the immediate interests of the transnational corporations. Let us not forget that the WTO has been set up for one purpose only, which is to remove all possible constraints on the activities of the TNCs so that they can become literally free to do whatever they want, i.e. what is most profitable to them regardless of its human, social, ecological, and moral implications.

To fulfil its appointed task, the WTO has imposed on us a veritable cobweb of overlapping regulations designed in effect to outlaw any government measures that interfere with the immediate interests of corporations. Any measure designed to protect the poor, the unemployed, the sick, the old, local communities, local economies or the natural world from corporate depredations are bound to violate one, if not many, WTO regulations such as those falling under the heading of "National Treatment", "Technical Barriers to trade (TBT)", "Sanitary and Phyto-sanitary Standards (STS)", [48] "Trade-Related Investment Measures (TRIMS)" or the "General Agreement on Trade in Services (GATS)".

However, even if such a measure does not violate a WTO regulation, on the basis of Article 23.3 of the GATS, the government can be sued by a corporation for a sum equal to the profits it feels it would have made if the measure had not been passed. It can be argued that this would not be so if there were scientific evidence that the measure was necessary to protect the environment or human health. However, whether such evidence exists or not would be entirely decided by scientists controlled by the WTO, and their decision could be predicted in advance.

What it means in effect is that it becomes illegal worldwide for any government to pass any measure that would reduce the profits of corporations. It means that corporate profits have precedence over any human, social, ecological, or moral consideration. Do Krebbers and his friends go along with this? By opposing the battle against "the supposed globalization" it would seem that they do.

In addition, by trying to discredit the IFG's goal of moving our society in the opposite direction, i.e. towards the development of a locally-based economy, the Fabel van de Illegaal would be doing the TNCs an equally great service for they do not merely seek to expand horizontally by taking over distant markets that were previously closed to them - like those of India and China - but also to expand vertically by killing off small companies at home and taking over their markets.

Thus the USDA recently proposed a new law which would make it possible to classify as "organic" food that has been genetically modified, nuclear irradiated, and that contained high levels of pesticides. In addition, it would have become illegal for any NGO to set stricter standards than did the USDA. It is obviously quite outrageous that the US Department of Agriculture should have even proposed a law of this sort.

Clearly the USDA had been lobbied by the agrochemical industry, which could not bear the thought that the four billion dollar market for organic foods which was increasing at the rate of 20 percent per annum, could remain out of their reach. They had to take it over, and how better than to get Dan Glickman, the head of the USDA, to do the job for them? Fortunately over 250,000 people wrote furious letters to Glickman, who was forced to change his mind, though it appears that he still plans to satisfy the requirements of his sponsors - this time by more subtle means.

Consider another example. The Commission of the European Union, which is known to be controlled by the European Round Table comprised of the CEOs of the largest corporations based in Europe (as has been amply documented in The Ecologist) [49] has issued a new directive which imposes extremely costly and largely useless installations on all open-air markets on the totally dishonest pretext that they are not hygienic. It is quite clear that the Commission knew well in advance that few local councils could possibly meet the enormous costs involved, and hence that these markets would have to close down. In this way their businesses could be taken over by huge supermarket chains, with which the commission is unquestionably in collusion.

It is to be noted that the same totally dishonestly expedient has already been used to close down all sorts of small enterprises such as local butchers, abattoirs, cheese makers, bee keepers, organic chicken producers etc. Even school kitchens (or rather "food technology units" as they are now referred to) are now being closed down on the same pretext, so that their business can be taken over by new fast-growing catering companies, that will feed out children with low grade devitalised industrially-produced food. In opposing our efforts to defend the local economy it is these shameful policies that Fabel van de Illegaal seek to promote and it is the transnational corporations whose sordid interests they are slavishly serving.

Krebbers and his friends are also doing the multinationals a tremendous favour (as does Nicholas Hildyard and his friends of The Corner House) on another count. They qualify as racist the deep desire by normal people everywhere to preserve their cultural pattern; that which distinguishes them from other social groups and provides them with an identity. This very human desire is a grave impediment to the expansion plans of corporations in the film, television and media industries as well as the food and drink industries. The TNCs want to impose a single culture on the world so that they can make sure that everyone, everywhere in the world uses mobile phones, watches violent and sadistic American films on television, drinks Coca Cola, eats MacDonald's hamburgers, and otherwise helps to maximize the market for the products of Western multinationals.

Worse still, by attacking the institution of the family on the grounds that it is patriarchal they are further contributing to the achievement of this same end. Economic development has always involved, above all, the usurpation by corporations and the State of functions that were previously fulfilled by the family and the community for free - and that are then monetized, commodified and in the former case sold via the market. Corporations are still viewing with greedy eyes functions that are still fulfilled for free by families and communities in the Third World.

The Chairman of Campbell Soup pointed out not long ago how important it was to open up the Mexican market, which would occur with the passing of the NAFTA treaty. "Consider", he is supposed to have said, "that in Mexico there are still 38 million families that make their own soup!" [50] Of course, it would not take long, as I am sure is proving to be the case, for these families to disintegrate under the terrible pressures of economic development in such a way that their members, now disembedded from their families and separated from each other, would be forced to buy industrialised, ready-made and packaged Campbell's soup.

Also by attacking the institution of the community, as Krebbers and his friends do, they are also playing the game of the TNCs by helping to justify the takeover or "privatisation" of all those functions previously fulfilled for free by this other key social system, such as the maintenance of social order, the performance of religious rites and participatory democratic government - further contributing to the poverty and misery that this gives rise to.

Furthermore, by likening the view of the natural world as something sacred that we must preserve at all costs to the Nazi cult of "blood and soil", they are playing still further into the hands of the transnational corporations by discrediting an increasingly important section of the environmental movement - and let us not forget that it is environmentalists who provide one of the most effective oppositions to the TNCs' agenda.

In addition, to deride and vilify the idea that the natural world is governed by laws which cannot be violated with impunity, is to go along with reductionist scientists who have demoted such laws to the inferior status of "statistical regularities" and have thereby liberated humanity so that it is free to create its own laws and to determine the course of its own evolution and hence of its own destiny. This is exactly the message required to rationalize our modern individualistic and competitive society - the global free-for-all that is leading to the rapid destruction of our planet to satisfy short-term economic and political interests.

It may well be that my suspicions are unjustified. In any case, I suggest that Fabel van de Illegaal spend a little time in trying to understand what are the true causes of our planet's worsening problems. I also suggest that if their hearts are so full of pent-up hate, that they vent it on the governments, the international agencies, and the TNCs that between them are making this planet ever less habitable, not on those, who, whatever their failings, are desperately seeking to assure its continued habitability in the face of ever increasing odds.

Additional Notes
Note A
Fabel van de Illegaal do seem to consider tribal societies as thoroughly evil. Helena Norberg Hodge, for instance, in her book Ancient Futures sings the praises of Ladakh society, which she has studied carefully over the last 28 years. "The story of Ladakh serves as a source of inspiration for our own future", she tells us. "It shows that another way is possible and points to some of the first steps to kinder, gentler, patterns of living". This fits in very well with my son's experience of Ladakh, where he worked on a farm in a distant Ladakh village for three months last year. He could not have been more impressed by the happiness, kindness, and hospitality of these people, the remarkable solidarity they display within their community, the incredibly ingenious way in which the cultural pattern they have developed through the ages enables them to live and indeed thrive in a particularly hostile environment.

Helena also notes that the Ladakhis are bonded to their place with intimate daily contact, through a knowledge about their immediate environment, with its changing seasons, needs, and limitations." However, "bonded to their place" in the eyes of Westerlink means that the Ladakhis are chauvinists and racists. Still worse because Helena intimates that they live close to nature, and indeed see themselves as part of it, means for Westerlink that she adheres to the Nazi "blood and soil" thesis.

For him Ladakhi society, about which he obviously understands nothing whatsoever, is "characterised by its outspoken feudal, patriarchal, and religious power relations". For Westerlink and other members of Fabel van de Illegaal this is another way of saying that Ladakh society is thoroughly evil, and undoubtedly he would view all other traditional societies in exactly the same light, i.e. in terms of the aberrant values entertained by the alienated youth of the atomised mass society in which he lives. What he may not realise is that such values serve above all to justify the suicidal course on which our society is set and which will probably make this planet largely uninhabitable within the next century.

Note B
Krebbers accuses me of quoting Konrad Lorenz in my book The Way: an Ecological World-View. Lorenz was apparently sympathetic to the Nazi movement. That could be, but I have to admit that I do not carry out a Gestapo-type investigation into the political acceptability of the people I quote in my writings. In any case, it would have probably taken me more time to carry out such an investigation than to write my book, as in it I refer to at least 480 different authors.

What is more, part of this book is about animal behaviour or ethology, as it is also called. Lorenz's work in this field is outstanding. It is criticized by Krebbers today because Lorenz rightly saw at least some degree of aggressivity as a normal feature of the behaviour pattern of the males of many species. On the other hand, he devoted a lot of space to showing how, in normal conditions, this aggressivity is highly ritualised, leading to few casualties - which was also true of warfare among primal societies, (see my article "The Ecology of War" published in my book The Great U-Turn). Lorenz is one of the most important figures in his field, and I challenge Krebbers, or any of my critics, to find a serious book on ethology that does not quote him. I have before me a small paperback that I extracted from a bookshelf. It is called Ethology: an Introduction by Robert A. Hinde, and it quotes Lorenz no fewer than 17 times.

I am also attacked for having included in my book The Way a quote from the writings of Alexis Carrel. "Science has destroyed the soul of the world" he once said - a valuable quote that I feel has its place in my book, which provides, among other things, a critique of modern science which has played so big a role in assuring and also in rationalizing and hence legitimising the destruction of the natural world. As it happens, I never read any of Alexis Carrel's writings until last month, when I bought a copy of his book Man the Unknown.

However, Pierre Taguief, the recognized authority on the French Right - whose book I recently read, sees the present critical view of Carrel as largely unjustified and refers to "the new obscurantist interests that seeks to nazify Carrel" on the grounds that like Hitler he believed in eugenics. According to Taguief, Carrel defends euthanasia largely, if not uniquely when applied to major criminals if they continue to practice the same crime after being released from prison. Apparently Carrel suggests that such criminals should be gassed. One may or may not approve of this, as Taguief himself admits, but the death sentence by gassing is still applied in a number of states in the USA and though few environmentalists would approve of this practice, few accuse the state legislators and judiciaries involved of being Nazis.

I have only answered a few of the endless accusations levelled against me by Krebbers, Westerink and other members of Fabel van de Illegaal. It is truly astonishing the energy and time they have devoted to scouring my writings for the slightest word, phrase or sentence that could, by the wildest stretch of the imagination, serve to justify their contention that I am a racist, fascist, and neo Nazi.

Note C - Totalitarianism and Mass Society
The American sociologist Robert Nisbet noted that "far from being as is sometimes absurdly argued, the linear product of 19th century conservatism, totalitarianism is in fact the very opposite to it." The power base is the masses. Before totalitarian government is possible, the masses must first have been brought into being. It was Aristotle's thesis in his "Politics" that the great tyrants of antiquity such as Dionysius of Syracuse and Pisistratus of Athens could only have emerged in a vast anonymous mass society.

Kornhauser noted in his celebrated book "The Politics of Mass Society" that in such a society "the lack of autonomous relations generates widespread social alienation" which "heightens the responsiveness to the appeal of mass movements" because it provides the opportunity to express resentment against the mainstream society from which they feel alienated, also because these movements promise people "a totally different world", in particular a substitute for the community of which they have been deprived. In short, as Kornhauser writes, "People who are atomised, regularly become mobilised" and since "totalitarianism is a state of total mobilisation, mass society is highly vulnerable to totalitarian movements and regimes."

Throughout the course of history, totalitarian government, once in power, have sought - sometimes desperately - to destroy the family and the community and other intermediary social groupings. The reason is well stated by Jean Bethke Elshian: "totalitarianism strives to govern all of life; to allow for only one public identity; to destroy private life; and most of all, to require that individuals never allow their commitments to specific others (family, friends, comrades) to weaken their commitment to the state." [Jean Bethke Elshian "The Family and Civil Life", in David Blankenhorn et al, Rebuilding the Nest Family Service America, Milwaukee, 1990.]

It is no coincidence that those political thinkers who have promoted the all-powerful state as an ideal have been enemies of the family and community and the other basic institutions of a real society, and were thereby the proponents of the atomised mass society. Jean Jacques Rousseau, whose writings inspired the French Revolution, which gave rise to the totalitarian regime of the Jacobins under Robespierre - which in turn gave rise to the ultra-militaristic regime of Napoleon Bonaparte, said that society must be stifled and that the state must be set up to do so.

"Each citizen would then be completely independent of all his fellow men, and absolutely dependent upon the state, for it is only by the forces of the state that the liberty of its members can be secured."

Marx also believed in the atomised society. He regarded with hostility "the traditional affiliations of family, community, association and religion". It is worth noting that this has not been a feature of all socialist thinking. Indeed, it earned Marx the hostility, indeed the hatred, of earlier non-state socialists like Bakunin and of the anarchists such as Proudhon and Kropotkin.

Hegel, who very much influenced the Nazis, saw things in very much the same way as Rousseau and Marx. For him the opinion of mere citizens was not even worth taking into account. Only the state could decide what was good for them. He went so far as to deify the state. "Its existence", he stated "marks the arrival of God in the world".

Note D - The definition of racism
The term racism is now used by politically correct fundamentalists like Krebbers, Hildyard, and Lohmann, in a totally new way. It suffices to suggest that Hottentots are physically different from Eskimos to be accused of "differential racism". Even that is not enough, to suggest that groups differ from each other culturally is now regarded by Hildyard and others as a new form of racism, which they seem to regard as just as evil as racism in the traditional sense of the term.

One problem with this definition is that it makes nonsense of the very principle of cultural diversity, which only exists because different social groups see themselves as different from their neighbours. It is because of this cultural diversity that social groups have been capable of adapting to so many different and often hostile environmental conditions. Think of the ingenuity with which Eskimos have learnt to live in the Arctic wastes and the Bedouin in their desert wildernesses.

It also makes nonsense of the important democratic principle of self-determination - the right of people who share a common identity to govern themselves. It makes nonsense too of the very notion of empire. The British Empire was an empire precisely because the British governed vast numbers of very different people, who were racially and culturally very different.

If they were all the same, then of course the British Empire would not have been an empire at all. It would have been indistinguishable from countries such as Denmark and Sweden, except that it was bigger and that an army was required to put down regular revolts by its citizens who, for some inexplicable reason, did not want to be run by the government at Westminster. Are Krebbers, Hildyard and Lohman partisans of empire? It looks that way. It goes without saying, of course, that to define racism in this manner serves above all to trivialize real racism.

Note E
In any case the division between the left and the right is indeed outdated. Today there is no effective difference in the policies adopted by right-wing and left-wing governments. In any case, for responsible people, the true enemy is totalitarianism, i.e. government by an all-powerful state that rejects any form of social control. The totalitarian state, moreover, is just as often left-wing as right-wing.

Stalin's regime in the USSR, for instance, was one of the worst examples of a left-wing totalitarian state. It did not differ substantially from the fascist state in that it was militaristic in the extreme. It was also corporatist in that much of the power resided with the leaders of heavy industries. It was incredibly brutal as in order to replace the peasantry with an industrial proletariat better suited for the sort of industrial state he wanted to create, he disposed of some 30 million peasants by the simple expedient of exterminating them - one of the greatest crimes in history. Stalin was also highly racist in that he classified certain ethnic groups as enemies of the communist regime. These included the Volga Bulgars, the Crimean Tatars, and the Chechens. These and similar nations were expelled from their traditional lands to distant and inhospitable areas where large numbers of their people died.

Other regimes in communist Eastern Europe were scarcely better - nor was the Marxist regime of Mengistu in Ethiopia. In other words, it is not right-wing totalitarian regimes any more than left-wing ones that we must oppose - and oppose strenuously - but totalitarian regimes in general. This basically means recreating societies that are capable of running themselves. That is what real democracy is all about.

It is worth noting that one of the best-known authorities on the French Right, René Remond, regards fascism and conservatism as mutually incompatible. Fascism, for Remond, rather than being a movement of the Right was a movement of the Left, descended from the Jacobinism of the French Revolution of 1798. To Remond it was the revolutionary, violent and authoritarian aspects of fascism that mattered.

Another authority on the French Right was Eugene Weber. For him, Larocque, the leader of the Croix de Feu, that was often referred to as a fascist movement, was too conservative to be a fascist. He was "a respectable, law-abiding man", and "a soldier respectful of the Republican institutions and the law".

Another critic, Ernst Nolte, considered that Mussolini's early followers were quite left wing in their goals. Yet another student of the French Right, Sternhell, an Israeli, also accentuated the left-wing sources of the French extreme Right. Admittedly this was not the view of other authorities on this subject, such as William Irvine, Sam Goodfellow, and Robert Soucy.

Note F
It may be that in the traditional world the family tended to be patriarchal in the sense that the father was the head of the family and also the priest of the cult of the family ancestors. This did not mean that he was a sort of tin-pot dictator, though in some societies he may indeed have been. One must remember that perhaps half of all the tribal societies studied by anthropologists were matrilineal, which means that inheritance is via the mother. In such societies, of course, the mother has a lot of influence.

Many traditional societies are also matrilocal, which means that when a young man gets married he lives in his wife's community rather than his own, and thereby among his wife's family and relatives. In such conditions her influence is particularly strong, and if her husband misbehaves there is hell to pay.

References
1. Edward Goldsmith, The Way: an Ecological World View (2nd edition). University of Georgia Press, Athens, Georgia, 1998.
2. Pierre André Taguieff, Sur la nouvelle droite. Editions Descartes & Cie, 1994.
3. Eric Krebbers, Fabel van de Illegaal, Millionaire Goldsmith supports both left and far right. Fabel van de Illegaal, September 1999.
4. Edward Goldsmith and Robert Alllen, A Blueprint for Survival. Tom Stacey, London 1972.
5. Roy Rappaport, quoted by Edward Goldsmith in The Way, op.cit., p.388.
6. Edward Goldsmith, The Way, op.cit., Chapter 60, "The vernacular community is the unit of homeotelic behaviour", pp.385-394.
7. Hans Tschani, "How Democracy Functions in Switzerland". The Ecologist Vol. 7 No. 1, December 1977.
8. Eric Krebbers, Millionaire Goldsmith supports both left and far right, op.cit., September 1999.
9. Alan Cassel Fascist Italy.
10. Edward Goldsmith, "The Ecology of War". Chapter 6 of The Great U-turn - De-industrialising Society. Green Books, 1988.
11. Alan Cassel, op.cit..
12. Jerry Mander and Edward Goldsmith The Case Against the Global Economy and for a Turn Towards the Local. Sierra Club Books, San Francisco, 1996.
13. Ernst Nolte
14. Ernst Nolte
15. Edward Goldsmith The Way, op.cit., chapter 24.
16. Eric Krebbers, Goldsmith and his Gaian Hierarchy. Fabel van de Illegaal, 16 September 1999.
17. Peter Bunyard, "A Hungrier World". In Climate Crisis, Special Issue of The Ecologist Vol. 29 No. 2, 1999.
18. James Lovelock, quoted by Edward Goldsmith in The Way, op.cit., chapter 36.
19. Edward Goldsmith, "The Family Basis of Social Structure". Chapter 2 in The Stable Society, op.cit.
20. Edward Goldsmith, The Way Chapter 60, op.cit.
21. Eric Krebbers, Goldsmith and his Gaian Hierarchy, op.cit..
22. Edward Goldsmith, The Way Chapter 21, op.cit..
23. Edward Goldsmith, The Way Chapter 38, op.cit..
24. Eric Krebbers, Goldsmith and his Gaian Hierarchy,op.cit..
25. Eugene Odum, Basic Ecology, Saunders, Philadelphia, 1983.
26. Eugene Odum, ibid.
27. Eric Krebbers, "Goldsmith and his Gaian Hierarchy, op.cit.
28 Edward Goldsmith, The Way Chapter 50, op.cit.
29. Edward Goldsmith, The Stable Society, op.cit.
30. Edward Goldsmith, The Ecologist, July 1987.
31. Edward Goldsmith, The Way Chapter 8, op.cit.
32. Edward Goldsmith, The Way Chapter 43, op.cit.
33. Eric Krebbers, "Goldsmith and his Gaian Hierarchy", op.cit.
34. Fabel van de Illegaal, "Self interview about quitting the campaign against free trade", 20th September 1999.
35. Fabel van de illegal, ibid.
36. Harry Westerlink, Fabel van de Illegaal, "The Village Politics of the International Forum on Globalization", April 2000.
37. Harry Westerlink, April 2000, ibid.
38. Harry Westerlink, April 2000, ibid.
39. Eric Krebbers, "Seattle 1999, Marriage Party of the left and the right? op.cit.
40. Harry Westerlink, April 2000, op.cit.
41. Marijn Schoenmaker and Eric Krebbers, Seattle 1999, Marriage party of the left and the right?, November 1999.
42. Marijn Schoenmaker and Eric Krebbers, November 1999, ibid.
43. Harry Westerlink, April 2000, op.cit.
44. Harry Westerlink, April 2000, op.cit.
45. Marijn Schoenmaker and Eric Krebbers, Seattle 1999, Marriage party of the left and the right?. Fabel van de Illegaal, November 1999.
46. Jeremy Rifkin, The End of Work: the decline of the global labour force and the dawn of the post market era. New York, G. P. Putman's Sons, 1995.
47. Debi Barker and Jerry Mander, Invisible Government, International Forum on on Globalization (IFG), San Francisco, 1999.
48. Debi Barker and Jerry Mander, 1999, ibid.
49. Ann Doherty and Olivia Hoedeman, "Misshaping Europe: the open round table of industrialists", in The Ecologist Vol. 24 No. 4, July / August 1994.
50. Personal communication from Zac Goldsmith.

The Dark Side of Political Ecology door Peter ZEGERS op Communalism.org

“[I]f the word ecology is used to describe our outlook, it is preposterous to invoke deities, mystical forces to account for the evolution of first nature into second nature. Neither religion nor a spiritualistic vision of experience has any place in an ecological lexicon. Either the term ecology applies to natural phenomena by definition, or it is a chic metaphor for the disempowered consciousness that fosters mysticism or outright supernaturalism.”
[Murray Bookchin, The Ecology of Freedom: The Emergence and Dissolution of Hierarchy. (Montréal: Black Rose, Second edition 1991) p. xxi]


The ecology movement has over the last decades been a battleground for both progressive and reactionary ideas. The notions one encounters in the ecology movements range from genuinely progressive and humanist ones to extremely misanthropic, even ecofascistic ones. In the essay “Will ecology become 'the dismal science'?” American social ecologist Murray Bookchin identified nearly ten years ago some of the anti-humanistic tendencies within the ecology movement in the United States: deep ecology, biocentrism, Gaian consciousness, and eco-theology. Basic to these outlooks is a suspicion of reason and an emphasis on the importance of intuitive and irrational approaches to ecological issues. Bookchin concluded the essay with this note: “It is not only the great mass of people that must make hard choices about humanity's future in a period of growing ecological dislocation; it is the ecology movement itself that must make hard choices about its sense of direction in a time of growing mystification.” (1) Since Bookchin’s essay was published in 1991, these anti-humanistic tendencies have unfortunately become even more prominent. A case in point is one of the leading American deep ecologists, Bill Devall. Together with George Sessions, Bill Devall introduced the ideas of Arne Næss, the founder of deep ecology, to the American public. Devall uttered on August 2, 1998, at the conference Gold and Green, a racist remark against Mexican immigrants: according to him, they “did what gangs of Mexicans always do – rape, pillage, burn, murder.” He also made the point that the owner of Maxxam Corporation (a firm threatening a redwood forest in California) was “a criminal Jewish capitalist.” Devall’s associate George Sessions, also present at this conference, lamented about the left wing perspective of a lot of people in the ecology movement and claimed that social justice issues only would distract attention from the real cause of the ecological crisis: overpopulation. In order to counteract the ecological imbalance Sessions suggested that an authoritarian regime should be implemented, like the one that ruled Japan from 1615 to 1836. (2) Is this just a marginal incident? Because of the premisses on which deep ecology is predicated I very much doubt this.

The Political Implications of Deep Ecology

Deep ecology is a vague and formless concept and one can find all kinds of mixtures of reactionary and seemingly progressive ideas in it. Deep ecologists claim very different thinkers as pioneers of deep ecology, one can for example find Heidegger alongside Spinoza. No effort is made to explain how these very different thinkers can be rubricated in the same category. Commenting on this lack of coherence Arne Næss wrote: “Why Gleichschaltung? Why monolithic ideologies? We have had enough of those in both European and world history.” (3) To put a demand for coherence on a par with a Nazi operation is telling enough and reveals his limited understanding of fascism. Næss continues in the same article: “It would, in my view, be a cultural disaster for humankind if one philosophy or one religion were to become established on earth. It would be a disaster if future Green societies were so similar that they blocked the development of deep cultural differences.” (4) Does this also apply to human rights and democracy? In another interview he stated: “Diversity in every aspect of our existence should be a norm, whether it is biodiversity, cultural diversity or economic diversity. Diversity of ideas is also very important. If we thought that there is one correct idea, one absolute truth, one right way to sustainability, then we might end up creating a kind of eco-fascism. It is only through multiplicity, plurality, diversity and inclusivity that we can find self-realization. There is no one final definition of self-realization. Everyone will find their own meaning in this word. Through deep questioning we come to deep ecology and through deep ecology we come to self-realization, but all this means nothing. It remains a kind of theory. It is through practice that we find realization. As each one of us has our own body, we have our own ‘realization’.” (5) Maybe because of this limited understanding of eco-fascism Næss does not mind being published by extreme right wing publications in France and Italy. Indeed his ideas bear a close resemblance to the 'ethno-pluralism' advocated by Alain de Benoist and others in the Nouvelle Droite. American author Kirkpatrick Sale, who is very close to deep ecology, is very clear about the fact that democracy and human rights need not be respected, but that we instead should respect the denial of democracy and human rights! Kirkpatrick Sale wrote: “[Bioregional diversity] does not mean that every community in a bioregion, every subregion within an ecoregion, every ecoregion on a continent, would construct itself along the same lines, evolve the same political forms. Most particularly it does not mean that every bioregion would be likely to heed the values of democracy, equality, liberty, freedom, justice and the like, the sort that the liberal American tradition proclaims. Truly autonomous bioregions would inevitably go in separate and not necessarily complementary ways, creating their own political systems according to their own environmental settings and their own ecological needs … Different cultures could be expected to have quite different views about what political forms could best accomplish their bioregional goals, and (especially as we imagine this system on a global scale) those forms could be at quite some variance from the Western Enlightenment-inspired ideal. And however much one might find the thought unpleasant, that divergence must be expected and – if diversity is desirable – respected.” (6)

Not only does deep ecology oppose the universal concepts of democracy and human rights through its misguided understanding of diversity, the ideas of Næss verge also on the mystical and he himself seems to be aware of this since he quotes New Age-author Charlene Spretnak approvingly when she calls for 'emotional involvement and caring' instead of rational thinking. (7) It is therefore not very surprising that New Age-authors Fritjof Capra and Charlene Spretnak have embraced the label deep ecology. Fritjof Capra is like Spretnak very outspoken in his anti-rationalism: “Ultimately, deep ecological awareness is spiritual or religious awareness.” (8) Charlene Spretnak declares humanism to be the principal enemy of an ecological politics. In 1984 she said in an address to the annual gathering of the E.F. Schumacher Society: “Green politics rejects the anthropocentric orientation of humanism, a philosophy which posits that humans have the ability to confront and solve the many problems we face by applying human reason and by rearranging the natural world and the interactions of men and women so that human life will prosper.” (9) Spretnak and Capra wrote a book about the German Greens where they, in spite of the 'pluralism' of deep ecology, made very clear that they are hostile to left wing tendencies in the Green movement. (10) Unfortunately no such demarcation exists for right wing tendencies in the ecology movement. The Right seems to be very grateful to enter this lack of demarcation and it would indeed be very hard to demarcate deep ecology from the Right because it shows structural similarities with Right ideology. Although Capra and Spretnak seem to be aware of the German past, they have trouble seeing the continuity with the present. They describe Herbert Gruhl as a 'conservative' politician, whereas the term eco-fascist would be more appropriate. Gruhl was one of the founders of Die Grünen but left the party in 1982 (which Capra and Spretnak seem to regret and blame the 'marxists' for) to found the Ökologisch Demokratische Partei (Ecological Democratic Party). When this party decided in 1989 to distance itself from the extreme Right political party Die Republikaner against the will of Gruhl, he withdrew and founded the Unabhängige Ökologen Deutschlands. He was one of the first to use ecological discourse for xenophobic purposes. (11) Capra and Spretnak also do not seem to understand why many Germans are so suspicious about ideas that bear a close resemblance to the Blut und Boden (Blood and soil) theories of the Nazis. Instead of analyzing this resemblance and continuity, they choose to ignore it and as a consequence they were uncritical of Rudolf Bahro's views that only a few years later culminated into a kind of spiritual fascism. (12)

Deep ecology is a very eclectic bag of ideas and there are yet other features that are very disturbing because of the reactionary implications. Fundamental for deep ecology is the completely unfounded assertion that the ecological crisis is caused by 'overpopulation'. There is not a single line in the vast literature on deep ecology that explains why this would be the case. It is simply a matter of faith for adherents of deep ecology and because of this, critique of this aspect has not resulted in a change of ideas in this matter. (13) Some of the supporters of deep ecology have publicly stated that AIDS and famines are nature's revenge on humankind and that we should not do anything about it. A case in point is Dave Foreman, an activist of the environmental direct action group Earth First!, who said in an interview to Bill Devall: “When I tell people how the worst we could do in Ethiopia is to give aid – the best thing would be to just let nature seek its own balance, to let the people there just starve – they think that is monstrous. But the alternative is that you go in and save these half-dead children who never will live a whole life. Their development will be stunted. And what is going to happen in ten years' time is that twice as many people will suffer and die. Likewise, letting the USA be an overflow valve for problems in Latin America is not solving a thing. It is just putting more pressure on resources we have in the USA. It is just causing more destruction of our wilderness, more poisoning of water and air, and it is not helping the problems in Latin America.” (14) Not a single protest against this raving was uttered by Devall, one of the leading exponents of deep ecology in the United States. We understand from his statements at the Gold and Green conference quoted above why Bill Devall did not bother to contradict Foreman. Deep ecology lacks a theory of the social causes of the environmental crisis and the only solution they can think of is a reduction of population. How to achieve this is not made clear, but some supporters do not exclude draconic, indeed eco-fascistic measures.

The anti-humanist notion of 'biocentrism', the notion that all living beings have equal 'intrinsic worth', is another disturbing feature in deep ecology. This 'biocentrism' has its counterpart in 'anthropocentrism', the view that human happiness and welfare should precede all other priorities. In the book The Arrogance of Humanism (1981) David Ehrenfeldt wrote in this 'biocentric' vain about the right of the smallpox-virus to exist. Since then tons of paper have been produced with articles about 'intrinsic worth', 'biocentric democracy', and 'biocentrism' and its implications. Indeed deep ecology has become a booming academic industry. The way seems to be opened for the discussion of how much human suffering and death is acceptable in the name of an 'ecological ethics'. Again, there is not the faintest idea about the social roots of the environmental problems. All people, regardless of their position in society, are held equally responsible for the destruction of the environment in this view. Humanity's 'original sin' was 'anthropocentrism' (theological words apply very neatly in this way of thinking). Deep ecologists have a very static view on nature or 'wilderness'. As important as they profess to value 'wilderness', they never explain very much the meaning of this concept. For them 'nature' is just a scenic view, untouched by human intervention even though in reality there is no 'wilderness' left on this earth. Nevertheless some deep ecologists want to exclude people from some areas, at least people not living 'traditional' (pre-1500 A.D., according to Foreman) lifestyles. (15) Hand in hand with their reverence for 'wild' nature goes a depreciation of science and technology. These are held responsible for the desacralization of nature and consequently the destruction of the environment. Bill Devall, in his usual subtle way, states it like this: “Students in natural resources sciences and management – are much like the guards in Nazi death camps.” (16) In another passage he makes the same comparison: “I see an analogy between rescuers of Jews and homosexuals in Nazi-occupied Europe and strategic monkeywrenching (a tactic used by the environmental direct action group Earth First!, PZ) in the late twentieth century.” (17) Like Næss, Devall has no hesitations about using inappropriate analogies that trivialize the Holocaust.

The Extreme Right and Ecology

Even more disturbing than the reactionary implications of basic tenets of deep ecology is the use of ecological concepts by groups and individuals of the extreme Right. Many people in the ecology movement consider themselves to be 'beyond Left and Right', but this position unfortunately makes them very vulnerable to overtures from the extreme Right, which (especially in Europe) is trying to modernize its rhetoric (the slogan was, tellingly enough, invented by the German right wing ecologist Herbert Gruhl for Die Grünen). By adopting ecological themes and concepts and incorporating them into its propaganda, the extreme Right today is seeking to gain mainstream public acceptance. For example, in France the Nouvelle Droite (New Right) has shown a lot of interest in deep ecology. Nouvelle Droite is the name for a tendency in the extreme right wing milieu that tries to modernize its ideology. A central organization in this field is the Groupement de Recherche et d'Études pour la Civilisation Européenne, founded in 1968. Its leading ideologue is Alain de Benoist, who is constantly changing his ideas, but nonetheless always opposed the egalitarian ideas that originated in the Enlightenment. (18) It is far beyond the scope of this article to explain in any detail the history of GRECE. (19) Suffice it for now to say that De Benoist and his supporters became interested in ecology around 1993. In an article about the European New Right (ENR) Mark Wegierski wrote: “Although some ENR members at one time advocated technocracy, they have now embraced ecology as one of the most hopeful tendencies on the planet today. The 1993 GRECE colloquium was dedicated to ecology.” (20) From the milieu around GRECE a new ecological organization was founded in the early nineties. This organization called Nouvelle Écologie (New Ecology) organizes conferences and lectures and publishes the magazine Le recours aux forêts. Nouvelle Écologie regards itself as the French branch of the international deep ecology movement and tries to influence the ecology movement toward a right wing direction.

Even as the extreme Right has picked up and incorporated ecological themes, some prominent ecologists have themselves evolved toward reactionary positions and do not mind to work together very closely with the extreme Right. The British ecologist Edward Goldsmith is a case in point. Goldsmith has been a well-known figure in the international environmentalist movement for several decades. In 1970 he founded the journal The Ecologist, which has long been a leading voice for the movement. He was one of the authors of the 1972 bestseller A Blueprint for Survival. Already in this book some conservative views were exhibited: “If there is no hierarchy there will be constant bickering and fighting. There will also be no mechanism for ensuring the perpetuation of those qualities required if the society is to survive.” (21) The overall obsession in Blueprint is 'stability' and 'order'. According to the authors of Blueprint the causes of the environmental crisis are to be found in economic and demographic growth. Like the authors of the Limits to Growth report of the conservative Club of Rome, whom they regard as like-minded individuals, their view on the environmental crisis is extremely limited. In 1991 he received the Right Livelihood Award, the 'alternative Nobel prize'. He is presently very much involved with international campaigns against the WTO, MAI, nuclear energy, and genetically modified organisms. For years, Goldsmith had also been known for his socially paleo-conservative views, especially on the role of women and the family. In an interview he said: “In my view women perform a very important role, both with regard to social coherence as well as of the viewpoint of the protection of the environment. They do not have the typical male chauvinism and competiteveness. I am in favor of the kind of feminism Vandana Shiva stands for, whom I know very well by the way, but which is completely at odds with the American kind of feminism that in the end results only in a reversal of male chauvinism into female chauvisnism. You know, one has to accept the differences between men and women, just like those of ethnic groups and cultures. For me, as well as for Shiva, cultural, ethnic, and also biological diversity, destroyed by the global economy, are very important.” (22) In The Way: An Ecological World-View (1992, revised and enlarged edition 1998) Goldsmith tries to formulate his worldview. Like Fritjof Capra he bases his views on an unlikely mix of mechanistic systems theory and eastern mysticism. Many of Goldsmiths ideas focus on religion and its alleged role in shaping the social order. Western society went wrong, he asserts, when it embraced technology, science, and progress instead of the traditional 'Way' (or Tao). The monotheistic religions are also to blame for the desacralization of nature. Goldsmith thinks society should be reorganized so that it accords with the precepts of 'Gaia' which means arranged in the same plan and governed by the same laws as the Cosmos and the natural world. Religion is the means through which the laws of nature should be instrumentalized in society. Goldsmith puts it himself this way: “The argument put forward in this book is that we can only conceivably do better if, among other things, we set out to re-interpret our problems in the light of a very different world-view – the worldview of ecology – inspired as it must be by the chthonic world-view entertained by our remote ancestors who knew, as modern man no longer knows, how to live on this planet.” (23) He sees potential in the religious fundamentalist movements in the Moslem world and India. He states: “[t]here are signs … that such movements are likely to preach a return to the vernacular way of life …[A] considerable proportion of the revitalist movements that have so far sprung up in the Third World have been 'nativistic' – which is to say that they correctly attributed the ills against they were reacting to the way of life imposed upon them by their colonial masters, and preached a return to the Way of their ancestors ... We cannot afford to wait and see whether such movements will develop into revivalist cults that are powerful enough to transform our society. Instead, we should work towards their development by helping to create the conditions in which they are likely to emerge. Let us remember that the world-view of ecology is very much that of the vernacular community-based society.” (24) Interestingly, he refers a few times very favorably to deep ecology in his book The Way: An Ecological World-View, which he hopes will develop into a movement to perform the task put forward in the book. Goldsmith thanks deep ecology founder Arne Næss, “who, after reading a summary of this book in The Ecologist, urged me to complete it and get it published.” (25) The view that people should obey the laws of nature (or Gaia) can be found in deep ecology, but also in New Age and the Nouvelle Droite.

The views of Goldsmith are also a potential justification for racism. Nicholas Hildyard, a former associate of Goldsmith, wrote a critique of his views and showed convincingly that he is in favor of separation of different so called 'ethnic groups'. (26) In an article for The Ecologist Goldsmith wrote: “The Catholics and the Protestants in Northern Ireland constitute two distinct ethnic groups, of different origin, with different manners and traditions and different motivations and capacities. They could occupy the same geographic area and form a single society if they were capable of living in cultural symbiosis with each other, which they have done up to now. The Catholics, however, are no longer willing to fill the lower echelons of the economic hierarchy, as the cultural pattern which previously enabled them to do so has largely broken down. The only remaining solution is to separate them territorially. Ataturk separated Greeks and Turks very successfully, although there was a terrible outcry at the time and it undoubtedly caused considerable inconvenience to the people who were forced to migrate. But should we not be willing to accept measures of inconvenience in order to establish a stable society?” (27) Few people would agree with his rather peculiar view that Irish Catholics and Protestants are two distinct ethnic groups. In his book The Way he adds more in general: “Social evolution has led to the development of complex social groupings and to a wide diversity of different ethnic groups, each perfectly adapted to the specialized environment in which it lives.” (28) This view accords perfectly with Nouvelle Droite views on ethnicity, which is also in favor of territorial separation of different 'ethnic' groups. In the 1990s he therefore has become very attractive to the Nouvelle Droite.

The popularity of Goldsmith's writings among the Nouvelle Droite has made him welcome at Nouvelle Droite conferences. On 27 November 1994 he was one of the featured speakers for the 25th annual conference of GRECE, the major Nouvelle Droite organization in France. Its theme was (very tellingly) “Left-Right: the end of a system.” He also gave an interview to their magazine Elements in October 1996. Goldsmith was also a welcome guest at the conference of the Flemish connection of Nouvelle Droite in Belgium. On 11 November 1997 he was a speaker on the third colloquium of the Delta Stichting, the Belgian connection of GRECE, about How can we survive decadence? His speech was called Against progress: the U-turn we need. Another speaker at this conference was Alain de Benoist, with whom Goldsmith obviously does not mind sharing a platform. Goldsmith has also contributed his writings to Nouvelle Droite publications, such as the Flemish Tekos. This magazine is published by the Delta Foundation, which has a lot of contacts with the extreme Right Vlaams Blok (Flemish Bloc). Guy de Martelaere, collaborator of Tekos, found translating Goldsmith’s writings to be an uplifting experience: “The Tekos-colloquium in Antwerp on 11 November was a big success. The conservative-ecological theses of Edward Goldsmith have attracted a lot of interest and acceptance from Nouvelle Droite audiences, which partly have yet to discover green thought. Alain de Benoist, internationally the leading ideologue of the Nouvelle Droite, and Luc Pauwels, chief editor of the Belgian periodical Tekos, are moving into an ecological direction, inspired among other things by contact with Goldsmith and his ideas. I myself got the task to translate one of Goldsmith's most recent and philosophically profound articles for Tekos.” (29)

In recent years, Goldsmith has also been an active supporter of Nouvelle Écologie in France. Laurent Ozon, a disciple of Alain de Benoist, is the director of this organization. Laurent Ozon wrote in an article about housing: “For ecologists it is today essential to safeguard for every people its creative local expression, its possibility even to live or to exist as a constructive part of a culture that participates in the diversity of life. Because the uprooting caused by the individualization of style and the globalization of construction standards is an important weapon in the war waged by the forces of money, hate, and standardization against the natural communities and their ecosystems.” (30) The writings of Goldsmith are an important source of inspiration for Ozon. Besides being the director of Nouvelle Écologie, Ozon has very active against the war of NATO in Kosovo as the leading figure in the Collectif Non à la Guerre, which tried to build an alliance between Left and Right in opposition to the the intervention of NATO in Kosovo. Nouvelle Écologie also has the support of Antoine Waechter, the leading exponent of the 'neither Left nor Right' faction within the green movement in France, the socalled 'ninis'. On May 29, 1989, Waechter declared on French public television: “To open the borders for foreigners is a dangerous utopia. Bearing in mind the demographic explosion in the Third World, there would be millions of people wandering to an already overpopulated Europe. The damage on the cultural and environmental level would be devastating.” (31) How would the Nouvelle Droite not be interested in such an ecologist? In September 1993 Krisis, the journal edited by Alain de Benoist, asked for and got an interview from him. In this interview Waechter said: “[I]f there is a place today for an autonomous ecological movement, it is precisely because political ecology is accompanied by a philosophy of action completely different than that supported by the Right-Left cleavage, that structured the French political landscape for two centuries and shows today clear signs of exhaustion.” (32) Waechter broke away from Les Verts in 1994 because he thought they were too much leaning toward the Left and he founded the political party Mouvement Écologiste Indépendant (Independent Ecology Movement). The new party received the full support of Nouvelle Écologie and its whereabouts got plenty of coverage in Le recours aux forêts (the title of this magazine is a reference to an article by the German extreme right wing author Ernst Jünger that was translated to French and published in Krisis in 1993). Waechter has made several electoral alliances with the autonomists in Alsace. The autonomist party in Alsace (like in Brittany) has a long history in right wing politics. In an interview in Alsace Presse in December 1998 Waechter explained his differences with Les Verts, and its candidate Daniel Cohn-Bendit. Waechter said: “Our list is truly ecological, whereas that of Daniel Cohn-Bendit is a list of the Left with an ecological coloration. Our aim is to make sure that the list of Les Verts does not accumulate the votes of distracted voters, that is the votes of the Leftists and the votes of those with an ecological sensibility that could be seduced by the centrist discours of Cohn-Bendit.” (33) In a letter to the daily Libération Waechter protested against the accusation of working together closely with extreme Rightists on a conference in Paris in January 1999: “What are they reproaching me for? To have participated in a forum and presenting a lecture about Robert Hainard. Is there a single idea in my lecture that resembles closely or distantly the theses of the extreme Right? No, for sure. Is there a single word from the moderator, Laurent Ozon, that would justify such a connection? Not any more so. Burt Laurent Ozon has had the courage to ask some iconoclast questions and to gather some intellectuals of different persuasions to answer them. This is disturbing because this enterprise is situated outside of the convenient cleavage. Just like an ecological list is disturbing because it destroys the myth according to which the ecologists are represented at the European elections by Les Verts. Why can not the Left and the Right deal with the emergence of political ideas that are different from socialism and liberalism?” (34)

Edward Goldsmith was, like Antoine Waechter, one of the featured speakers in this conference in Paris which had as its theme: Ecology against progress? It was organized by Nouvelle Écologie and Goldsmith presented his usual paleo-conservative views on Family, Community, Democracy. Of course Alain de Benoist and several other people of the Nouvelle Droite were also present. A report of this conference was published in Le recours aux forêts, the magazine of Nouvelle Écologie, which earlier devoted a special issue to the views of Edward Goldsmith. In the interview in this special issue of Le recours aux forêts on his views, Goldsmith said: “In both France and England, as well as in Germany, the Greens have the tendency to align themselves with the Left, because the Left is thought of as being less linked to the big multinational corporations, and therefor more inclined to protect the interests of the people. But, in my view, this will change, because of the simple reason that there practically no difference anymore between the Left and the Right, neither in France nor in Germany and the United States … It goes without saying that it is a question of time before a party will be created to represent all these groups that are marginalized by the global economy and also of those who want to preserve what is left of our society, of its culture, and its natural environment. The next political cleavage will be the one between the parties in favor of the global economy and those in favor of the local and communitarian economy. Of course I hope the ecologists will play an important role in the formation of this party, that could be a federation of parties.” (35)

In advance of the European elections of May 1999, Goldsmith tried to put his ideas into practice and he wanted to form an electoral alliance with Waechter's MEI. But in February 1999 the right wing affiliations of both Edward Goldsmith and Antoine Waechter were exposed, whereupon the alliance was broken up. (36) Fortunately Waechter’s MEI did not get many votes in the subsequent election. In September 1999 Goldsmith wrote a letter to the magazine Silence in which he defended his attendance at the conference of GRECE in 1994 by stating that he also spoke at a conference organized by the trotskyist party in Switzerland. He says he never checks the organizations who invite him to speak at their conferences. He states that he does not know about the current political views of GRECE (although he admits that it was founded from a extreme Rightist background) and he defends Alain de Benoist by saying that the Frenchman is critical of the views on immigration of the Front National. Indeed, De Benoist is critical of Front National, but that does not mean he is not part of the extreme right wing. It seems to escape Goldsmith that not every criticism of the Front National is necessarily progressive. De Benoist is in disagreement with the strategy used by Front National, not its principles. Goldsmith also denied that he was involved with financing the MEI campaign for the European elections but Antoine Waechter said otherwise in a press statement issued by the MEI dated 7 December 1998. Very revealing Goldsmith writes at the end of this letter: “It may be worthwhile to mention that all my African, Hindu and Polynesian friends (except those who were too much exposed to Western influences) agree on the principles of this worldview.” (37) Makes one wonder where these friends stand in the political spectrum. Goldsmith seems to believe in some kind of cultural apartheid and that different cultures should not influence one another.

Alain de Benoist said of Goldsmith in an interview: “I am … in sympathy with the views expressed by … Edward Goldsmith, in such works as The great U-turn (1988), The Way: an Ecological Worldview (1991) and again, very recently, in a collection of pieces entitled The Case against the Global Economy and for a Turn toward the Local (Sierra Club Books, San Francisco 1996).” (38) Goldsmith's book was translated into French as Le défi du XXIe siècle - Une vision écologique du monde. His book is very well received by the connections of the Nouvelle Droite in Germany and Italy as well. The Way was translated to German and Heinz-Siegfried Strelow, one of the leading exponents of the Unabhängigen Ökologen Deutschlands (Independent Ecologists of Germany) wrote that it should become obligatory reading for conservative ecologists (which is nothing but an euphemism for ecofascists). (39) In Italy The Way was published as Il Tao dell'Ecologia and Goldsmith also contributed an article to the right wing magazine Diorama Letterario under the same title. (40) This magazine is the Italian connection of GRECE and headed by Marco Tarchi, a political scientist working at the university of Florence. Goldsmith went to Florence on 17 February 1999 to speak about Community, Local Economies, and Globalization. He did not mind sharing a platform with Marco Tarchi on this occasion. Tarchi is a well-known supporter of GRECE, a former member of the neo-fascist Movimento Sociale Italiano and nowadays very close to the separatist Lega Nord. He professes an interest in the deep ecology of Arne Næss. (41) In a review of Robyn Eckersley's Environmentalism and Political Theory: Toward an Eco-centric Aproach for the British far Right magazine The Scorpion the known neo-nazi Michael Walker wrote: “[I]t is precisely deep ecology and bio-regionalism that are most likely to inspire a conservative or anti-liberal, even anti-humanist, dare we say even racialist, green perspective. There is no lack of dire warnings from the Left about the dangers for the uninitiated of bio-regionalism, which by its very name invites the novice to consider the biological implications of the conservation of differences. Deep ecology is so radical in its anti-capitalism that anti-capitalism is more important than anti-fascism and saving the world more important than either, more important than anything else in fact.” (42) Fortunately so far there have been no signs of the far Right making serious overtures to the ecology movement in Britain, but judging from this assessment of Michael Walker, the ecology movement should be very vigilant.

The Challenge for the Ecology Movement

There is a very real danger that the right wing will significantly influence the ideology and practice of the ecology movement. The Nouvelle Droite will gladly take the opportunity to use the similarities in thinking of the anti-humanist and anti-rationalist currents in the ecology movement. In this they have the full support of Edward Goldsmith. The ecology movement once was a very promising movement, but unfortunately the promise of a new kind of politics was never fulfilled. Instead it drifted into mysticism and religion on the one hand and to an uncritical acceptance of the status quo on the other hand (cfr. Les Verts in France, Die Grünen in Germany, Agalev and Ecolo in Belgium, I Verdi in Italy). The current rise of mysticism, religion, and obscurantism in Europe and North America will be regarded by the right wing as a gigantic opportunity to spread their message. In spite of the statement by the neo-nazi Michael Walker about the anti-capitalist nature of deep ecology, capitalism has nothing to fear from mystical ecology. The social causes of environmental degradation are 'deeply' mystified by the acolytes of deep ecology, bioregionalism and ecofeminism. It is more likely that these tendencies will result in authoritarian measures against the poor and weak in society. As an antidote to this kind of thinking American social ecologists Janet Biehl and Peter Staudenmaier wrote: “What prevents ecological politics from yielding reaction or fascism is an ecology movement that maintains a broad social emphasis, one that places the ecological crisis in a social context.” (43) Rather than in a context of race, ethnicity, bioregion, mysticism, and the like, ecological politics should be embedded in the struggle against hierarchical domination and class exploitation, the fundamental social causes of environmental problems.

Ecology, if unmediated by social theory and philosophy, can easily result in terrible disasters. Context is all-important, as Murray Bookchin points out correctly: “To think ecologically is to enter the domain of nature philosophy. This can be a very perilous step. Serious political ambiguities persist in nature philosophy itself: namely its potential to nourish reaction as well as revolution. Contemporary society is still seared by images of nature that have fostered highly reactionary political views. Vaporous slogans about 'community' and humanity's 'oneness with nature' easily interplay with the legacy of 'naturalistic' nationalism that reached its genocidal apogee in Nazism, with its myths of race and 'blood and soil'. It requires only a minor ideological shift from the ideas of the nineteenth-century Romantic movement and William Blake's mystical anarchism to arrive at Richard Wagner's mystical nationalism.” (44) With the goal of creating a rational, humanist, and truly democratic society, social ecology stands out as the complete opposite of the current anti-humanist, irrationalist, and authoritarian trends in the ecology movement and in society at large. We have to make hard choices and think critically and rationally about these choices. We face a grim future if the battle against the reactionary trends is not won.



Notes

1. Murray Bookchin, “Will Ecology become 'the Dismal Science'?” in The Progressive (1991). Reprinted in Which Way for the Ecology Movement? (Edinburgh & San Francisco: AK Press, 1994).

2. Quoted in David Kubrin, “Toxic Ideologies” in Reclaiming Quarterly, Summer 1999.

3. Arne Næss, “Deep Ecology and Ultimate Premises” in The Ecologist, Vol. 18, Nos. 4/5 (1988). Reprinted in Society and Nature, Vol. 1, No. 2 (1992), p. 108.

4. idem, p. 113.

5. Interview with Arne Næss and Helena Norberg-Hodge in Resurgence, January 1997.

6. Kirkpatrick Sale, Dwellers in the Land: The Bioregional Vision (Philadelphia: New Society Publishers, 1991), p. 108.

7. Arne Næss, “Deep Ecology and Ultimate Premises” in The Ecologist, Vol. 18, Nos. 4/5 (1988). Reprinted in Society and Nature, Vol. 1, No. 2 (1992), p. 112.

8. Fritjof Capra, The Web of Life: A New Synthesis of Mind and Matter (London: Flamingo, 1997), p. 7. In The Turning Point: Science, Society, and the Rising Culture (1982) Capra also stated his support for deep ecology.

9. Charlene Spretnak, The Spiritual Dimension of Green Politics (Santa Fe: Bear & Co., 1986), p. 27.

10. Fritjof Capra and Charlene Spretnak, Green Politics: The Global Promise (London: Hutchinson, 1984).

11. For Herbert Gruhl, see Janet Biehl, “'Ecology' and the Modernization of Fascism in the German Ultra-right” in Janet Biehl & Peter Staudenmaier, Ecofascism: Lessons from the German Experience (Edinburgh & San Francisco: AK Press, 1995). I also highly recommend the writings of Jutta Ditfurth, Feuer in die Herzen: Gegen die Entwertung des Menschen (Hamburg: Konkret Literatur Verlag, 1997) and Entspannt in die Barbarei. (Öko-)Faschismus und Biozentrismus (Hamburg: Konkret Literatur Verlag, 1996). Although there was a public break between the ÖDP and Gruhl, this did not have much influence on the formers ideology. In fact they continued to spread his books and pamphlets and kept informal relations with their erstwhile leader.

12. For Rudolf Bahro, see Janet Biehl, ”'Ecology' and the Modernization of Fascism in the German Ultra-right”. See also the exchange between James Hart and Ullrich Melle who defend Rudolf Bahro and Janet Biehl in Democracy & Nature #11/12 (Vol. 4, no. 2/3, 1998).

13. See Murray Bookchin, Re-enchanting Humanity: A Defense of the Human Spirit against Anti-Humanism, Misanthropy, Mysticism and Primitivism (London: Cassell, 1995).

14. Dave Foreman interviewed by Bill Devall, “A Spanner in the Woods” in Simply Living Vol. 12 (c. 1986). Quoted in Murray Bookchin, The Philosophy of Social Ecology (Montréal: Black Rose, second revised edition, 1995), p. 117. In 1989 there was a public debate in New York between Dave Foreman and Murray Bookchin about their differences. Foreman distanced himself from his statements in the interview he gave to Bill Devall in this debate, but soon thereafter he started using the same eco-brutalist language again. This is hardly surprising because it is inherent in 'biocentric' thinking. After leaving Earth First!, Foreman joined the board of directors of the conservationist organization Sierra Club and tried, fortunately unsuccessfully so far, to have it adopt an anti-immigration policy. The debate was published in Steve Chase (ed.), Defending the Earth: A Dialogue between Murray Bookchin and Dave Foreman (Boston: South End Press, 1991).

15. Dave Foreman, “A Modest Proposal for a Wilderness Preserve System” in Whole Earth Review #53 (Winter 1986). Quoted by Bill Devall, Simple in Means, Rich in Ends: Practicing Deep Ecology (Layton: Gibbs Smith, 1988), pp. 164-165.

16. Bill Devall, Simple in Means, Rich in Ends, p. 49.

17. ibid., p. 149.

18. For his intellectual development see the detailed analysis of Pierre-André Taguieff in Sur la Nouvelle Droite (Paris: Descartes & Cie, 1994). Unfortunately Taguieff takes the proclamations of De Benoist about his politics being neither Left nor Right far too serious.

19. In Krisis #15 De Benoist published “La nature et sa valeur intrinsique” (September 1993). Under the pseudonym Robert de Herte he wrote in Elements #79 “Les deux écologies”, “Herbert Gruhl et les 'verts' allemands” and “Écologie et réligion” (January 1994).

20. Mark Wegierski, “The European New Right” in Telos #98/99 (Winter 1993/Fall 1994). Telos, once a leading neo-marxist theoretical journal in the United States, has unfortunately been transformed into a platform for European Nouvelle Droite authors.

21. The Ecologist, A Blueprint for Survival (Harmondsworth: Penguin, 1972), p. 102. For a critique of its conservatism see David Pepper, The Roots of Modern Environmentalism (London & New York: Routledge, 1984).

22. Edward Goldsmith interviewed by Paul Gimeno in Oikos #3. Oikos is a publication of the Belgian (Flemish) green party Agalev. My translation from the Dutch. For a critique of the reactionary ecofeminism of Vandana Shiva, see the excellent essay by Maria Wölflingseder, “Kosmischer Größenwahnsinn. Biologistische und rassistische Tendenzen im New Age und im spirituellen Ökofeminismus” in Gerhard Kern & Lee Taynor (eds.), Die esoterische Verführung: Angriffe auf Vernunft und Freiheit (Aschaffenburg: Alibri Verlag, 1995), pp. 187-210. See also from the same author “Fetisch Weiblichkeit: Über die diffizilen Zusammenhänge zwischen spirituellen Ökofeminismus und rechter Ideologie” in: Renate Bitzan (ed.), Rechte Frauen: Skingirls, Walküren und feine Damen (Berlin: Elefanten Press, 1997), pp. 56-71. For a critique of American ecofeminism see Janet Biehl, Rethinking Ecofeminist Politics (Boston: South End Press, 1991).

23. Edward Goldsmith, The Way: An Ecological World-View (Athens GA: University of Georgia Press, 1998). Revised and enlarged edition, p. 424.

24. Edward Goldsmith, idem p. 437-438.

25. Edward Goldsmith, idem p. xvii.

26. Nicholas Hildyard, `Blood' and 'Culture': Ethnic Conflict and the Authoritarian Right (London: Cornerhouse briefing #11, January 1999).

27. Edward Goldsmith, “Basic Principles of Cultural Ecology” in The Ecologist, Vol. 1, no. 12, 1971, p. 4. Quoted by Nicholas Hildyard, op. cit., pp. 12-13.

28. Edward Goldsmith, The Way, p. 420.

29. Guy de Martelaere, “Nieuws en korte beschouwingen” in Gwenved #23 (January 1998). Guy de Martelaere also publishes in the British right wing periodicals Perspectives: European identities, autonomies and initiatives, edited by the Transeuropa Collective, and Alternative Green, a magazine edited by Richard Hunt. My translation from the Dutch. In 1997 Tekos (no. 85) published a translation of the first editorial Goldsmith wrote in 1970 for The Ecologist. It also published a translation of “Scientific superstitions” (from The Ecologist, vol. 27, no. 5, Sept/Oct. 1997). Guy de Martelaere translated parts of The Way to Dutch for the publishing house of Tekos. Goldsmith also gave an interview to the right wing Belgian periodical De Vrijbuiter (Spring 1998) in which he praised the traditional family and traditional community.

30. Laurent Ozon, “L'habitat, un enjeu pour les écologistes” in Le recours aux forêts #4. My translation from the French. Ozon's articles are translated and published in Italian in Diorama Letteraria, and in Dutch in the extreme right wing paper of Voorpost, SOS-Nieuwsbrief.

31. Quoted by Philippe Pelletier, L'imposture écologiste (Paris: Reclus, 1993), pp. 101-102. My translation from the French. See also Thierry Maricourt, Les nouvelles passarelles de l'extrême droite (Paris: Syllepse, 1997).

32. “Ni droite, ni gauche. Entretien avec Antoine Waechter” in Krisis #15 (September 1993), pp. 16-23. My translation from the French. In the same issue was published “Eight Theses on Deep Ecology” by Arne Næss.

33. Interview with Antoine Waechter in Alsace Presse, 8 December 1998. My translation from the French.

34. Antoine Waechter, Libération, 15 February 1999. My translation from the French.

35. Interview with Edward Goldsmith in Le recours aux forêts #3. My translation from the French.

36. Christiane Chombeau, “Le dérive extrémiste d'Antoine Waechter” in Le Monde, 18 February 1999. Nicole Gauthier, “Waechter accusé par les siens de dérive brune” Libération, 12 February 1999.

37. Letter of Edward Goldsmith in Silence #248 (September 1999). Emphasis added. My translation from the French. Arne Næss seem to share this purist, ‘nativist’ view: “The quite young Dalai Lama was exalted by cameras and films that were ‘smuggled’ to him … When such a central personality, raised from the cradle in a strong culture, tumbles headlong for something so specifically Western technology as a camera, what chances does the culture have to survive? The enthusiasm of the Dalai Lama maybe reveals the demonic force of modern industrial technology.” Arne Næss, Økologi, samfunn og livsstil (Oslo: Universitetsforlaget, 5th edition 1976) pp. 111-112. Translation from the Norwegian by Eirik Eiglad.

38. Alain de Benoist interviewed in the British right wing magazine Right Now! A Magazine of Politics, Ideas, and Culture, 1997.

39. Heinz-Siegfried Strelow in Junge Freiheit #47 (1996), quoted by Jean Cremet, “Neue Rechte: jetzt generationen- übergreifend” in AK 403, 5 June 1997. The UÖD split away from the Ökologisch-Demokratische Partei (Ecological Democratic Party). The MEI is affiliated with the latter. Reports of Hannes Krill in the Süddeutsche Zeitung of 26 and 29 January 2000 indicate that the split between Die Grünen and the ÖDP could be restored in the near future. Die Grünen have got rid of their left wing that temporarily blocked the influence of the ecofascists.

40. Edward Goldsmith, “Il tao dell'ecologia” in Diorama Letteraria #214 (May 1998).

41. Marco Tarchi, “Cari liberali, adesso è vostro il pensiero unico” in Liberal #26 (May 1997). Tarchi also contributed to the American journal Telos, see “In Search of Right and Left” in Telos #103 (Spring 1995). Like De Benoist Tarchi is critical of Alleanza Nazionale (the former Movimento Sociale Italiano), but that does not mean he is not right wing, he is merely from a rival tendency on the Right.

42. Michael Walker, “A Darker Shade of Green” in The Scorpion #19. This British magazine is very close to GRECE. Michael Walker is also a collaborator of Elemente, the magazine of the German branch of the Nouvelle Droite.

43. Janet Biehl and Peter Staudenmaier, “Introduction” in Ecofascism, pp. 2-3.

44. Murray Bookchin, The Philosophy of Social Ecology, pp. 101-102. Emphasis added.

zondag, april 30, 2006

Het Lonsdalevraagstuk: Monitor racisme & extremisme Cahier nr. 4 door Jaap van Donselaar, 2005

De problematiek van racistische en extremistische uitingen onder jongeren heeft in het jaar 2004 en vooral na de moord op Theo van Gogh – 2 november 2004 – een hoge vlucht genomen. In de eerste maanden van 2005 hebben zogenoemde Lonsdalejongeren vrijwel dagelijks in de publicitaire belangstelling gestaan. Het gaat om een bekend doch in veel mindere mate gekend verschijnsel: op veel vragen naar aard, omvang en achtergronden moet men het antwoord schuldig blijven.

Over de benaming ‘Lonsdalejongeren’ is veel te doen geweest. Lonsdale is een Brits kledingmerk dat populair is onder gabbers, ook diegenen met een extreemrechtse, racistische oriëntatie. Deze gabbers plegen hun kledingmerken – niet alleen Lonsdale, maar ook Pitbull en Hooligan – vaak opzichtig dragen, zodat deze merken zijn gaan fungeren als een uiterlijk kenmerk van deze jongeren. Extreemrechtse, racistische gabbers zijn vervolgens kennelijk zo beeldbepalend geworden dat een omkering heeft plaatsgevonden: met ‘Lonsdalejongeren’ werden gaandeweg niet zozeer jongeren aangeduid die Lonsdale dragen, maar de extreemrechtse, racistische jongeren onder hen. Gelet op de ernst en de omvang van incidenten waarmee deze jongeren de aandacht trokken is de ‘besmetting’ wel te begrijpen. De bekende socioloog Goffman zou spreken van ‘een bedorven identiteit’. Hierdoor worden echter ook veel jongeren ten onrechte getroffen, om maar niet te spreken van het kledingmerk Lonsdale, dat niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor ontsporingen van hen die Lonsdale dragen, waardoor het merk een negatief stigma heeft gekregen. Sommigen zijn van oordeel dat daarom op de benaming Lonsdalejongeren een taboe zou moeten rusten. Daar is wat voor te zeggen, maar negatieve beeldvorming is naar onze mening niet eenvoudigweg te beïnvloeden en te verhullen door er een andere naam aan te geven. Wij verwachten dat de benaming Lonsdalejongeren van beperkte duur zal zijn, al is nu niet te overzien wanneer de houdbaarheidsdatum precies zal zijn verstreken. Wellicht zal een nieuwe benaming voor extreemrechtse, racistische jongeren haar intrede doen. Dat neemt echter niet weg dat, mede door de vele vormen van respons op het verschijnsel in kwestie, de huidige benaming ‘Lonsdalejongeren’ ons op dit moment zo dominant en beeldbepalend voorkomt dat daar niet omheen te schrijven valt. Wij zullen dat dan ook niet doen. Wat onverlet laat dat wij de verschijnselen die wij op het oog hebben zo nauwkeurig mogelijk trachten aan te duiden. Waar het in deze studie om gaat is de problematiek van extreemrechtse, racistische gabbers – vaak Lonsdalejongeren – alsmede om vormen van respons op deze problematiek. Onze algemene vraagstelling is dus tweeledig. Het eerste deel is gericht op de aard, achtergronden, omvang en spreiding van het verschijnsel extreemrechtse gabbers en incidenten waarmee zij verbonden zijn. Dit deel sluit aan op het betoog over extreemrechtse jongeren in de zesde rapportage van de Monitor racisme en extreemrechts die in december 2004 verscheen. Thans wordt getracht niet alleen een actualisering te bieden, maar tevens met meer precisie dan in 2004 het verschijnsel te belichten. Dit geldt voor cijfermatige aspecten (aantallen groepen en incidenten) en ook voor vragen die in de publiciteit van het afgelopen jaar telkens veel aandacht hebben gekregen. In hoeverre is het ‘Lonsdalevraagstuk’ te beschouwen als een jongerencultuur en in hoeverre hebben we te maken met een extreemrechts, racistisch verschijnsel? Hangt de overlast van deze jongeren samen met een extremistische oriëntatie of hebben we veeleer te maken met een vorm van gewone jeugdcriminaliteit?Het tweede element van de vraagstelling is gericht op diverse reactiepatronen op extreemrechtse gabbers. In dit verband zal worden ingegaan op media, politie, justitie, rechterlijke macht, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (aivd), openbaar bestuur en politiek, jongerenwerk, scholen, het antiracismeveld, extreemrechtse organisaties, allochtone jongerengroepen, de hardcorescene, en het bedrijf Lonsdale. Van diverse zijden is getracht aan de problematiek van extreemrechtse jongerengroepen het hoofd te bieden. In Nederland is door de tot dusverre relatieve kleinschaligheid van de problematiek weinig ervaring opgedaan met specifiek beleid dat op extreemrechtse jongeren gericht is. Omdat men kan leren van elders opgedane ervaringen, zal in aansluiting op de beschrijving van de reactiepatronen in Nederland een korte schets worden geboden van
zogenoemde ‘exit’-initiatieven in Noorwegen, Zweden en Duitsland. Deze initiatieven hebben als gemeenschappelijk doel om rechtsextremisten te assisteren bij het verlaten van het extremistische circuit, maar werken op verschillende manieren.

De informatie en gegevens voor deze studie zijn op uiteenlopende manieren verzameld. Naast de voor de hand liggende aanpak – in casu het benutten van beschikbare open bronnen – zijn wij te rade gegaan bij een aantal personen dat (beroepshalve) bij het Lonsdalevraagstuk betrokken is geraakt. Het gaat onder andere om personen bij de politie, onderwijs, jongerenwerk, openbaar bestuur, nieuwsmedia en het antiracismeveld. Zo heeft in 2005 met een aantal van hen door middel van een besloten werkconferentie een gedachtewisseling plaatsgevonden. Met sommigen is ook daarna nog veelvuldig contact geweest. Deze contacten, alsmede ook die met een aantal informanten in het extreemrechtse veld, hebben bijgedragen aan het vormen van een zo scherp mogelijk beeld van zowel de alledaagse praktijk als ook van ontwikkelingen in het Lonsdalevraagstuk.
Daarnaast is getracht door de opzet van een databestand meer inzicht te krijgen in aantallen rechtsradicale jongerengroepen, hun omvang, regionale spreiding en betrokkenheid bij al dan niet gewelddadige racistische voorvallen.De begrippen radicalisme en radicalisering zijn recent in Nederland volop in gebruik geraakt. Het komt vandaag de dag voor dat rechtsradicalisme gehanteerd wordt daar waar eerder wellicht de aanduiding rechtsextremisme zou zijn gebruikt. Over de vraag of radicalisme en extremisme verwisselbare begrippen zijn, dan wel dat er niet geheel identieke verschijnselen mee worden aangeduid, kan men van mening verschillen. Ook valt op dat het gebruik van het ene dan wel andere begrip vaak tijdgebonden is en aan een zekere modegevoeligheid onderhevig. Hier zal deze discussie niet worden gevoerd of weergegeven. In deze studie worden rechtsextremisme en rechtsradicalisme als hetzelfde beschouwd en als synoniemen gehanteerd.Het onderzoeksverslag is als volgt opgezet. In het navolgende, tweede hoofdstuk staan drie vragen centraal. In hoeverre gaat het (1) om een racistisch, rechtsextremistisch verschijnsel, is er (2) sprake van een jongerencultuur, en/of (3) van een vorm van gewone jeugdcriminaliteit? Het derde hoofdstuk is gewijd aan de aard, spreiding en omvang van extreemrechtse gabbergroepen alsmede van incidenten waarmee deze groepen worden verbonden. De diverse reacties komen aan bod in het vierde hoofdstuk. In het verlengde hiervan worden in het vijfde hoofdstuk enkele exit-activiteiten belicht. Het zesde hoofdstuk bevat een slotbeschouwing met een aantal conclusies.

Drie benaderingen

In de inmiddels welbekende beeldvorming over rechtsradicale Lonsdalejongeren zijn uiteenlopende stereotypen gangbaar. Het eerste is dat van een puberende jongere die een jeugdstijl omarmt om te provoceren en te ageren tegen de omgeving. Dit provocerende gedrag wordt als het ware aangekleed met racistische of extreemrechtse symboliek en kretologie. Daarbij zouden deze jongeren ook ander onmaatschappelijk gedrag vertonen, zoals druggebruik, soms zelfs handel in drugs en andere vormen van criminaliteit (diefstal of vernielingen). Een probleem? Jawel, maar nou ook weer niet om de noodklok krachtig voor te luiden. Een ander stereotype daarentegen is minder onschuldig: extreemrechtse gabbers met een hang naar (racistisch) geweld, substantiële racistische, extreemrechtse ideologische oriëntatie en derhalve sympathiserend met uitgesproken extreemrechtse, nazistische organisaties, die zich juist fel afzetten tegen drugs en criminaliteit.In de af en toe overdadige publiciteit die aan het Lonsdalevraagstuk is gewijd, hebben deze beide stereotypen om voorrang gestreden. Gaat het bij deze jongeren om bevlogen racisten, rechtsradicalen, of gaat het meer om puberaal protestgedrag? Gaat het om een specifieke jeugdcultuur of om een bredere maatschappelijke tegencultuur? Hangt de overlast van deze jongeren samen met een extremistische oriëntatie of hebben we veeleer te maken met een vorm van gewone jeugdcriminaliteit? Deze vragen zullen in het navolgende de revue passeren.

Racisme en rechtsextremisme

Zoals gezegd is de vraag of rechtsextremisme en racisme binnen de gabber cultuur in Nederland serieus moet worden genomen, een in de nieuwsmedia en overheidspublicaties steeds terugkerende vraag. Gaat het hier niet vooral om jongeren(‘pubers’, ‘puistenkoppen’, aldus door ons beluisterde benamingen) die door middel van controversiële meningen willen shockeren of om groepen die er extreemrechtse ideeën op na houden?In een recente nota over Lonsdalejongeren gaat de aivd onder andere op deze vraag in.1 De dienst komt tot de conclusie dat het hier niet om racistische of extreemrechtse jongeren gaat. Deze geruststellende conclusie vloeit voort uit de (beperkende) definities die de aivd voor beide begrippen hanteert. Racisme wordt gedefinieerd als het handelen vanuit beredeneerde overwegingen van biologische inferioriteit. Over het extreemrechtse gehalte van de gabberscene schrijft de aivd: ‘Voor het overgrote deel van de gabbers geldt dan ook dat er weliswaar sprake is van een rechts-extreme houding maar niet van een rechts-extremistische ideologie of sympathie.’ Verder schrijft de dienst: ‘Binnen de gabbercultuur zijn xenofobie, nationalisme en frustratie over de multiculturele samenleving echter wel breed gedragen gevoelens.’In de Monitor racisme en extreemrechts, vijfde rapportage zijn wij op het definitievraagstuk ingegaan.2 Bij discussies over de definiëring van ‘racisme’ draait het decennialang om de vraag in hoeverre de term racisme al dan niet uitsluitend gereserveerd moet worden voor biologistische redeneringen, waarin het ene ‘ras’ – meestal het eigen – hoger wordt gewaardeerd dan het andere (zie de welhaast klassieke studies van Barker en van Miles). 3 De één vindt van niet, de andere van wel. De standpunten van beide kampen – de ‘rekkelijken’ en de ‘preciezen’ – kunnen worden geïllustreerd aan de hand van een reeks uitspraken die alle aan de Nederlandse praktijk zijn ontleend.

1. ‘Allochtonen moeten Nederland uit omdat zij tot een inferieur ras behoren dat niet vermengd mag worden met het onze.’
2. ‘Allochtonen moeten Nederland uit omdat hun cultuur onverenigbaar is met de onze.’
3. ‘Allochtonen moeten Nederland uit omdat zij anders zijn.’
4. ‘Allochtonen moeten Nederland uit.’
5. ‘Nederland voor de Nederlanders.’
6. ‘Vol is vol.’
7. ‘Ik zeg niet dat Nederland vol is, maar het is wel druk.’

Door hen die een voorkeur hebben voor een beperkte definitie, de preciezen, zal alleen de eerste uitspraak als racistisch worden gekwalificeerd, de tweede wellicht
als ‘etnocentrisch’ en de derde, vierde en vijfde wellicht als ‘xenofoob’ of ‘populistisch’. En de zesde en zevende? Die kunnen in dit verband alleen maar afhankelijk van de context worden geïnterpreteerd.In de ogen van de ‘rekkelijken’ echter kunnen misschien wel alle zeven uitspraken als racistisch worden bestempeld, mits zij qua intentie aan elkaar gelijk zijn: ‘allochtonen eruit’. De uitspraken hebben het karakter van een schaal die loopt van extreem naar gematigd. Maar men kan zich op deze schaal echter niet vrijelijk bewegen zonder in moeilijkheden te raken, althans niet in het openbaar. Om problemen te vermijden – bijvoorbeeld een negatief stigma door de nieuwsmedia of een aanvaring met de strafrechter – wordt de racistische politieke boodschap veelal in verhulde termen gepresenteerd. Men laat zich vaak uit in de trant van de vijfde of zesde uitspraak maar bevindt zich in feite hoger op de schaal, soms zelfs zo hoog dat de hierboven gepresenteerde schaal tekort schiet. Ook aan de op het eerste gezicht gematigde uitspraken, zoals ‘vol is vol’, kan een uitgesproken racistische ideologie ten grondslag liggen.Binnen de nogal sterk beperkende afbakening die de aivd kiest, zou alleen de eerste uitspraak racistisch bevonden worden. Daarmee wordt weinig recht gedaan aan (a) de mogelijkheid dat onder relatief gematigde stellingnames wel degelijk radicale opvattingen ten grondslag kunnen liggen en (b) aan diverse andere percepties die bij interetnische spanningen relevant zijn. Ligt het niet voor de hand dat degenen die doelwit zijn van de hierboven opgesomde ‘wegwensingen’ meer gewicht toekennen aan de gepercipieerde intentie waarmee de uitlatingen gedaan worden dan aan de precieze inhoud van de ‘wegwensing’? Niet alleen in kringen van allochtonen, maar in veel bredere kring zijn de opvattingen over wat wel en wat niet als racistisch moet worden beschouwd anders dan die van de aivd. In de dagelijkse praktijk wordt racisme door de verschillende actoren (daders, slachtoffers, politie, bestuurders) ruimer opgevat. Door deze actoren worden veel meer negatieve handelingen en uitspraken, gemotiveerd door de etnische achtergrond van het slachtoffer, begrepen als racisme. Een bredere benadering zou ook meer recht doen aan reactiepatronen die dergelijke handelingen en uitspraken op gang kunnen brengen. Toen in april 2005 een ruit werd ingegooid van een Turkse moskee door een groep gabbers, verzamelde zich in een reactie daarop een fikse groep Turkse jongeren die de confrontatie aangingen met de groep gabbers. Volgens de definitie van de aivd zou dit incident niet racistisch getint zijn, de precieze motieven van de gabbers waren immers niet bekend. Het is zeer de vraag of bij nader onderzoek naar de betrokken gabbers een ideologie zou zijn blootgelegd waarin Turken als biologisch inferieur zouden zijn bestempeld. Toch was er voor geen van de betrokkenen – en niet in de laatste plaats voor de bezoekers van de moskee – onduidelijkheid over de achterliggende motieven van de daders: racisme.Om deze redenen voelen wij meer voor een minder beperkende afbakening van ‘racisme’, waarbij meer recht wordt gedaan aan de bovengeschetste verschillende
inschattingen – in sociologisch jargon: verschillende definities van de situatie –, die nu eenmaal een maatschappelijke realiteit zijn. Daarmee wordt bovendien het gevaar vermeden dat het probleem simpelweg wordt ‘weggedefinieerd’.
Sterker nog, het valt te vrezen dat een beperkende definiëring weinig zal bijdragen aan de oplossing van het vraagstuk wanneer in brede lagen van de samenleving – en in ieder geval bij de slachtoffers – de perceptie van racistisch handelen aanwezig is en bovendien contraproductief kan werken. De overheid waarop men voor bescherming is aangewezen ontkent het probleem, zo zou men kunnen redeneren.

Racisme bestaat in veel gradaties en is ook in de gabberscene in vele vormen aanwezig:
• Op internetfora voor gabbers worden vaak pseudoniemen gebruikt die een afkeer van de multiculturele samenleving laten zien, zoals HollandVolland, Whitesoldier1989 of EigenVolkEerst
• Symbolen die blanke superioriteit uitdrukken, zoals de ‘white power’-vuist en het Keltisch kruis zijn populair in gabberkringen
• Bij anti-islamitische aanslagen en acties in de periode na de moord op Theo van Gogh waren regelmatig gabbers betrokken
• In Roelofarendsveen en Stadskanaal werd geprobeerd woonhuizen van Irakese families in brand te steken. In beide gevallen waren de daders rechtsradicale gabbers.

Bij de vraag naar rechtsextremisme gelden vergelijkbare afwegingen als voor de vraag of deze gabbers als racistisch zijn te typeren. De perceptie van rechtsextremisme – en zeker nationaal-socialisme – is doorgaans gitzwart, terwijl ook hier vele tinten grijs en zwart voorhanden zijn. Door het rechtsextremisme van een te beperkende definitie te voorzien, kan onrecht worden gedaan aan de meer aangepaste, verhulde, want naoorlogse uitingen. Al in de jaren zestig werd dit probleem onderkend door de socioloog Nooij bij zijn onderzoek naar rechtsradicale boeren en de Boerenpartij. Was de Boerenpartij fascistisch, zo vroeg Nooij zich hardop af. 4

Voor wie het fascisme slechts kent als traumatiserende jeugdervaring van angst en honger, is het fascisme identiek aan agressief nationalisme, brute onderdrukking
van minderheden, irrationeel en willekeurig geweld, en uiteindelijk onbegrijpelijke genocide. Geprojecteerd tegen deze achtergrond kan men de sympathisanten van de Boerenpartij (...) onmogelijk fascisten noemen.


Nooij meent dat het in het geval van de Boerenpartij veeleer gaat om mensen die niet begrijpen waarom juist zij de dupe moeten zijn van ingrijpende veranderingen in de maatschappij (in casu de toenmalige problematiek van schaalvergroting in de agrarische sector). Nooij vraagt zich vervolgens af of dit wel voldoende reden is om in dit verband de term fascisme te verwerpen:

Is ons beeld van het fascisme niet een karikatuur die ons verhindert om bewegingen met minder scherpe contouren als potentieel gevaarlijk te onderkennen? Deze mogelijkheid is inderdaad aanwezig. 5

In navolging van Nooij merkte Van Donselaar op in De staat paraat? 6 dat bij pogingen
de contouren te schetsen van het verschijnsel naoorlogs extreemrechts, het predikaat naoorlogs verwaarloosd is, terwijl dat juist in hoge mate bepalend is voor de manier waarop extreemrechts zich sinds de Tweede Wereldoorlog manifesteert, of beter: kàn manifesteren. Dat laatste kan namelijk slechts door zich aan te passen aan het naoorlogse klimaat dat uitermate vijandig is jegens het nationaal-socialisme. Die aanpassing leidt onvermijdelijk tot wat Nooij noemde ‘vage contouren’.Hedendaags rechtsextremisme kent geen scherpe contouren, maar een veelheid aan verschillende verschijningsvormen en definities van de situatie. 7 Over de ideeënwereld van gabbers schrijft de aivd in haar rapportage:

Hoewel deze jongeren zich kenmerken door sterke xenofobe opvattingen en gevoelens die onder andere gevoed worden door incidenten met allochtone jeugdgroepen, is van enige onderliggende rechts-extremistische ideologie of rechts-extremistische politieke motivatie nauwelijks sprake. Dit neemt overigens niet weg dat velen van hen zich doorgaans wel kunnen vinden in de opvattingen van partijen als Nieuw Rechts en de burgerlijk extreemrechtse partij Nationale Alliantie. Genoemde partijen vertolken niet zelden de frustratie over de multiculturele samenleving en de xenofobe en nationalistische gedachten die onder een deel van de gabbers leven. Daarnaast kunnen ook de visies van partijen als de lpf en Groep Wilders op positief onthaal bij sommige gabbers rekenen.

Naar analogie van de benadering van racisme introduceert de aivd hier zware criteria: ‘onderliggende rechts-extremistische ideologie’ en ‘rechts-extremistische
politieke motivatie’. Hiermee wordt voorbijgegaan aan de ‘vage contouren’ die in een aantal studies over rechtsextremisme als juist kenmerkend worden gepresenteerd, zoals Barker en Miles dat bij racisme deden. Verder is het de vraag in hoeverre dergelijke zware criteria betreffende politieke motivatie en ideologie in het algemeen op jongeren van ongeveer vijftien jaar van toepassing zijn. Gabbers met vage extreemrechtse contouren zijn er in overvloed. Er zijn veel krachtige oneliners van hen op te tekenen, niet zo ideologisch gearticuleerd misschien, maar tamelijk consistent waar het gaat om het afwijzen van allochtonen.
Onder de extreemrechtse gabbers die wij zien, bevinden zich wel degelijk jongeren die zich racistisch uiten, die zich fel afzetten tegen de multiculturele samenleving en tegen de gevestigde politieke orde en daarbij vaak in één adem de gehele parlementaire democratie meenemen. Geweld als middel van verzet wordt als toelaatbaar beschouwd en in veel gevallen zelfs gepropageerd als gerechtvaardigd
tegen ‘de vreemde overheersers’. Zij presenteren zich als nationalistisch en keren zich ongemeen fel tegen ‘links’. Al met al karakteristieken die als regel tot de extreemrechtse ideeënwereld worden gerekend.

Een positieve houding ten opzichte van racistisch geweld kan bijvoorbeeld duidelijk
worden waargenomen op het webforum Holland Hardcore. Op dit internetforum, dat is opgezet voor extreemrechtse gabbers, worden racistische brandstichtingen toegejuicht en aangeprezen als verzetsdaden tegen de overheersing door allochtonen. 8

Naast de ideeënwereld zijn er naar onze mening andere indicatoren van belang om het extreemrechtse gehalte van een groepering te kunnen bepalen, zoals sociale genealogie. 9 Daarbij gaat het om vragen als: duiken er in de nieuw gestichte organisatie bekende rechtsextremisten op, zijn zij zelfs betrokken bij de oprichting of (latere) sturing? De indicator sociale genealogie is veelal goed toepasbaar op concrete organisaties die op een bepaald tijdstip zijn opgericht, die dus oprichters hebben, statuten en een bestuur. In het geval van de gabberscene ligt het beantwoorden van de vraag of er sprake is van sociale genealogie ingewikkeld. Er is immers geen sprake van een formele organisatie, oprichting, bestuur en statuten.

Maar toch is er wel iets over te zeggen. Binnen de gabberscene zijn de afgelopen jaren verschillende rechtsextremisten actief geworden. Deels gebeurde dat omdat de stijl hen aansprak, maar deels lagen daar ook andere motieven aan ten grondslag. Zo is bijvoorbeeld Marcel Rüter 10 , een rechtsradicale oudgediende van naam en faam met zijn wortels in de CP’86 en Voorpost, de laatste jaren een actieve bezoeker van gabberfeesten. De contacten die hij daar opbouwt, zijn mede bedoeld om deze jongeren in zekere zin politiek te vormen.

Ook Holland Hardcore is onderwerp van aandacht van diverse bekende rechtsextremisten en extreemrechtse organisaties. Er zijn diverse pogingen gedaan om het forum van deze website te beïnvloeden en discussiedraden te sturen, door deelnemers die geen enkele band met hardcoremuziek of met de gabberwereld hebben. De bedoeling was om extreemrechtse ideeën aan de hand te doen, of te werven en te mobiliseren voor extreemrechtse organisaties of activiteiten.

Zie voor het volledige dossier (80 pagina's): Monitor Racisme & Extremisme - Het Lonsdale-vraagstuk (pdf)

donderdag, april 13, 2006

Spruyt valt even uit zijn rol door Martijn de KONING in PZC 13 april 2006

MIDDELBURG - Tot vlak voor het einde ging het goed. Bart Jan Spruyt had beloofd niet te laten blijken dat hij meeschrijft aan het programma van de nieuwe partij van Geert Wilders. Hij zou als historicus een praatje houden over het neoconservatisme, niet als politicus. Spruyt slaagde in zijn rol, tót hij tegengas kreeg van een aantal ’linkse’ studenten.

„Door al die vreselijke linkse mensen als u hebben we straks niets meer om trots op te zijn.“ Spruyt kon het toch niet laten. Een aantal studenten en docenten van de Roosevelt Academy, die een deel van het publiek vormden, had hem er zojuist op aangesproken dat neoconservatieven het verleden van de westerse samenleving te veel verheerlijken.

„Er zijn genoeg dingen om ons voor te schamen“, riep een jongeman de spreker toe. „Denk maar aan ons koloniale verleden en de jodenvervolgingen. Allemaal gebeurd in onze fantastische westerse wereld.“

Het schoot Spruyt in het verkeerde keelgat. „Dat soort linkse praatjes is hopeloos ouderwets“, beet hij de student vanachter zijn microfoon toe.

En hij had nog zo beloofd het niet te doen. Vorige maand zorgde commissaris van de koningin Wim van Gelder voor wat beroering door aan te geven geen gastheer van Spruyt te willen zijn tijdens diens bezoek aan Middelburg. De historicus was uitgenodigd door het Roosevelt Studie Centrum, dat elke zes maanden een lezing over de betrekkingen tussen Europa en Amerika organiseert.

Ongepast

Van Gelder was verzocht de spreker te ontvangen. Omdat Spruyt als naaste adviseur van Geert Wilders meeschrijft aan het verkiezingsprogramma van diens nieuwe Partij voor de Vrijheid, vond Van Gelder dat ongepast. „Ik kan geen gastheer zijn van een partijpolitieke bijeenkomst“, gaf de commissaris aan.

Spruyt was ontstemd en gaf aan dat hij geen politieke, maar inhoudelijke beschrijving van het neoconservatisme zou geven. Ondanks het feit dat hij fanatiek aanhanger is van die culturele en politieke stroming. Daar hield hij zich aan, tot de studenten van zich lieten horen.

Hoewel het er dus even heftig aan toe ging in de volle filmzaal van het provinciehuis, was de korte discussie het enige moment waarop historicus Spruyt uit zijn rol viel. De rest van de tijd gaf hij een geschiedeniscollege over het ontstaan van het neoconservatisme in de Verenigde Staten en legde hij uit hoe die nu, tachtig jaar later, volledig geworteld is in de Amerikaanse samenleving.

Persoonlijker werd hij toen hij vertelde te hopen dat de stroming ook in Nederland voet aan de grond krijgt. Spruyt gaf aan in de huidige samenleving gelijkenissen te zien met de ontevreden Duitse maatschappij vlak voor de Tweede Wereldoorlog. „Hoe dat afliep, weten we allemaal. Een alternatief voor extreemrechts is het neoconservatisme, dat ik aanhang. Wij willen de huidige samenleving niet vernietigen, in tegenstelling tot de fascisten destijds. Wel willen we bepaalde elementen in de maatschappij inpassen. Zoals trots zijn op onze beschaving en geschiedenis.“ Maar daar kon een deel van het publiek zich niet in vinden.

zondag, januari 29, 2006

Alain de Benoist (GRECE): een Minderheidsrapport door ZYX op Indymedia Oost-Vlaanderen, 19 Januari 2006.

Er was eens een moedige man die er het denkbeeld op na hield, dat de mensen in het water slechts verdronken omdat zij van het idee van de zwaartekracht bezeten waren. Als zij zich dit idee uit het hoofd zouden zetten, door haar tot bijgeloof, tot een religieuze voorstelling te verklaren bijvoorbeeld, dan zouden zij boven ieder verdrinkingsgevaar verheven zijn. Zijn leven lang bestreed hij de illusie van de zwaartekracht, van de schadelijke gevolgen waarvan hem iedere statistiek nieuwe en talrijke bewijzen leverde. Deze moedige man was het type van de nieuwe revolutionaire filosofen in Duitsland. (1)

Het is binnen de linkerzijde lange tijd vrij stil geweest rond de franse conservatieve intellectueel Alain de Benoist en zijn denktank 'Groupement de Recherche et d’Etudes pour la Civilisation Européenne' (GRECE). De blijvende opgang van het Vlaams Blok (Belang) na de Zwarte Zondag van 1991 en de gestaag verminderende invloed van radicaal links, hebben een aantal paniekreacties losgewerkt onder sommige progressieven. Omdat men het Vlaams Belang niet meer kan of wil bestrijden, gaat men op zoek naar verklaringen in hogere sferen. Het vrij onderzoek en het tegensprekelijk debat moeten plaats ruimen voor zwart-wit denken en ideologische zuiverheid. Wie twijfelt, zal branden, zoveel is duidelijk.

Alain de Benoist en GRECE passen perfect in het plaatje van de zondebok. Zo schildert de kwaliteitskrant De Morgen de Benoist af als een "Groot Denker die het bestaan van de nazi-concentratiekampen betwist" (2). Volgens Maaike Versteeg van het antifascistisch internetkrantje Alert spreekt De Benoist drie talen en is dat voor "een franse intellectueel zeer uitzonderlijk, vandaar dat uit haar verband gerukte citaten van Duitse en Engelse (nazi)-intellectuelen in Frankrijk nauwelijks worden tegengesproken." Zij noemt holocaustontkenner Robert Faurisson als de andere en minder subtiele ideoloog van GRECE (3). Pieter Zoomers, eveneens van Alert, ziet grote invloed van de organisatie GRECE op het Front National van Le Pen, maar zou door "haar volksnationalisme, extremisme en heidendom" ervan vervreemd geraakt zijn en nu nog "radicalere extreemrechtse krachten" in Frankrijk steunen (4). De tentakels van het paganistische GRECE reiken zo ver, weet journalist en politiek adviseur Jan De Zutter, dat de "aanhangers van het Germaanse heidendom het voortouw nemen in de acties rond de bescherming van het Scheldedorp Doel" en dusdanig de expansie van de Antwerpse haven in het gedrang brengen (5). Je zou voor minder een ideologische schutskring opzetten.

Wie zich een oordeel wil vormen over het Franse Nouvelle Droite van Alain de Benoist wordt vrij snel geconfronteerd met de beperktheid van het (bron)materiaal. In het Nederlands vind je bijna niets, niet op het internet en niet in de boekhandel of de bibliotheek. Enkele minder belangrijke teksten kunnen op de website van 'Les Amis d'Alain de Benoist' worden geraadpleegd. Naast het werk van Alain de Benoist zelf, is er de thesis van Sofie Delporte over 'Nieuw Rechts in Vlaanderen - Het gedachtegoed van het Nieuw Rechtse tijdschrift TeKoS' (6). De webstek van het Vlaams Belang biedt geen soelaas: Alain de Benoist en GRECE kent men daar niet.

Om de lezer niet helemaal op zijn honger te laten zitten, geef ik u hieronder enkele feiten, citaten en verwijzingen over Alain de Benoist en GRECE. Weet dat deze presentatie gebeurt met een beperkte kennis van zaken en misschien in niet geringe mate persoonlijk gekleurd is.

1. Alain de Benoist en GRECE

Alain de Benoist (geb. Tours 11.12.1943). Studeerde aan o.a. de Sorbonne. Was als student actief als militant van extreem-rechts. Auteur, journalist, spreker en filosoof; oprichter en beheerder van GRECE. Publiceerde meer dan vijftig boeken en duizenden artikels. Kreeg in juni 1978 de Grand Prix de l'Essai de l'Académie française voor zijn boek 'Vu de droite. Anthologie critique des idées contemporaines'.
GRECE: Groupement de Recherche et d'Etudes pour la Civilisation Européenne.
"De eerste contacten voor de stichting van GRECE vonden plaats in de herfst van 1967. De vereniging werd opgericht in januari 1968 (en dus voor mei ’68) in Nice. Het eerste nummer van het tijdschrift van de vereniging, 'Nouvelle Ecole', is gedateerd februari-maart 1968."
"GRECE werd opgericht met de bedoeling een denktank of werkgemeenschap te vormen die tot taak had een coherente rechtse ideologie te ontwikkelen en een rechtse wereldbeschouwing algemeen ingang te doen vinden via een metapolitieke strategie. Alain de Benoist werd de belangrijkste kracht achter deze metapolitieke beweging. Volgens Taguieff heeft deze laatste van de Nouvelle Droite een sterk gepersonaliseerde beweging gemaakt." (Sofie Delporte - Nieuw Rechts in Vlaanderen - 2001)


2. Nieuw Rechts

"De erkenning van 'le droit à la différence’ of 'het recht op verschillend zijn’ is het centrale element in het Nieuw Rechtse tegenproject."
"Het biologisch racisme, gedefinieerd als uitingen van vijandigheid van het ene ras jegens het ander voortkomend uit een gevoel van meerwaarde, vindt men niét in dergelijke vorm terug bij Nieuw Rechts. Nieuw Rechts verdedigt 'le droit à la différence’ en pleit voor het behoud van de culturele eigenheid van elk volk. Daarbij wordt voortdurend benadrukt dat geen enkel ras of cultuur superieur is. Het gevaar van het opduiken van wat Taguieff noemt 'differentieel racisme’ is hier echter reëel."
"Nieuw Rechts verdedigt een eigen rechts tegenproject, maar wil die niét realiseren via een revolutie van rechts, die in de gegeven omstandigheden overigens geen kans op slagen heeft. Ze wil haar project realiseren via een metapolitieke strategie. Nieuw Rechts vertrekt van het principe dat het verwerven van de politieke macht slechts mogelijk is na het verwerven van de culturele macht." (Sofie Delporte - Nieuw Rechts in Vlaanderen - 2001)

"Antiracisme dat uitgaat van de bestaande verschillen - en daarin bevinden wij ons - daarentegen, denkt dat de niet herleidbare verscheidenheid binnen de menselijke soort er juist de rijkdom van vormt. Wij willen weer zin aan het universele geven, niet door ons te weer te stellen tegen de verscheidenheid, maar door deze juist als vertrekpunt te nemen. Voor onze denkrichting houdt de antiracistische strijd noch ontkenning van het bestaan van rassen in, noch het streven om ze in een allegaartje te laten samenvloeien: wij verwerpen zowel uitsluiting als de assimilatie. Geen apartheid en geen melting pot: aanvaarding van de andere als van ons verschillend, in het vooruitzicht van een elkander verrijkende dialoog.
Immigratie is niet wenselijk, niet voor de inwijkelingen (migranten) die hun geboorteland moeten verlaten en in een ander land economische behoeften moeten aanvullen, maar ook niet voor de bevolking van de ontvangende landen die zich ongewild geconfronteerd zien met soms drieste veranderingen in hun menselijke omgeving en hun stedelijk leefmilieu. De vraagstukken van derde-wereldlanden worden duidelijk niet opgelost door grootschalige volksverhuizingen. Wij staan dus voor een restrictief immigratiebeleid, geflankeerd door een meer doelmatige ontwikkelingssamenwerking, om de in de Derde Wereld nog florerende organisch gegroeide saamhorigheid en traditionele levenswijzen, die door het wereldwijde vrije-marktdenken uit het lood zijn geslagen, er weer bovenop te helpen." (Alain de Benoist & Charles Champetier - Manifeste: la Nouvelle Droite de l'an 2000 - 1999)


3. Medestanders en tegenstanders

"Dans les années 1980, le GRECE entame un recentrage, Alain de Benoist affichant des thèses tiers-mondistes. Plusieurs membres importants du GRECE le quittent, comme Pierre Vial, qui rejoint le Front national ou Guillaume Faye, qui poursuit une carrière dans la presse avant de revenir en politique en 1998, défendant des thèses radicales qui gênent les positions désormais plus consensuelles de de Benoist. La plupart des maîtres à penser du GRECE, néanmoins, ne croient pas à la solution politique incarnée par le Front national, d'autant plus qu'idéologiquement, ce parti comprenant certains catholiques traditionalistes ne fait pas bonne composition avec les intellectuels néo-païens du GRECE. Ces dernières années, le GRECE a surtout développé l'idée d'une Europe puissante politiquement et débarrassée du joug américain et du néoliberalisme." (Wikipedia)

"It is not true that the National Front registered its first successes after having found a respectable theoretical framework in the formulation of the "right to difference." In a general (or local) election, people are not interested in theoretical frameworks. On the contrary, it was because of its radical xenophobic and anti-immigrant position that the National Front gained most of the vote. Moreover, the National Front never tried to elaborate any theoretical frameworks!" (Alain de Benoist - Three Interviews With Alain de Benoist - Telos 1993-1994)

"If I have criticized the National Front, it’s simply because I don’t share its ideas. To believe (and to make believe) all problems would automatically be solved by ending immigration is obviously counterfactual. In making immigration the pivot of its political discourse, the National Front condemns itself to being the party of xenophobia and exclusion, which means it will never obtain power. There is little doubt that immigration is a problem, but it is not responsible for the loss of French identity. Rather, it’s the previous loss of their identity that makes the French unable to understand why immigrants want to maintain their own. The main reason for the dissolution of identities in our world is the logic of commerce, which eradicates any kind of symbolic guarantee in the exchanges; the result is the disappearance of all identitarian references beyond material consumption and the logic of monetary benefits. The National Front is also a nationalist, antifederalist, antiregionalist, anti-European Jacobin party. On all these counts I oppose it." (Bryan Sylvian - European Son an interview with Alain de Benoist - The Occidental Quarterly - 2005)


4. Kritiek

"'Nouvelle Droite' n'est plus aujourd'hui qu'une étiquette vide, une désignation dénuée de référence précise. Donc trompeuse. Mais l'expression conserve une valeur caractérisante pour désigner le mouvement de refonte idéologique du 'nationalisme européen', lancé et animé par le GRECE depuis sa création, a la fin des années 1960. Jusqu'en 1981, le GRECE a diffusé les é1éments d'un corps de doctrine dans l'espace des droites françaises. Entre 1981 et 1989-1990, le GRECE a perdu sa fonction 'métapolitique', et ce n'est pas a son influence diffuse que la droite aura du son triomphal retour au pouvoir. Mais le GRECE, avec son principal 'guide spirituel', A. de Benoist, aura en même temps gagné une place inattendue, imprévisible encore en 1983-1984, dans le paysage intellectuel français. Le déplacement des positions du GRECE, de 1968 à 1993, est saisissant: de la défense de la 'civilisation occidentale' á la 'dénonciation de l'occidentalisme', de l'éloge de l'inégalité au culte de la différence ('Le droit à la différence. Pour en finir avec tous les totalitarismes', Eléments, n°33, février mars 1980), de l'impératif de 'défendre les valeurs fondamentales de notre civilisation' (Eléments, no 1, 1973, p, 7) à la 'nouvelle alliance' Europe -Tiers Monde (Eléments, n° 48-49, hiver 1983-1984).
L'anti-américanisme radical est la conclusion politique du différentialisme culturel. A la fin de son article publié par L'Idiot international, le 16 janvier 1991, ou Jean-Edern Halfier dénonçait l'Amérique comme l'ennemie publique du monde entier' (éditorial), A. de Benoist, en anti-impérialiste conséquent, affirmait: u L'enjeu de l'avenir, c'est le maintien de la diversité du monde. En d'autres termes: la cause des peuples, de tous les peuples, contre l'Homo oeconomicus américain'. Dans la vision manichéenne du 'tiers-mondisme de droite', l'Amérique incarne bien la figure du 'Grand Satan'. Il est difficile de ne point sataniser ... Autant que de rester d droite, quand on pense a gauche et à droite, et qu'on assume l'ambiguïté (la revue Krisis se déclare 'de gauche et de droite'). Désormais plus proche, par son anti-américanisme et son antilibéralisme, de L'Idiot international ou du Monde diplomatique que du Figaro-Magazine ou de Valeurs actuelles, A. de Benoist, si son passé et ses ambiguïtés n'empêchaient pas de le lire naïvement, pourrait apparaître comme un des derniers gauchistes français! D'ou le malaise qu'il provoque chez les amateurs de distinctions nettes. Trajectoire de transfuge ambigu qui reste á étudier sans oeillères. Et avec un souci comparatif: des deux jeunes militants nationalistes des années 1960, 'François d'Orcival' et 'Fabrice Laroche', l'un est devenu défenseur d'un Occident 'libéral' sous tutelle américaine, tandis que l'autre a fini par rejoindre le camp des ennemis du 'messianisme du 'bible and business'. Camp politiquement hétérogène, peuplé de tous les défenseurs des identités et des formes d'enracinement, qui se distribuent sur plusieurs niveaux, mutuellement exclusifs (national, ethnique, régional, etc.). Concluant une conférence prononcée le 24 novembre 1985, A. de Benoist affirmait ainsi la valeur suprême de son mouvement: 'SOS Racisme, disent certains. Nous répondons: SOS Racines'. (Une certaine idée de la France, Paris, Editions GRECE/Le Labyrinthe, 1985, p. 87). Racines, identités: tel est le nouvel absolu." (Pierre-Andre Taguieff - Origines et métamorphoses de la Nouvelle Droite - 1993)

"Both anti-Americanism and the critique of Christianity are symptomatic of a problematic feature of the New Right in general and Benoist in particular, which may account for (but not justify) some of the Left vigilantes' hostility. As Taguieff has carefully documented, since its creation in 1968 the New Right has changed its positions so often and so drastically that it now confronts a credibility problem. Are the new views on race merely rhetorical decoys to legitimate the same old biological racism of a couple of decades earlier? Is 'the right to difference' a stratagem to justify a new kind of cultural apartheid meant to guarantee the purity of European (Aryan?) civilization? Is the critique of the nation and the re-discovery of federalism but another means of attacking equality and thereby indirectly relegitimating old hierarchical structures? Is the critique of liberalism ultimately a justification for the standard conservative project of dismantling the centralized redistributive state apparatus? Presumably, the Left vigilantes would answer most it not all of these questions in the affirmative. On the basis of what has been published, there is a remote possibility that they could be right, but this is extremely unlikely. At any rate, no convincing arguments have been provided to that effect and, consequently, it remains idle speculation concerning possible motives. Rational discourse, however, cannot bother with unverifiable motives and must take ideas at race value. What one explicitly says and writes must be considered more important than what can be surmised about what one 'really' means, on the basis of conspiracy theories, intuition or just plain suspicion. When and if these sinister meanings are clearly articulated and documented, then they should be criticized and attacked. To do so prematurely is intellectually irresponsible." (Paul Piccone - Confronting the French New Right: old prejudices or a new political paradigm? - Telos 1993- 1994 n. 98-99)

As for the academic industry which has grown up around the ND, the data assembled in part two of our investigation should cumulatively demonstrate that those who simplistically accuse it of posing a fascist threat to democracy or of being in cahoots with racist or neo-fascist parties certainly need to do a bit more homework before they rush into print. By the same token, those who dismiss out of hand such allegations or see the contemporary ND as no longer belonging to ‘extreme right-wing space’ might be encouraged by our findings to reconsider their position. It is thus necessary to turn our attention in the concluding part of this article to the ND itself, focussing, not on the public arena of assertion and counter-assertion, but on something which all too often gets left out of account in interviews with the putative extreme right, namely statements made in black and white in its own publications. (Roger Griffin - Between metapolitics and apoliteia: the New Right’s strategy for conserving the fascist vision in the 'interregnum' - 2000)


5. Uitleiding

Geen conclusies, wel een uitleiding: onderaan dit artikel vindt de lezer een literatuurlijst met verwijzingen naar artikels en boeken over Nieuw Rechts. Deze beperkte lijst richt zich in de eerste plaats op het internet en hopelijk kan ze een kleine aanzet vormen voor verder onderzoek en debat. Thomas Sheehan van de 'New York Review of Books' noemde Alain de Benoist "a better writer, a clearer thinker, and a much more dangerous figure". De keuze is aan u.

Om te besluiten een mooi stuk van Gie van den Berghe: Gott mit uns!

"Dit alles geldt eveneens voor de fixatie op extreem-rechtse partijen, bijvoorbeeld het Vlaams Blok. Deze onmiskenbaar heterofobe en racistische partij, geboren uit en gedreven door virulent groepsegoïsme, wil een aantal wezenlijke democratische beginselen en verworvenheden afbouwen en verdraagzaamheid voor anderen (kleurlingen, vrouwen, jongeren, homoseksuelen...) opheffen. Ze bepleit in feite een terugkeer naar een vroegere fase uit het politiek en sociaal emancipatieproces. Veel van wat in het eerste hoofdstuk van dit essay, Jedem das Seine, wordt uiteengezet, vindt men minstens in aanleg bij deze partij terug. Dat lijdt geen twijfel. Twijfelachtig is de politiek-ideologische instrumentalisering van extreem-rechtse partijen door hun tegenstanders. Extreem-rechts wordt met álle zonden beladen. In eigen rangen zou geen spoor van onverdraagzaamheid, sexisme of racisme te bespeuren vallen. Alle aandacht, energie en tijd gaat dan ook naar deze vermeende bron van alle kwaad. Onderliggende problemen, de voedingsbodems van extreem-rechtse partijen, de oorzaken van hun electoraal succes, laat men daardoor dikwijls ongemoeid. Iedereen die al eens op café gaat, het openbaar vervoer gebruikt, iedereen die al eens onder het volk komt, wéét dat de angst voor de ander en de haat die in zijn verlengde ligt, wijd verspreid zijn. Daaraan moet iets gedaan worden. Deze voedingsbodem voor extreem-rechts ideengoed moet verder onderzocht, ontgonnen en in cultuur gebracht worden. Micro- en macro-sociale oorzaken, individueel-psychische en sociaal-economische frustraties en angsten moeten in de mate van het mogelijke weggenomen worden. Mensen moeten de kans krijgen op een cultuur die verdraagzaamheid voor andere culturen niet alleen predikt maar mogelijk, uitvoerbaar en leefbaar maakt. Om het risico op herhaling van ten top gedreven onverdraagzaamheid - georganiseerde uitroeiing van de ander te verkleinen, moet extreem-rechts zeer zeker bestreden worden, maar waarschijnlijk nog essentiëler is het de grondslagen van deze ideologie bloot te leggen en dááraan te werken. Alarmerende verkiezingsresultaten van extreem-rechtse en extreem-linkse partijen kunnen gebruikt worden als indicatoren van maatschappelijke onvrede en frustratie. Niet het alarmsignaal, het symptoom, moet worden bestreden maar de onderliggende, reële samenlevingsproblemen en hun oorzaken. Het gebrek aan ideologische zingeving na het failliet van de grote zingevingsverhalen, de groeiende onbetrouwbaarheid en ongeloofwaardigheid van het politieke bedrijf, het almaar toenemend individualisme en egocentrisme, extreme consumptiegerichtheid en sociaal-ideologische apathie; de verbredende kloof tussen kiezers en verkozenen, tussen volk en politiek, tussen rijk en arm, tussen autochtoon en allochtoon; het wederzijds onvermogen om vreedzaam en op gelijke voet met elkaar samen te leven; de sociale, economische en politieke achterstand en achteruitstelling van vele migranten; het onvermogen en de onwil om anderen te aanvaarden zoals ze zijn, het onvermogen en de onwil eigen onverdraagzaamheid onder ogen te zien. Om maar iets te noemen... Dááraan moet iets gedaan worden."


Noten:

1) Karl Marx en Friedrich Engels - De Duitse ideologie - 1845
http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1845/duitse_ideologie/
(2) Douglas De Coninck en Jeroen de Preter - Eigen folk eerst? De Morgen 22.02.2003
http://ovl.indymedia.org/news/2006/01/8755_comment.php#8938
(3) Maaike Versteeg - GRECE, ideoloog van 'Nieuw Rechts' - Alert! 1/1999
http://www.xs4all.nl/~afa/alert/archief/grece.html
(4) Pieter Zoomers - De nieuwe vrienden van Religie en Mystiek, deel IV - Alert! september/oktober 2004
http://www.xs4all.nl/~afa/alert/3_8/RM38.html
(5) Jan De Zutter (interview) - Journalist ontdekt nieuwe heidenen in Vlaams Blok - De Standaard 17.09.2000
http://www.samhain.dds.nl/archive/teksten/zuttxt.html
(6) Sofie Delporte - 'Nieuw Rechts in Vlaanderen - Het gedachtegoed van het Nieuw Rechtse tijdschrift TeKoS' - 2001-2002
http://www.ethesis.net/nieuw_rechts/nieuw_rechts_inhoud.htm

maandag, december 19, 2005

Germanist Jerker Spits promoot Hitlers ideologische voorvaderen door Eric KREBBERS in De Fabel v/d Illegaal nr. 73 najaar 2005.

Naast zijn onderzoek aan de Leidse universiteit publiceert germanist Jerker Spits regelmatig lovende artikelen over de conservatieve revolutionairen die de ideologische basis legden voor het nazisme. Hij schrijft onder meer voor het extreem-rechtse Junge Freiheit, een Duits nieuw-rechts blad dat streeft naar een nieuwe conservatieve revolutie.

"De conservatieve revolutionairen uit het Duitsland van de Republiek van Weimar wezen de maatschappelijke nivellering die uitging van de democratie strikt van de hand. Zij presenteerden zich in hun geschriften als onverzoenlijke vijanden van Verlichting, liberale democratie en humanisme", aldus Spits in een lang artikel (1) in het Trouw-katern Letter en Geest. Dat katern staat onder redactie van de nieuw-rechtse opiniemaker Jaffe Vink.(2) Spits schreef verder dat de conservatieve revolutionairen "droomden van een Duits of Pruisisch socialisme, dat egalitaire stromingen als het marxisme en de liberale democratie zou beteugelen en dat gebaseerd moest zijn op de Pruisische tradities van discipline, ascese en gehoorzaamheid. Niet de klassenloze of op gelijkwaardigheid gebaseerde maatschappij, maar een machtig Duits rijk - door Möller van den Bruck al in 1923 aangeduid als "Das dritte Reich" - moest de vrucht van hun inspanningen worden." Spits blijkt de conservatieve revolutionairen politiek goed te kunnen plaatsen. Zijn artikel is echter geen kritische beschouwing, maar loopt uit op een pleidooi voor rehabilitatie.


Ondanks zijn afstandelijke en zogenaamd neutrale "wetenschappelijke" stijl, zijn Spits' artikelen over de conservatieve revolutionairen niets anders dan regelrechte propaganda en pleidooien om te leren van hun extreem-rechtse ideologie. Volgens Spits zouden de conservatieve revolutionairen namelijk het antwoord hebben op vrijwel alle huidige problemen. Uitgebreid verwoordt hij steeds de argumenten van hedendaagse nieuw-rechtse opiniemakers die de revolutionaire conservatieven willen rehabiliteren, en die "de moed" zouden hebben om "standpunten in te nemen die lange tijd als politiek incorrect waren beschouwd". Van critici vermeldt hij niet veel meer dan dat ze "schuim op de mond" zouden hebben en dat ze "als bokken op de haverkist" zouden zitten. Ook zouden ze last hebben van "een preoccupatie met het nationaal-socialistische verleden". Rehabilitatie zou volgens Spits echter "een noodzakelijke en onvermijdelijke correctie" vormen.

Schmitt en JüngerSpits neemt het regelmatig op voor conservatieven als Arnold Gehlen, Oswald Spengler en Wilhelm Röpke, maar vooral voor de keiharde antisemiet Carl Schmitt. Die was voorstander van dictatuur en het vernietigen van vijanden via nietsontziend geweld.(3) "Het liberale Westen heeft een anti-liberaal als Schmitt juist nodig om zijn gebreken in te zien", beweert Spits. Nu er een oorlog tegen terrorisme gevoerd wordt, zou men met Schmitt moeten gaan inzien dat "de eigenlijke politieke onderscheiding de onderscheiding tussen vriend en vijand is". Ideeën en menselijkheid zouden er niet meer toe doen.

Van Ernst Jünger (4) is Spits zo mogelijk nog een grotere fan. Hij publiceert regelmatig over zijn held en is ook bijzonder actief bij de Ernst Jünger-fanclub op internet. De militarist Jünger was ook een voorloper van de Duitse nazi's en bekritiseerde hen - toen ze eenmaal aan de macht waren - vanaf de rechterkant. Ook Jünger verheerlijkte de oorlog. Hij genoot letterlijk van geweld en meende dat men pas echt leefde wanneer men iemand doodde. "Ik haat democratie als de pest", schreef Jünger verder. Ook was hij een virulent jodenhater, en sprak hij zich na de Tweede Wereldoorlog uit tegen de shoah omdat daardoor allerlei "joodse eigenschappen" juist verder verbreid zouden zijn geraakt over de wereld. Maar "toch is het niet terecht om Jünger in het nazistische klimaat van de jaren dertig op te sluiten", meent Spits. "Een aardbeving valt niet te wijten aan de seismograaf die de beving waarneemt."

"Na de Tweede Wereldoorlog werden Carl Schmitt en Ernst Jünger als geestelijk wegbereiders van het Derde Rijk beschouwd", schrijft Spits ietwat verongelijkt. Lang overheerste volgens hem "de preoccupatie met het verleden". Maar men zou niet moeten kijken naar wat er uiteindelijk uit de conservatieve revolutie is voortgekomen. Nee, men zou juist een "open dialoog" moeten voeren met de ideeën van Schmitt en Jünger. Volgens hem blijkt "de scherpe kritiek van Jünger en Schmitt op de liberale, gedepolitiseerde maatschappij in toenemende mate te inspireren". Terecht, aldus Spits, want "wie zijn oor te luister legt bij het gezag en meesterschap van Jünger en de zijnen mag rekenen op een individuele ontplooiing die hoogstaander is dan welke vorm van emancipatie dan ook".

Links McCarthyanisme

Net als zijn revolutionair-conservatieve helden, bestrijdt Spits alles wat progressief en democratisch is. In een recent artikel (5) in opnieuw Letter en Geest breekt hij een lans voor het offensief van de Amerikaanse uiterst rechtse Heritage Foundation tegen het vermeende "linkse McCarthyanisme" op de universiteiten. "Studenten in de letteren zouden hun studies moeten beginnen met het lezen van boeken die in de geschiedenis van de westerse beschaving een sleutelrol hebben gespeeld. We moeten Plato weer gaan bestuderen als dat wat hij is: een grote westerse denker en niet een antieke wegbereider van het fascisme. We moeten de bijbel lezen als een bron van de westerse beschaving en als religieuze inspiratie. Niet als een boek dat de mensheid eeuwenlang zou hebben geknecht", meent Spits. Wetenschappers moeten "de belangrijke boeken uit de westerse filosofie en literatuur niet opsluiten in hun historische context", schrijft de germanist, maar "beseffen dat hun inhoud voor alle tijden geldig is". Hij ergert zich er dood aan dat begrippen als "westerse cultuur", "mannelijkheid" en "nationalisme" gedeconstrueerd worden tot louter voorstellingen "in dienst van een dominante ideologie". Hij neemt "krachtig stelling tegen dit anti-autoritaire denken".

Spits schreef enkele artikelen en boekrecensies in het VVD-blad Liberaal Reveil over het conservatisme. Hij neemt ook actief deel aan de studentenactiviteiten van de conservatieve Burke stichting.(6) Graag citeert hij Edmund Burke en hij is vooral gecharmeerd van diens uitspraak dat individuen geen "overal geldende natuurlijke rechten" hebben.(7) In de nieuwsbrief van de Burke stichting verscheen een lovend stuk van Spits over de Duitse oerconservatieve econoom Wilhelm Röpke, dat eerder in Jaffe Vink's Trouw-katern stond.(8) Röpke was tegen "de moderne massademocratie" en wilde middeleeuwse verhoudingen terugbrengen. Door zo het conservatisme en het liberale marktdenken te verenigen wilde hij het kapitalisme redden. Spits spreekt zich in het stuk ook uit tegen "uitgebreide sociale voorzieningen" en "gelijke erkenning voor de wet", omdat daardoor deugden ondermijnd zouden worden "die voor een vrije en rechtvaardige samenleving noodzakelijk zijn".

Junge Freiheit

In Duitsland publiceert Spits in nieuw-rechtse bladen als Junge Freiheit en Sezession, die de conservatieve revolutie weer tot leven willen wekken. Junge Freiheit probeert zich voor te doen als een gewoon opinieblad, maar daar trapte zelfs het Duitse Hooggerechtshof niet in. Dat oordeelde in 1997 en 2001 dat Junge Freiheit zich keert tegen het principe van democratie en het verbod op discriminatie. Naast neutralere artikelen publiceert het blad volgens het gerechtshof veel racistische en antisemitische stukken, waarin ook denigrerend over holocaust-slachtoffers gesproken wordt.(9) De naam Junge Freiheit verwijst overigens naar de groeiende, maar nog prille vrijheid om weer openlijk extreem-rechts te mogen zijn.

Spits schreef voor Junge Freiheit al meer dan 50 artikelen, de meeste over actuele debatten in Nederland. Zo berichtte hij destijds dat links Fortuyn vermoord zou hebben en raakt hij momenteel niet uitgeschreven over de opkomst en "moed" van Geert Wilders, "de hoop van veel migratietegenstanders". Spits schenkt zoveel aandacht aan de opvattingen van voormalig Burke stichting-voorzitter Bart Jan Spruyt, dat zijn lezers het idee zullen hebben dat Spruyt Nederlands meest invloedrijke opiniemaker is. Enthousiast bericht hij ook over Bolkestein, Fortuyn en Verdonk. Tussendoor schenkt Spits ook regelmatig aandacht aan alles dat met de "briljante" Carl Schmitt en Ernst Jünger van doen heeft. Hij recenseert zowat ieder boek dat over zijn bewierookte helden uitkomt, promoot regelmatig "moedige" extreem-rechtse opiniemakers die hen willen rehabiliteren en komt zelfs op de proppen met de vergeten broer van Ernst Jünger, Friedrich Georg Jünger, die ook een leidende figuur zou zijn geweest bij de conservatieve revolutie.

In juli 2005 schreef Spits ook een artikel in het kwartaalblad Sezession van het nieuw-rechtse Institut für Staatspolitik (IfS).(10) IfS-oprichter Karlheinz Weißmann wil via Sezession het revolutionair conservatisme dominant maken in de christen-democratische CDU/CSU. Zijn uiteindelijke doel, zo geeft hij ruiterlijk toe, is de maatschappelijke macht. Sezession werkt nauw samen met GRECE, de denktank van het Franse extreem-rechtse Front National. GRECE-leider Alain de Benoist was op 16 september 2000 spreker op het eerste IfS-congres en is overigens ook columnist in Junge Freiheit. Het artikel van Spits in Sezession gaat over het Vlaams Belang. In hetzelfde nummer staat ook een artikel van de revisionist Ernst Nolte, bekend van zijn pleidooi om holocaust-ontkenners als serieuze geschiedschrijvers te beschouwen. Verder staan er in Sezession regelmatig stukken van en over extreem-rechtse auteurs als Oswald Spengler, Julius Evola en Carl Schmitt.

Noten

1. "De omstreden erfenis van de Conservatieve Revolutie", Jerker Spits. In: Trouw, 14.12.2004.
2. "De kruistocht van Jaffe Vink", Eric Krebbers. In: Fabel Archief.
3. "We hebben een anti-liberaal juist hard nodig", Jerker Spits. In: Trouw, 14.4.2005. En: "Vriend en vijand. Over Carl Schmitts Der Begriff des Politischen", Jerker Spits. In: Filosofie 3, juni/juli 2002.
4. Voor meer over Ernst Jünger zie bijvoorbeeld: "Der veredelte Faschist", Jutta Ditfurth.In: Jungle World.
5. "Pleidooi voor de westerse canon", Jerker Spits. In: Trouw, 25.6.2005.
6. "Conservatieven willen verworvenheden vrouwenbeweging terugdraaien", Eric Krebbers en Inge van de Velde. In: Fabel Archief.
7. "Het westen moet vrijheid eer aan doen", Jerker Spits. In: Trouw, 11.8.2004.
8. "Markt, massa en moraal: over de conservatieve econoom Wilhelm Röpke", Jerker Spits. In: Trouw, 24.1.2004.
9. "Freie Rechtsschreibung", Andreas Speit. In: Jungle World.
10. "Heulende Heroen", Jean Cremet. In: Jungle World.

zondag, november 27, 2005

De Burke Stichting staat paraat door Pieter VAN OS en Hubert SMEETS in De Groene Amsterdammer nr. 42 - 2005

Red. Agora Europae - Dit artikel plaatsen wij hier omdat enerzijds er aardige gelijkenissen lopen met de activiteiten destijds van SOS (zoals hieronder in andere artikelen beschreven), op het gebied van metapolitiek. Anderzijds, omdat de huidige politieke ontwikkelingen op 'rechts', rondom het 'Fortuynisme'(dat nieuwrechtse invloeden niet ontzegd kan worden, zie het Manifest voor Europees Herstel en Vernieuwing op de verwijzing 'Van Rechts Gezien') en andere nieuw-conservatieve krachten voor de inzet van de nieuwrechtse en identitaire visies van belang kunnen zijn.

De Burke Stichting staat paraat

Eind april 2005 schreef Bart Jan Spruyt in een interne beleidsnotitie dat de Edmund Burke Stichting zich moet voorbereiden op het moment dat «de ultieme provocatie of een crisis het systeem doet imploderen en on-gekende politieke ruimte schept». Op dat uur U zou de Burke Stichting dan als enig geloofwaardig alternatief «klaar» moeten staan. De toestand van Nederland volgens de «herstichte» Edmund Burke Stichting.

WASHINGTON/AMSTERDAM – In januari 2005 maakte kamerlid Geert Wilders een korte reis door de Verenigde Staten om in contact te komen met geestverwanten uit de Amerikaanse journalistiek, politiek en wetenschap. De reis was mede georganiseerd door directeur Bart Jan Spruyt van de Edmund Burke Stichting. De Amerikaanse multinational Pfizer gaf in New York ook acte de présence. Pfizer was toen een van de sponsors van de Edmund Burke Stichting, de conservatieve denktank die daarover discreet zweeg, totdat De Groene Amsterdammer vorige week de naam van Pfizer bekendmaakte.
Spruyt bevestigt nu ook dat het farmaceutische bedrijf zijn stichting in de loop der jaren heeft gesponsord, en wel met twee ton. In lijn met het officiële beleid van Pfizer wil hij echter geen concrete bedragen noemen.
Betrouwbare bronnen van De Groene Am sterdammer komen tot een andere cijfermatige opstelling dan Spruyt. Om precies te zijn: in 2001 (in februari dat jaar werd de Burke Stichting opgericht) betaalde Pfizer 15.000 dollar voor een lezing van de Britse conservatief Roger Scruton. In 2002 betaalde het bedrijf een zogeheten startsubsidie van 25.000 dollar. In 2003 volgde een bedrag van 121.000 dollar, in 2004 werd 145.000 dollar uitgekeerd en in 2005 is Pfizer met 125.000 dollar over de brug komen. Dat komt in totaal neer op 431.000 dollar, inderdaad iets minder dan de 460.000 die dit weekblad vorige week meldde.
Voor Spruyt (binnenkort onbezoldigd be stuurslid) is de belangstelling van Pfizer voor zijn reis naar de VS met Wilders nog steeds een aanwijzing dat het farmaceutische concern níet om politieke redenen de financiering van de stichting heeft gestopt. «Er is geen causale relatie. Als ik nu een voorstel zou indienen, en dat voorstel zou goed zijn, zou ik van Pfizer gewoon weer geld voor 2006 kunnen krijgen», aldus Spruyt. De officiële verklaring van Pfizer over de onderlinge verhoudingen verwijst immers niet expliciet naar Wilders als reden om de samenwerking te staken. «In alle landen waar wij zaken doen, proberen we het gezondheidszorgdebat te voeden, en als de Burke Stichting daartoe ook dit jaar opnieuw veelbelovende plannen heeft, zijn we zeker bereid die serieus in overweging te nemen», aldus de woordvoerder van het farmaceutische bedrijf. Maar sub rosa werd de breuk op de burelen van de multinational een tikje anders uitgelegd. «Wij financieren nooit denktanks met directe politieke banden», aldus een medewerker van Pfizer op basis van anonimiteit. «De Burke Stichting wilde iets anders dan wij. Het had geen zin meer onze samenwerking voort te zetten.»
Dat laatste spoort met het verschil van inzicht dat al eerder aan het licht was gekomen bij die bijeenkomst met Wilders en Spruyt in New York. Gary Rosen, redactiechef van het tijdschrift Commentary dat het initiatief daartoe had genomen, herinnert zich: «Onze verschillen van inzicht concentreerden zich op drie punten: islamisering, anti-immigratie beleid en de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Op enkele studies en artikelen naar het opkomende antisemitisme in Frankrijk na schrijven wij weinig over die eerste twee onderwerpen. Toetreding van Turkije tot de EU is daarentegen juist erg belangrijk voor ons, Amerikaanse conservatieven. De modernisering van dat land – daarover bestaat binnen Amerikaanse conservatieve kring eigenlijk geen onenigheid – is enorm belangrijk, juist als tegengif voor de opkomst van radicaal-islamitische groeperingen. Maar de heer Wilders denkt daar anders over, en die ideeën beleeft hij vrij intens, begreep ik toen.»

In eigen kring in Nederland kreeg Spruyt in dezelfde periode ook steeds meer kritiek op zijn contacten met Wilders. Hoewel het bestuur hem daarover al in november, vlak na de moord op Theo van Gogh, had gekapitteld en er binnen de stichting de afspraak was ge maakt dat de directeur zich voortaan «anders» zou uiten, bleef hij «flirten» en manifesteerde hij zich ook veel directer in politieke zin. Zo verscheen Spruyt bij de televisieprogramma’s Barend & Van Dorp en Nova voor interviews die verder gingen dan het statutaire verspreiden van het conservatieve gedachtegoed. «Reden voor ons om te zeggen: zo kan dit niet langer», aldus toenmalig penningmeester Edwin van der Haar. Volgens hem vreesde het bestuur, dat «op afstand bestuurde», dat de stichting zo haar «onafhankelijkheid» zou verliezen.
Spruyt hield voet bij stuk. In het mei nummer van het Historisch Nieuwsblad onthulde hij publiekelijk zijn politieke am bities. In het essay De zuilen staan nog fier overeind schreef hij: «Conflicten en crises kunnen niet uitblijven. Die kunnen er – in theorie – toe leiden dat de bestaande partijen alsnog leergeld betalen, oude tegenstellingen overwinnen en zich manmoedig opstellen aan het front waar ze moeten zijn. Het kan ook zo zijn dat ze dat niet meer kunnen – vermoeid, inert, laf en in paniek als ze nog meer dan nu zullen zijn.»
In april had Spruyt deze analyse in een interne beleidsnotitie zelfs in veel krachtiger termen verwoord. Op de bestuursvergadering van zaterdag 23 april escaleerde het conflict tussen de directeur en het bestuur. Op vrijdag 22 april had voorzitter Peter Bouma, werkzaam bij de Rabobank, een gesprek onder vier ogen met Spruyt om af te tasten of de ophanden zijnde breuk nog was te lijmen. Spruyts ontslag was in aantocht. «Dat had te maken met het voortdurende geflirt van Spruyt met Wilders, maar ook met afspraken die werden geschonden of niet nagekomen. Ik vond dat we zo niet verder konden», aldus Bouma.
Tijdens dat gesprek op de 22ste overhandigde Spruyt Bouma zijn strategische notitie. De inhoud ervan kon het tij niet keren. De volgende dag stapte niet Spruyt op, maar vier van de vijf bestuursleden: te weten voorzitter Bouma (CDA) en de bestuursleden Jan Leendert van den Heuvel (SGP), Bas Wiegmans (CDA) alsmede Edwin van de Haar (VVD). De vier hadden geen vertrouwen meer in Spruyt, maar wilden ook geen openlijk conflict. Alleen Michiel Visser bleef zitten. De vergadering van zaterdag duurde een half uurtje. Nadat de jaarstukken waren vastgesteld, droegen de vier de stichting over aan Andreas Kinneging, de voormalige medewerker van het wetenschappelijk bureau van de VVD, die hij in 1999 verliet uit onvrede over het «surfplankliberalisme» en de «cultuurrelativist Hans Dijkstal». Dat Kinneging zich beschikbaar had gesteld, maakte een relatief geruisloze afhandeling mogelijk.

De vier bestuursleden lieten naderhand weten de Burke Stichting wegens «verschil van inzicht over de koers van de club» de rug te hebben toegekeerd. «Die notitie speelde geen rol in mijn beslissing op te stappen», aldus Bouma nu. «Maar ik heb er wel een mening over. Het idee voor een platform voor conservatisme heeft nog altijd mijn steun. Want zo goed gaat het niet met dit land. De meeste politici zijn inderdaad het contact met de burger kwijtgeraakt. Maar ik geloof niet dat het land zo ontwricht is dat het in de nabije toekomst in elkaar stort.»
De ineenstorting van Nederland? Jazeker. In zijn geheime notitie van eind april 2005, die dit weekblad heeft gelezen, preludeerde Spruyt op een implosie. «De afgelopen jaren is de kiem gelegd voor een organisatie die in Nederland tot een succesvolle en invloedrijke beweging kan uitgroeien», aldus Spruyt. «De stichting is blijkbaar sexier dan ooit.» Maar dat is niet genoeg. In het zicht van de fase die tussen nu en 2010 gaat komen, is er meer slagkracht van de gelederen nodig. De Burke Stichting moest volgens Spruyt niet alleen ambities hebben, maar ook instrumenten om die te realiseren. Een «sterk gevoel van urgentie» blijft noodzakelijk «omdat het in Nederland en Europa op essentiële punten niet goed gaat». Maar de effectiviteit van het public-policy- programma van de stichting dat het politieke klimaat met concrete studies wil beïnvloeden (de subafdeling die zich dit najaar zou afsplitsen in een nieuwe denktank European Independent Institute) laat te wensen over. Het programma richt zich op bestaande partijen en instituties, kortom, op de verkeerde doelgroep en kan dus niet genoeg «kritische massa» ontwikkelen.
Waarom te weinig kritische massa? Spruyt analyseerde de toestand in zijn vertrouwelijke nota van april zo: «Oude, irreële tegenstellingen worden nog altijd gekoesterd om het systeem van consensus en gepolder – de MPP (Monarchie en Politieke Partijen) – in stand te houden.»
Het begrip MPP ontleende Spruyt aan de naar zijn zeggen «briljante politiek filosoof ACP». ACP is een pseudoniem van een internetdebater die volgens zijn e-mailadres A.C. Postma heet. Spruyt zelf schreef ACP indachtig: «De gedachte dat het systeem van binnenuit kan worden hervormd – als die al ergens heeft bestaan – was in feite in strijd met een van de grondgedachten van ons Conservatief manifest en is dus ook illusoir gebleken. Onze hoop richtte zich op partijen als VVD en CDA. En alhoewel er met individuele kamerleden goede contacten bestaan, is het niet goed mogelijk gebleken om al dan niet vermeende conservatieve vleugels binnen die partijen zelfbewuster te maken en te versterken.»

Omdat de hoop op veranderingen binnen de gevestigde politieke partijen ijdel bleek en ook Wilders volgens de MPP-theorie zou kunnen worden ingekapseld, is een koerswending volgens Spruyt nu toch echt geboden. Die biedt ook perspectief. Want «tegelijk is duidelijk dat het bestaande systeem gedestabiliseerd is, en dat de revolte van Fortuyn slechts het begin van die destabilisatie markeert», aldus de directeur van de Edmund Burke Stichting (EBS). «Het is de taak van de EBS om klaar te zijn op het moment dat de ultieme provocatie of een crisis (economisch dan wel terroristisch) het systeem doet imploderen en ongekende politieke ruimte schept.» Hij vervolgt: «Met ‹klaar zijn› wordt hier bedoeld: het gedachtegoed (filosofisch en politiek) op orde hebben en de juiste mensen klaar hebben staan. Die mensen en dat gedachtegoed zullen na de paradigmawisseling als gevolg van crisis en/of provocatie het enige geloofwaardige alternatief zijn. Zolang die crisis of provocatie zich niet heeft voorgedaan, is het een zaak van levensbelang om een outsider te blijven, zonder enige concessie aan de MPP. (...) MPP’ers kunnen nooit een vitaal bestanddeel zijn van een beweging die zich moet profileren als oppositie van buitenaf.»
«Heel concreet betekent dit» dat er bij de Burke Stichting volgens Spruyt onder meer het volgende diende te gebeuren. Punt 1. De beïnvloeding van de publieke opinie «moet onverdroten worden voortgezet». Punt 2. «Building an army. De EBS moet meer dan voorheen in mensen investeren.» Kortom, extra mankracht en een «verplichtend» studieprogramma. En het laatste punt: «Er dient dreiging van ons uit te gaan. We moeten voor de MPP als een mysterie en imminent gevaar boven de politieke markt hangen. Dat kunnen we doen door van tijd tot tijd afgewogen betuigingen van inhoudelijke steun te geven aan politici die zich opstellen als oppositionele provocateurs en een onderdeel kunnen blijken te zijn van de trigger naar de verhoopte paradigmawisseling», aldus Spruyt.
Volgens hem moest daarom ook het budget tot 750.000 euro worden verhoogd. Dat geld is noodzakelijk om een leger te bouwen dat «klaar staat» na de verhoopte «paradigma wisseling». Bart Jan Spruyt: «De realisering van onze ambities vraagt om een begroting van structureel 500.000 à 750.000 euro per jaar. En dat vraagt weer om een energieke executive, loyale en hardwerkende medewerkers, een inhoudelijk sterk curatorium/bestuur, en een kring van ondernemende mensen die mee willen helpen e.e.a. financieel te faciliteren. Tegelijk biedt het feit dat wij nu op een kruispunt van wegen staan, de ultieme kans om enkele constitutionele kwesties op te lossen en onze stichting als het ware te herstichten.» Waarna Spruyt aan de vooravond van de bestuurs vergadering een aantal concrete voorstellen deed om de «weeffouten» te corrigeren. Kort samengevat kwamen ze erop neer dat de directie als executive alle uitvoerende macht moet krijgen, ook over een platform van ondernemers die fondsen moeten gaan werven, en dat het bestuur als een curatorium zal moeten functioneren. Dat zal bestaan uit «drie of vier conservatieven van onvervalste snit», die bij wijze van «checks and balances» alleen nog maar het «recht van amendement» hebben.

Een dag later kon Spruyt al aan deze strategie gaan werken, zonder de vier critici uit het ingekrompen bestuur, maar samen met de nieuwe voorzitter professor Andreas Kinneging uit Leiden. Kinneging verklaart nu desgevraagd dat hij het essay in het Historisch Nieuwsblad niet heeft gelezen. «Maar hem kennende was het vast een boeiend stuk», aldus Kinneging.
Dat budget van driekwart miljoen euro bleef vooralsnog achterwege. Maar vijf maanden nadat het bestuur op het door Spruyt gesignaleerde «kruispunt van wegen» was afgehaakt, besloot de «herstichte» Burke Stichting zich weer te gaan concentreren op haar «core business»: «Het bediscussiëren en uitdragen van de conservatieve filosofie.» Aan de «hybride» structuur kwam een einde door de breuk tussen de «hervormde» Burke Stichting en het nieuwe European Independent Institute, opgezet door twee voormalige medewerkers van de Burke Stichting.
Ideologisch passen beide denktanks slecht bij elkaar. De Burke Stichting heeft behalve op immigratie en de islamisering van Nederland de afgelopen jaren ook gewezen op het belang van sociaal-conservatieve waarden, vooral bij monde van voorzitter Andreas Kinneging. Spruyt zelf verdedigde vorige maand, naar aanleiding van de uitspraak van de Haagse rechtbank over subsidie voor de SGP, het recht van die SGP om vrouwen een andere positie toe te dichten dan gemeengoed is. Pfizer daarentegen financiert liever denktanks die zich voornamelijk richten op de promotie van verscheidene vormen van laissez-faire-liberalisme. Sander Boon van het European Independent Institute: «Die ideologische spagaat was lastig. Bij de Burke Stichting huisden twee zielen in één borst. Ik ben blij dat er met het ontstaan van het European Independent Institute nu helderheid is gekomen. Ik kom zelf van de libertaire Bastiat Stichting. Met die immate riële kwesties van Spruyt heb ik niet zo veel. Voor mij is het veel belangrijker dat een vrije economie aan de goede samenleving vooraf gaat.»
Spruyt zelf staat nog steeds achter zijn strategie. Hersticht gaat de Burke Stichting zijn notitie van april nu implementeren.




_______________________


Wie is ACP?
In de interne memo uit april 2005 wordt ACP opgevoerd als «één van de geestelijke vaders» van directeur Bart Jan Spruyt van de Edmund Burke Stichting. Eerder had hij Edmund Burke, Carl Schmidt en Alexis de Tocqueville aangewezen als geestelijke vaders. ACP is een blogger die zijn meningen wereldkundig maakt via de websites gunzilla.net en www.vrijedenkers.nl, onder meer over het systeem van «Monarchie en Politieke Partijen» (MPP). Blijkens zijn e-mailadres heet hij A.C. Postma.
In zijn strategische notitie verwijst Spruyt naar de volgende letterlijke tekst van ACP: «Alle ‹politieke partijen› in Nederland zijn... LINX en lopen aan het lijntje van de monarchie... ook de groep Wilders. En wel omdat zij zich allen.... hoe dan ook aan de MPP (moeten) conformeren. De enige vorm van legitieme politieke OPPOSITIE kan uitsluitend BUITENKAMERS plaatsvinden.» Spruyt concludeert op grond van dit citaat: «MPP’ers kunnen nooit een vitaal bestanddeel zijn van een beweging die zich moet profileren als oppositie van buitenaf.» Dat suggereert op z’n minst ook enige scepsis jegens Wilders.
Via zijn internetforum vroegen wij ACP, namens de oude negentiende-eeuwse antirevolutionaire theoreticus Groen van Prinsterer, om nadere onderbouwing van de MPP-theorie. ACP: «Het ‹waarom› is te vinden in het feit dat, naar mijn mening, de Nederlandse politiek al vanaf 1848, zuiver een degenererende incestueuze aangelegenheid is.» Overigens, voegde ACP toe, kon die hele MPP hem niet meer zo erg boeien, «omdat het wat de macht betreft volgens mij gaat uitlopen op een gemanipuleerd en gedwongen opgaan in das viertes Reich, oftewel Pleuropa. Men gaat met de eigen toko eenvoudig in een grotere winkelketen op en zal op den duur eigen karakter en bijzonderheden verliezen... Een soort auto-genocide.»


_______________________


Zoek de verschillen
Toon en woordgebruik van de interne notitie van Bart Jan Spruyt van de Edmund Burke Stichting doen denken aan die van Lenin. Bijvoorbeeld aan diens uit 1902 daterende Wat te doen, een standaard werk omdat het de basis zou worden voor de communistische partij die in 1917 de macht in Rusland veroverde. Volgens Lenin verkeerde de arbeidersbeweging begin twintigste eeuw in een fase die wordt gekenmerkt door «zwalkend legalisme». In Wat te doen kondigde hij de «liquidatie» van die fase aan. Enkele passages.
«Het proletariaat staat nog onmetelijk zwaardere beproevingen te wachten. (…) De elementaire opleving van de massa’s in Rusland geschiedde (en gaat verder) met zo’n snelheid, dat de jonge sociaal-democraten voor het vervullen van deze geweldige opgaven onvoorbereid zijn. (…) Om de arbeiders politieke kennis bij te brengen, moeten de sociaal-democraten afdelingen van hun leger naar alle kanten uitzenden. (…) Wanneer wij beginnen een stevige organisatie van revolutionairen op de been te brengen, dan zullen wij het weerstandvermogen van de beweging in haar geheel kunnen verzekeren. (…) Onze hoofdzonde in organisatorisch opzicht is: slap en weifelend in theoretische vraagstukken, met een enge horizon, meer gelijkend op een vakbondssecretaris dan op een volkstribuun, niet in staat tot het opstellen van een breed en stoutmoedig plan, dat ook de tegenstanders achting inboezemt. (…) Het is ons plan om een ‹geregeld beleg voor de vijandelijke vesting› te slaan, anders gezegd, om alle inspanning te richten op het bijeenroepen, organiseren en mobiliseren van een geregeld leger. (…) Daarom moet de hoofdzaak van de werkzaamheid van onze partijorganisatie bestaan uit arbeid die, zowel in een periode van sterke revolutionaire uitbarsting als in een periode van volledige stilstand, mogelijk en noodzakelijk is. (…) Juist dan ontwikkelen we de geschiktheid om de algemene politieke toestand op zijn juiste waarde te schatten en bijgevolg ook de geschiktheid om het voor de opstand passende ogenblik te kiezen. (…) Wij hebben de vaste overtuiging dat de Russische sociaal-democratie versterkt en volwassen uit de crisis te voorschijn zal komen en dat de achterhoede der opportunisten door de ware voorhoede van de meest revolutionaire klasse zal worden ‹afgelost›.»

donderdag, november 17, 2005

Nieuw-Rechts: Wel Rechts, Nauwelijks Nieuw door Koenraad ELST in The Brussels Journal, 14-11-2005

Vorige vrijdag vond in Antwerpen het jaarlijkse congres plaats van de Delta-Stichting, die ideologisch geklasseerd wordt als “nieuw-rechts”. Zij werd in 1979 opgericht als Vlaams filiaal van de Franse Groupement de Recherche et d’Etudes pour la Civilisation Européenne (GRECE), het spinnenweb rond de intellectuele veelpoot Alain de Benoist. In de titel van haar kwartaalblad TeKoS (Teksten, Kommentaren en Studies) voert zij trouwens het GRECE-logo: een Keltische “eeuwige knoop”. Mede-organisator van het congres was de jonge West-Vlaamse werkgroep Identiteit.

Het thema was: “Welk Europa morgen?” Het onderwerp is natuurlijk een evergreen, maar dit jaar was er een concrete aanleiding voor, namelijk het “mislukte” referendum over de EU-ontwerpgrondwet in Frankrijk en Nederland. De spreker die het dichtst bij dit onderwerp bleef, was Guido Naets, oud-perschef van het Europees parlement. Hij bekritiseerde de ondemocratische en zelfs volksverachtende manier waarop de Eurocratie haar wetgeving en integratieplannetjes oplegt. Voorbeeld bij uitstek is natuurlijk de toetreding van Turkije, goedgekeurd door de politici maar gegarandeerd kansloos bij referenda in eender welke lidstaat. Hoewel Naets destijds als liberaal gold, vertolkte hij hier standpunten die we eerder bij N-VA en VB aantreffen. Zo beklemtoonde hij de noodzaak voor Vlaanderen om een zelfstandige staat te worden wil het in de EU meetellen.

Eveneens nauw aanleunend bij het bekende Vlaamse volksnationalistische discours was het Elzassische regionalisme van Robert Spieler, voorzitter van Alsace d’Abord. Hij wilde niet dat de EU een soort natiestaat zou worden, met een gelijkgeschakelde bevolking, wel een confederatie van alle reëel bestaande Europese etnische gemeenschappen. Voor alwie niet verkocht is aan de corrupte en onverantwoordelijke EU-nomenklatoera was de EU-kritiek van Naets en Spieler eigenlijk de evidentie zelve.

Zwenking naar rechts?

Marcel Rüter

Het echte vuurwerk werd verwacht van de andere aangekondigde panelleden. Afgaande op de sprekerslijst had men kunnen zeggen dat de Delta-Stichting met dit congres een duidelijke zwenking naar rechts maakt. Het slotwoord, vroeger altijd door stichter Luc Pauwels, een bezadigd bedrijfsleider die elke zweem van extremisme en partijpolitieke associaties schuwde, werd nu gegeven door de Nederlandse zakenman en activist Marcel Rüter, een man met een veel scherper profiel. Deze liet het echter bij een algemene afronding en een voorspelbare maar vage oproep tot strijd voor de waarden die de andere sprekers beleden hadden.

In Pauwels’ tijd werd er nogal uitdrukkelijk afstand gehouden van de partijpolitiek en met name van het VB. Dit keer was er een opvallende aanwezigheid van VB-ers in de praktische congresvoering. Zo fungeerden VB-mandatarissen Francis Van den Eynde en Tanguy Veys als simultaantolk.

De echt rechtse ideoloog in het panel, en die zich ook complexloos als zodanig affirmeerde, was de Franse professor emeritus in de geschiedenis, Pierre Vial. Binnen het Franse “nieuw-rechtse” spectrum is hij zowat de tegenpool van Alain de Benoist, die een vriend is van Pauwels en een zeer regelmatige gast was op de vroegere Delta-congressen. De “vervanging” van de Benoist door Vial is misschien wel tekenend voor de veranderende tijden, zeker in het licht van de hernieuwd acute migratie- en integratieproblematiek zoals die via de rellen in Frankrijk weer de aandacht op zich vestigt. Van 1978 tot 1984 was Vial de secretaris-generaal van de GRECE, maar nadien scheidden hun wegen. Terwijl GRECE met de Benoist ideologisch naar het centrum bewoog, de “etnische optie” schuwde en de politieke dimensie helemaal in de schaduw van de louter intellectuele analyse zette, koos Vial juist voor een expliciet rechts politiek engagement, met name tegen de immigratie: hij trad in 1987 toe tot het Front National.

Hoewel hij als anti-bourgeois (begonnen als “niet-marxistisch socialist”) en vrijzinnige wat ongemakkelijk moest samenwerken met de typisch Koude-Oorlogse “Reagano-paapse” strekking in het FN, werd hij spoedig lid van het partijbestuur. Tijdens de breuk in de partijtop volgde hij Bruno Mégret naar diens nieuwe partij Mouvement National. Inmiddels had hij in 1995 echter een nieuw en partij-ongebonden forum opgericht, namelijk Terre et Peuple, een alternatief voor de GRECE als “metapolitieke” denk- en actiegroep. Het was als stichter-voorzitter van deze “Euro-identitaire” beweging dat hij het publiek in Antwerpen kwam onderhouden over “de Europese rijksgedachte”.

Als model voor een verenigd Europa noemen de diverse nieuw-rechtse kapelletjes eensgezind het middeleeuwse Heilige Roomse Rijk. Volgens Voltaire was die constructie “noch heilig, noch Rooms, noch een rijk”, maar dat laatste schijnt juist een van zijn aantrekkelijke punten te zijn. Het was, doceerde prof. Vial, een gedecentraliseerde ruimte, strategisch één maar cultureel divers en met volkomen respect voor de identiteit van de samenstellende delen. Hij hoopt dat dit historisch voorbeeld als inspirerende vonk kan dienen voor een nieuwe integratie van Europa tot een machtspolitieke en strategische eenheid die partij kan geven aan de VS en China, maar tegelijk een mozaïek van diverse etnische componenten die in hun eigenheid gevrijwaard blijven.

En wat zijn de grenzen van dat Europa? Voor Vial is dat “Eurosiberië”, dat gedeelte van het Euro-Aziatische werelddeel waar het blanke ras woont. Hij beklemtoonde dit en wou er volstrekt geen dubbelzinnigheid over laten bestaan: Europa is een raciaal gedefinieerd begrip, namelijk het woongebied van het blanke ras. Nou ja, minus de blanke gebieden in Amerika en Oceanië, louter om praktische redenen, maar het kernbegrip is dus zeker “ras”. Dat zou je de communautarist en multiculturalist Alain de Benoist niet horen zeggen: die demarkeerde zich van “oud rechts” met een “nieuw-rechtse” keuze voor cultuur in plaats van ras (wat hem dan van linkse zijde het contradictorische etiket “cultuurracist” opleverde). Je zou je kunnen afvragen wat er überhaupt nog “nieuw-rechts” is aan Pierre Vial, want zijn keuze voor ras als sleutel tot de geschiedenis en basis voor staatvorming is natuurlijk een 19de-eeuws ideaal, misschien wel rechts maar allerminst nieuw.

Eurazië

Ook aan de Russische spreker Aleksandr Doegin, stichter van de Eurazische Partij in 2001, werd bij voorbaat een hoog zwavelgehalte toegeschreven. Hij is voorzitter van de Doema geweest en fungeert nu als raadgever van president Vladimir Poetin. Geruchten doen de ronde over de macht van allerlei bizarre vormen van rechts-extremisme die in Rusland zouden floreren, getuige trouwens het aanzien dat nieuw-rechtse denkers die hier marginalen zijn, als Vial en Guillaume Faye, ginder genieten. De Doegin die we hier zagen, bleek echter een redelijk en overigens heel erudiet man.

Hij begon met een historische situering van het Eurazisme als leerstelsel. Het ontstond in kringen van de Russische Witte emigratie in de jaren 1920. Het ziet Rusland niet als een land maar als een beschaving, geen deel maar een zuster van de Europese beschaving, die zich ten onrechte de universele beschaving waant. Rusland is tevens een losgemeenschap van meerdere volkeren, noodzakelijkerwijze een rijk in plaats van een natiestaat. Anders dan bv. China, en anders dan het Europese imperium dat Pierre Vial zich voorstelt, is het Russische rijk niet op raciale homogeniteit gebaseerd.

Verrassing: deze vermeende rechts-extremist zette zich heel duidelijk af tegen het racisme, niet defensief (“ik ben geen racist, maar…”) doch als volkomen logisch sluitstuk van zijn visie op Rusland. En inderdaad, de Russische Federatie omvat tal van Aziatische volkeren, van Tataren en Kalmoeken tot Boerjaten en Jakoeten. Bovendien zijn de Russen vanaf de Wolga zichtbaar een mengras, blanken met in diverse mate Mongoolse trekken, echte “Euraziërs” tot in hun genen. Als man van de politieke praktijk heeft Doegin blijkbaar minder moeite met zulke onzuiverheden als Vial, die zijn hele leven in de oppositionele marge heeft doorgebracht.

Anders dan Vial zag Doegin Rusland toch liever als een apart rijk, bevriend maar zelfstandig, naast het Europese imperium. Maar aansluitend bij Vials moderne versie van de “rijksgedachte” beklemtoonde hij dat het woord “imperium” geen ondemocratische premoderne connotaties hoeft te hebben: “Un empire peut exister sans empereur.” In feite is dit zelfs een logische toepassing van wat ook in de middeleeuwen al een kenmerk van het Heilige Roomse Rijk was: de keizer was er helemaal geen absolute machthebber, veeleer een symboolfiguur aan het hoofd van een constructie met ruime machtsverdeling over de diverse bestuursniveau’s (subsidiariteit). Bovendien is het pre- en postmoderne rijk een veel betere garantie voor respect voor de minderheden, in tegenstelling met de moderniteit en haar homogeniserende natiestaat.

Zelf vraag ik me dan af waarom Vial en Doegin het brede publiek op het verkeerde been zetten door per se de premoderne term “imperium” te willen gebruiken, daar waar ze blijkbaar gewoon een “democratische federatie” bedoelen. Ik kan best begrijpen dat linkse meeluisteraars hierin toch een sinistere hang naar premoderne, predemocratische en met name imperialistische verhoudingen zouden vermoeden. Zo schetste Doegin een theorie van invloedssferen die me al te 19de-eeuws voorkomt. Volgens hem is Zuid-Amerika de natuurlijke invloedssfeer van de VS (zoals president Monroe al vond), Afrika van Europa, de Turkse en Iraanse wereld van Rusland, en Zuidoost-Azië van China en Japan. Sommige van de hier tot “invloedssfeer” gereduceerde naties zijn inmiddels wel ontwikkeld en ambitieus genoeg om daar anders over te denken.

En van ambitie gesproken: het was een beetje vreemd dat Doegin zo’n optimistische plannen ontvouwde voor de toekomst van Rusland, terwijl andere vrienden van Rusland eerder overmand worden door pessimisme als gevolg van de demografische implosie. Veelvolkerenstaat, jazeker, maar één waarin de Russen spoedig een minderheid zullen worden onder druk van de moslimse (Tataarse enz.) geboortecijfers en de Chinese immigratie. Hierover gaf Doegin alleen een geopolitiek commentaar: “Ik gruw van de idee dat Rusland moslim of Chinees zou worden, maar ook in dat geval behoudt het zijn Eurazische ligging en bijgevolg dezelfde rijksbelangen die Rusland vandaag heeft.” Geopolitiek, de idee dat ligging (bv. continentaal versus oceanisch) de politiek van een land determineert, is een oud-rechts stokpaardje maar gaat uiteindelijk minder over bloed dan over bodem.

Het was een interessant initiatief van de organisatoren om aan een vooraanstaand Russisch politiek denker en beleidsmaker een forum te bieden. Men kan echter niet zeggen dat zijn bijdrage iets veranderd heeft aan onze prognose voor de toekomst van Europa. Wellicht tot teleurstelling van een bepaalde Franse rechterzijde die Rusland als redder en als tegengewicht voor de boze VS ziet, zal het Rusland van Poetin en Doegin zich afzijdig houden van de EU. Deze zal op eigen kracht zal moeten in het reine komen met uitdagingen als Turkije en de immigratiestromen.

zaterdag, oktober 29, 2005

'Het recht om anders te zijn' - Verontrustende belangstelling van 'Nieuw-Rechts' voor inheemse volken in INDIGO jan/febr 2000

Een bekende inheemse uitspraak is: 'De Aarde behoort niet toe aan ons, wij behoren toe aan de Aarde.' De mens is immers maar een klein onderdeel van de Schepping, en mag er niet de heerser over zijn. Uit dit gezichtspunt spreekt een respectvolle, nederige houding ten opzichte van de natuur. Maar met een beetje kwade wil is deze uitdrukking van verbondenheid met al wat leeft gemakkelijk in verband te brengen met het gevaarlijke Blut und Boden-denken. In dat verband kan het leerzaam zijn in de geschiedenis terug te kijken naar hoe gevoelens van verbondenheid met de natuur in het vooroorlogse Duitsland zijn misbruikt. Een reden voor zorg is dat er vandaag de dag in Europa opnieuw radicaal-rechtse groeperingen opstaan die er prat op gaan dat ze hun handelen richten naar de 'wetten van de natuur'. Daarbij tonen zij zich grote voorstanders van culturele zelfbeschikking, ook - of juist - voor inheemse volken.

Geïnspireerd door de Romantiek ontstond er aan het einde van de negentiende eeuw in Duitsland een brede belangstelling voor het beschermen van de natuur. De natuur werd als iets puurs en verhevens beschouwd, de antipool van de op drift geraakte moderne wereld. Iets in de traditionele 'volksaard' zou Duitsers een aparte voeling geven met die natuur. Het woord Volk was daarbij een mythisch geladen begrip, waarmee geduid werd op de band die men voelde met een bovenzinnelijke 'essentie'. Via het Volk wist het individu zich verbonden met de wijdere kosmos. Deze band, zo dacht men, was van wezenlijke invloed op het diepste innerlijk van de mens, wiens bestaan in de eerste plaats gestalte kreeg dankzij het feit dat hij of zij lid was van een groter geheel, de 'Volks-gemeenschap'. De zogeheten Völkische beweging van rond de eeuwwisseling gaf het meest nadrukkelijk uiting aan dit sentiment. Tegenover de zeer reële ontworteling die de triomf van het industriëe kapitalisme teweeg bracht, predikten Völkische denkers een terugkeer naar het platteland, naar de eenvoud en de heelheid van een leven dat was afgestemd op de natuur. Zondebok voor de milieuvervuiling en de gevoelens van vervreemding en ontworteling was de 'thuisloze' jood. De Duitsers, aldus historicus Ludy Dawidowicz, zochten een mysterieuze heelheid die hen terug zou voeren naar het oorspronkelijke geluk, en die het vijandige, door de joden opgelegde milieu van de stedelijke industrile beschaving zou vernietigen. In de Völkisch-beweging zag men modern materialisme, urbanisatie, rationalisme en wetenschap als bron van het kwaad, vreemd aan de essentie van het Volk.

In deze context kwam tijdens de eerste decennia van deze eeuw een brede 'terug-naar-de-natuur' beweging op, de zogeheten Wandervögel, door auteur Peter Staudenmaier wel omschreven als 'rechtse hippies'. Aanvankelijk koerste deze jongerenbeweging nog niet in duistere richting. Men hoopte dat de kunst opnieuw harmonie en betekenis kon terugbrengen in een samenleving die door kille rationaliteit, abstracte marktkrachten en technologie was ondermijnd. Idool voor deze natuuraanbiddende beweging was de schrijver Herman Hesse. Hesse leed onder het fenomeen van de technisch-rationele wereld en de tot doel op zich geworden moderne civilisatie die hij als een bedreiging voor de geest en de ziel van de mens zag. 'De gedachte aan de onder onze voeten schemerende leegte, het gevoel bedreigd te worden door nabije catastrofes en oorlogen' kwelde hem diep. Ook linkse sympathisanten maakten deel uit van de Wandervögel, waaronder zelfs de jonge Walter Benjamin. De jeugdbeweging zag zichzelf als een a-politiek antwoord op een diepe culturele crisis. Directe emotionele ervaring werd belangrijker geacht dan sociale kritiek en actie. De veranderingen die nodig waren, zo geloofde men, konden niet worden bewerkstelligd door politieke middelen maar uitsluitend door verbetering van het individu. Ter gelegenheid van een speciale bijeenkomst van de Wandervögel in 1913 schreef de filosoof Ludwig Klages het essay 'De Mens en de Aarde', dat een enorme invloed had op de jongerenbeweging. In de tekst werd vooruitgelopen op alle thema's van de hedendaagse milieubeweging: het uitsterven van soorten, de verstoring van de wereld-ecosysteem, de ontbossing, de vernietiging van inheemse volken en wildernis-habitats, en de groeiende vervreemding van de mens van de natuur. Zelfs de milieuschadelijke effecten van toerisme en de jacht op walvissen werden veroordeeld! Niettemin was Klages een politiek aartsconservatief figuur en een rabiaat antisemiet, 'een intellectuele wegbereider van het Derde Rijk'. Op een Wandervögelconferentie een jaar later werd het besluit genomen dat het aan lokale afdelingen was toegestaan om joden van lidmaatschap uit te sluiten. De teerling was geworpen. Uiteindelijk sloten de meeste Wandervögel zich aan bij de nazi's. Van aanbidding van de natuur verschoof men naar aanbidding van de Führer.

Met het begrippenpaar 'Bloed en bodem' duidden de Nationaal-Socialisten zowel op de door hen gevoelde speciale band tussen volk en vaderland, als op de binding tussen individu en de natuurlijke orde. Het was de nazi-rijksminister van Landbouw Walter Darré die de term het eerst introduceerde. Darré, die Naturschutz tot hoge staatsprioriteit maakte en biologische landbouwmethoden ('lebensgesetzliche Landbauweise') op grote schaal introduceerde, geloofde dat 'het Germaanse ras' in al zijn vezels verbonden was aan de bosrijke Duitse bodem. Belangrijke inspiratiebron daarbij waren de geschriften van de Romeinse schrijver Tacitus, die bijna 2000 jaar eerder als volgt over de Germanen schreef [volgens nazi weergave]: '...in de volken van Duitsland is de wereld een ras gegeven dat niet door gemengde huwelijken met andere rassen vermengd is, het is een speciaal en puur volk dat alleen op zichzelf lijkt.' Meer dan alle andere volken, zo leek Tacitus te zeggen, zijn de Germanen werkelijk inheems, voortgekomen uit de zwarte aarde van hun inheemse land. Dit fictieve idee van Germanentum, van een biologisch puur en ongeschonden ras, dat net zo natuurlijk bij haar grondgebied hoorde als de inheemse boom- en bloemensoorten, was, aldus de historicus Simon Schama, een terugkerend thema in veel literatuur van voor en na de Eerste Wereldoorlog.

De Nationaal-Socialisten bepleitten een terugkeer naar een eenvoudiger, meer gezonde en natuurlijke levensstijl, en introduceerden het begrip van een 'Noordelijke boerenstand' die organisch met de grond verbonden zou zijn. Daarbij hoorde een (in hun ogen) wetenschappelijk gefundeerde Volksreligion, die de heiligheid van de natuur beleed, en de eenheid van de mens met de 'mysteriën van het bloed'. Het was Hitler zelf die verklaarde dat 'de mens zijn hogere bestaansvorm dankt aan de kennis en onverschrokken toepassing van de strakke wetten van de natuur'. Een nazi-auteur omschreef het aldus: 'De mens is slechts een schakel in de ketting der levende natuur, net als elk ander organisme.' Deze 'religie van de natuur', waarvan de wortels terugvoeren naar de Duitse Romantiek en het Idealisme, was een kernonderdeel van de Nationaal-Socialistische ideologie. Een ideologie die weliswaar was gebaseerd op antimoderne sentimenten, maar niettemin de basis vormde voor de opbouw van een in technologisch opzicht ultra-moderne, extreem-nationalistische en genocidale staat.

Het is verleidelijk om te denken: dit is voltooid verleden tijd, nu weten we beter en zijn we gewaarschuwd. Maar het verontrustende is dat hedendaagse ultra-rechtse groeperingen in hun propaganda opnieuw appelleren aan thema's die sterk doen denken aan de Völkisch beweging van het Duitsland van voor het nazi-tijdperk. En ook zij zeggen een 'ecologisch' alternatief te bieden voor de moderne samenleving.

Illustratief in dit verband is het gedachtengoed van Herbert Gruhl, een voormalig Christen-democratisch lid van het Duitse parlement. In de vroege jaren tachtig stond hij met de door hem geformeerde groep 'Groene Actie Toekomst' (GAZ) aan de wieg van de Groenen. Het was Gruhl die op de proppen kwam met de wervende leus 'We zijn links noch rechts, we zijn in de voorhoede.' Na een machtsstrijd binnen de Groenen trok Gruhls GAZ aan het kortste eind, waarop hij de extreem-rechtse ÖDP (Ecologische Democratische Partij) oprichtte. Gruhl stelt dat als de cultuur van een samenleving wordt ingericht volgens de wetten van de natuur, het vanzelfsprekend zou zijn dat men maatregelen neemt tegen degenen die afwijken van de geldende normen, omdat 'als een dier op de jachtvelden in de wildernis de ongeschreven wet van de kudde schendt en zijn eigen gang gaat, het in de regel met zijn leven moet betalen voor die onafhankelijkheid.' Culturen moeten bovendien van elkaar gescheiden worden gehouden: 'Als een veelheid aan culturen in hetzelfde gebied bij elkaar wordt geplaatst, zal het resultaat zijn dat ze langs elkaar heen leven, ruzie met elkaar krijgen of in verval raken, en uiteindelijk zat het een mengsel worden waarvan de waarde met iedere verdere vermenging minder wordt - totdat het aan het eind van het liedje niets meer voorstelt.' De wetten van de natuur bepalen volgens de groen-bruine politicus ook dat de overbevolking van de aarde vanzelf een halt zal worden toegeroepen doordat de dood als corrigerende factor zal optreden. Gelukkig zullen de volken in de Derde Wereld zich schikken in deze 'oplossing', omdat hun levens 'zijn gebaseerd op een volledig andere grondvisie op het leven dan de onze: hun eigen dood, net als die van hun kinderen, wordt aanvaard als het lot.'

Maar voorbeelden zijn ook dichter bij huis te vinden. Anderhalf jaar geleden schreef Eric Krebbers van de organisatie De Fabel van de illegaal een opmerkelijk artikel onder de titel 'Met "Nieuw Rechts" tegen de globalisering?'. In dit artikel waarschuwde Krebbers voor de intellectuele voorhoede van extreem-rechts, die zich tegenwoordig solidair verklaart met Indianen en pleit voor culturele diversiteit. Ordinair racisme en vreemdelingenhaat zijn - althans voor de buitenwacht - helemaal taboe voor deze ideologen, die hun programma keurig aanduiden als 'Nieuw Rechts'.

Krebbers' aandacht richt zich vooral op artikelen van hoofdredacteuren Rüter en Veldman in het discussieblad Studie, Opbouw en Strijd (SOS) van de Nieuw-Rechtse organisatie 'Voorpost'. Rüter wil 'de heersende links-liberale consensus' doorbreken, die in zijn ogen wordt opgelegd door 'het grootkapitaal'. Zijn alternatief is dat ons denken zich openstelt voor Nieuw Rechts nationalisme. Vanuit dat streven verklaart Rüter zich tegen de globalisering: 'het mondiale kapitalisme verkoopt de cultuur', en 'koloniseert de verbeelding'. De hoofdredacteur van SOS vreest een 'uniformisering van de leefwijze' en een 'ontworteling van collectieve identiteiten en traditionele culturen'. Zijn collega hoofd-redacteur Veldman legt in zijn bijdrage uit waarom hij zich keert tegen het 'vooruitgangsdenken': 'De meest fundamentele politieke scheidslijn loopt vandaag de dag niet meer tussen "links" en "rechts", maar tussen aan de ene kant de pleitbezorgers van de ongeremde economische groei ..., zij die de mensen in de eerste plaats zien als consument en de aarde als gebruiksvoorwerp, en aan de andere kant diegenen ... die de gehele kosmische levensruimte willen delen met dier, plant en materie, en haar onbeschadigd aan de komende generaties willen overdragen.'

De Nieuw-Rechtse ideoloog verklaart zich voorts onomwonden solidair met 'volkeren die een strijd voeren voor het behoud van de eigen identiteit en met al diegenen die zich verzetten tegen de vernietiging van flora en fauna'. Vooral de Noordamerikaanse Indianen blijken op Veldmans sympathie te mogen rekenen. Hun cultuur en identiteit worden vernietigd door de 'massale instroom van vreemdelingen, die aan de cultuur en religie van de inheemse bevolking geen boodschap hebben'.

Nadat Veldman en passant propaganda maakt voor de NANAI, een organisatie die opkomt voor de rechten van Noordamerikaanse Indianen, verklaart hij vervolgens: 'Het onlogische is dat men de eigenheid en identiteitsbeleving wel looft en prijst als het over haast volledig uitgestorven en uitgeroeide minderheden gaat of over absoluut "ongevaarlijke" mini-volkeren, maar diezelfde waarden onmiddellijk verdacht maakt en verkettert als ze een strijdbaar nationalisme voeden bij een wat groter volk.' En daarmee zijn we terug bij een meer vertrouwd extreem-rechts stokpaardje van 'eigen volk eerst'.

Veldman citeert met instemming uit Stella Braams boek Stemmen van de Aarde (uitgave NCIV/Jan van Arkel): 'De grond is de basis van het bestaan. Deze bewaart de wortels van hun beschaving en de heilige plaatsen van de voorouders.' Veldmans commentaar op het citaat is onthullend: 'Gezien het feit dat zoveel goedbedoelende mensen de cultuur en levensbeschouwing van inheemse volken blijkbaar intrinsiek als waardevol beschouwen is het verbazingwekkend dat Europeanen die zich op hun beurt eveneens afzetten tegen het westerse vooruitgangsdenken en die vaak terug gaan naar de eigen culturele wortels en identiteit vaak op zoveel argwaan en weerstand kunnen rekenen van diegenen die hun waarden juist zeggen te delen.'

Nieuw Rechts verlangt terug naar een mythische gouden tijd, van vóór de beschaving, zo stelt Krebbers vast, waarin iedereen zijn door de natuur voorgeschreven plek kende, een tijd waarin volken nog etnisch zuiver waren. De hedendaagse mens is ontworteld en afgesneden van zijn natuurlijke oorsprong. 'Mensen, wat ze ook zijn en waar ze ook leven,' zegt Marcel Rüter, 'zijn met een land, een stuk aarde verbonden, hetgeen zij als hun eigen aanzien; zij zijn bereid voor het behoud van onafhankelijkheid en integriteit ervan te vechten.' De Nieuw-Rechtse auteur spreekt in dit verband van 'een zelfverdedigingsrecht en -plicht op het niveau van de verschillende natuurlijke gemeenschappen waarvan ieder mens deel uitmaakt, te beginnen bij het gezin.' 'Het is', aldus Rüter, 'de drang naar behoud van etnische en culturele diversiteit, tegen de verschraling, tegen nivellering en tegen monolithische structuren.'

Opmerkelijk is dat Nieuw Rechts haar vreemdelingenhaat zo nadrukkelijk formuleert in termen van het respecteren van cultuurverschillen. Racisme wordt voorgesteld als een te respecteren daad van loyaliteit met de eigen groep, als een vorm van legitieme 'culturele zelfverdediging'. Men komt op voor 'culturen' en niet voor 'rassen'. Een ideaalbeeld daarbij is een 'Europa van de vaderlanden', met zelfbeschikking voor al haar volken. Net zoals de Turken in Turkije zouden moeten wonen en de Senegalezen in Senegal, moeten Duitsers in Duitsland wonen, aldus Nieuw Rechts.

Onderzoeker Janet Biehl vond als karakteristiek van Nieuw Rechts dat men de vernietiging van het milieu en de onderdrukking van nationaliteiten wijt aan het 'Semitische' monotheïsme en universalisme. Meer specifiek zijn het christendom en zijn latere geseculariseerde versies, het liberalisme en het marxisme, de grote boosdoeners. Net zoals het Joods-christelijke universalisme met zijn christelijke missionarissen destructief was voor 'authentieke culturen', elimineert ook het moderne universalisme etnische en nationale culturen. Sterker, door de onbeteugelde technologie die zij schiep heeft dit moderne universalisme niet alleen de verkwisting van de natuur veroorzaakt, maar ook een vernietiging van de geest. De vernieling van de natuur is levensbedreigend zowel in spirituele als fysieke zin, zo meent Nieuw Rechts, omdat wanneer mensen geen toegang meer hebben tot de oorspronkelijke natuur, daarmee ook hun toegang tot hun 'authentieke zelf' zou zijn geblokkeerd.

Het ingenieuze van de gedachtengang van Nieuw Rechts is dat zij tegenstanders van racisme neerzet als 'universalisten' die erop uit zijn de verschillen tussen culturen uit te vlakken, terwijl 'differentialisten' (zijzelf) juist de grote verdedigers zijn van culturele rechten. 'Cultuur' wordt gezien als een allesomvattende en bepalende factor in het menselijk gedrag. De culturele identiteiten van mensen worden voorgesteld als iets vaststaands, de mensheid zou bestaan uit voor de buitenwacht gesloten culturen. En die culturen moeten van elkaar gescheiden worden gehouden omdat vermenging maar tot etnisch geweld zou leiden.

De sociologe Renata Salecl geeft treffend weer hoe het nieuwe, wat zij noemt, 'meta-racisme' van Nieuw Rechts er uit ziet: 'Hoe zou een meta-racist reageren op een neo-nazistische aanslag op een Turkse vrouw? Nadat hij zijn afgrijzen heeft uitgedrukt van het neo-nazigeweld en het ernstig heeft veroordeeld, zou hij daar snel aan toevoegen dat dit soort gebeurtenissen, hoe betreurenswaardig ook, in hun context moeten worden geplaatst. Ze geven op een geperverteerde manier uitdrukking aan een reëel probleem, namelijk dat men in ons huidige Babylon steeds minder kan ervaren wat het is om deel uit te maken van een duidelijk afgebakende etnische gemeenschap die betekenis geeft aan iemands leven. De werkelijke schuldigen zijn daarom de kosmopolitische voorstanders van de multiculturele samenleving die rassenvermenging bepleiten en daardoor natuurlijke zelfverdedigingsmechanismen in gang zetten.'

Een anonieme auteur heeft op het Internet een neo-nazistisch pamflet gezet waarin hetzelfde soort 'newspeak' wordt gebruikt: 'Nationaal-Socialisten geloven dat het recht van een Volk om te kiezen hoe en met wie men leeft - het recht op zelfbeschikking - het meest fundamentele, onvervreemdbare mensenrecht is. Nationaal-Socialisten geloven in werkelijke mensenrechten voor alle volken. Het welzijn van het Arische ras is altijd onze eerste zorg, maar we ondersteunen en helpen andere naties en rassen in hun pogingen samenlevingen te bouwen die hen helpen gelukkig te worden en passend zijn bij hun unieke karakters.'

In Frankrijk bepleit Nieuw Rechts luid en fel 'het recht om anders te zijn'. Het concept van de differentie, 'het verschil', dat zo in zwang is onder postmoderne Parijse filosofen, staat daarbij centraal. De Groupement de Recherche et d'Etudes pour la Civilisation Européenne (GRECE), een denktank van rechtse intellectuelen die in sommige gevallen nauwe banden onderhouden met neo-fascistische groepen in heel Europa, eigent zich de taal van 'verschillen' toe voor de zaak van etnische apartheid. In het 'differentialistische racisme' wordt zelden gesproken van de biologische superioriteit van het ene ras over het andere. Integendeel, men is bereid toe te geven dat het concept van 'rassen' als van elkaar te onderscheiden biologische eenheden onjuist is en dat 'raciale identiteit' het resultaat is van toevallige historische omstandigheden. Nieuw Rechts is er dan ook niet op uit 'de ander' uit te roeien. Nee, het komt juist op voor etnische en culturele diversiteit en het koestert de verschillen die daardoor tussen mensen bestaan. Nieuw Rechts is op te vatten als een poging om racistische sentimenten meer acceptabel te maken voor het grote publiek, het is 'racisme met een fatsoenlijk gezicht'.

In uitgelekte vertrouwelijke documenten van GRECE staat dat het hoofddoel van de organisatie is 'intellectueel onderricht te verschaffen aan eenieder in wiens handen de komende jaren de macht tot besluitvorming zal komen te vallen'. Daarbij stelt men dat 'de politieke doeleinden onder geen enkele omstandigheid openbaar mogen worden gemaakt. We moeten ons doel presenteren als een intellectuele en morele revolutie.'

Voordat hij naar het Front National vertrok verklaarde Guillaume Faye, een leidende figuur van GRECE, onomwonden: 'In overeenstemming met de kern van de recht-op-verschil doctrine, moeten we een multiraciale samenleving afwijzen en - tezamen met de immigranten zelf - werken aan hun terugkeer naar het land van oorsprong.' Le Pen zegt het nog duidelijker: 'Wil een natie harmonieus zijn dan moet zij een zekere etnische en spirituele eenvormigheid hebben. Het probleem van de immigratie moet worden opgelost door een vreedzame en georganiseerde terugzending van immigranten.'

Het uiteindelijke doel van Nieuw Rechts in Frankrijk is om haar gedachtengoed - in feite extreem-rechtse ideeën - binnen te loodsen in het Franse politieke en intellectuele leven. Er wordt dan ook actief gezocht naar banden met andere bewegingen, waarbij vooral de Groenen in de belangstelling staan. Via de ecologiebeweging probeert GRECE bloed-en-bodem ideeën opnieuw ingang te doen vinden. Begin 1998 vond het eerste colloquium van de Nieuw-Rechtse milieu-organisatie 'Le recours aux forest' (terug naar het woud). De 'indo-germanen' zouden immers van nature 'bosvolkeren' zijn, terwijl voor de semitische volkeren de woestijn het natuurlijke grondgebied is. De directeur van de nieuwe organisatie, Laurent Ozon, is tevens hoofd van de milieu-tak van GRECE.

In een behartenswaardige beschouwing over het denken in termen van 'Bloed' en 'Cultuur' stelt Nicholas Hildyard van de Britse organisatie CornerHouse dat etniciteit een reële maatschappelijke factor is. Maar, zo voegt hij daar direct aan toe, zij is wel gegrondvest op fantasie, het is een 'sociale constructie', en daarmee een uitdrukking van machtsverschillen binnen een samenleving. De bekende Britse socioloog Stuart Hall heeft kort en bondig uitgelegd wat hij ziet als de kern van het glibberige begrip 'etniciteit': 'We spreken allemaal vanuit een specifieke plaats, op grond van een specifieke geschiedenis, een specifieke ervaring, een specifieke cultuur, zonder dat we daarmee zijn vastgelegd. We bevinden ons allen in die zin op een etnische plaats, en onze etnische identiteiten zijn cruciaal voor ons subjectieve gevoel van wie we zijn. Maar dat wil niet zeggen dat etniciteit is geworteld in de biologie, in lotsbestemming of in het een of andere 'authentieke' stelsel van onveranderlijke culturele tradities. De vorm van etniciteit is altijd historisch bepaald en verandert voortdurend.' Leden van een etnische gemeenschap kunnen wel denken dat de eigen groep apart is en uniek, maar in werkelijkheid is zij voortdurend aan veranderingen onderhevig. Het 'wij' en het 'zij' wordt telkens opnieuw gedefinieerd, al naar gelang de omstandigheden. De veronderstelde 'etnische identiteit' is een handige invalshoek om mensen te mobiliseren - soms voor bevrijding van onderdrukking, soms voor repressieve doeleinden.

Hildyard illustreert zijn opvatting aan de hand van de Afrikaanse geschiedenis. Wat de etnische identiteit van Afrikanen ook was vóór de koloniale periode, schrijft hij, het is duidelijk dat de koloniale machten de etnische verschillen tot een alledaags feit maakten. Op basis van rassentheorieën en schedelmetingen introduceerden de koloniale heersers 'etnische identiteitskaarten', waarmee eenieders identiteit keurig in een vakje werd ingedeeld. Etniciteit in hedendaags Afrika is echter geen oer-gegeven waardoor iemands identiteit buiten allerlei andere factoren gedefinieerd zou zijn. Integendeel: de etnische identiteit verandert voortdurend, het is een vloeibaar iets dat zich telkens opnieuw aanpast in antwoord op veranderende politieke, economische en sociale omstandigheden.

Het idee dat Afrika bestaat uit kant-en-klare en authentieke tribale 'staten-in-wording', die alleen maar uit de nationale lichamen hoeven te worden gelicht die door koloniale machten zijn opgelegd, berust grotendeels op historische fictie, zo beweert Nicholas Hildyard. Ter ondersteuning van die stelling citeert hij Terence Ranger, hoogleraar Race Relations aan de universiteit van Oxford: 'Vrijwel alle recente studies van het negentiende-eeuwse pre-koloniale Afrika hebben laten zien dat, in tegenstelling tot het idee als zou er één enkelvoudige "tribale" identiteit hebben bestaan, de meeste Afrikanen zich in en uit een veelvoud aan identiteiten bewogen. Op het ene moment definieerden zij zich als ondergeschikt aan deze chief, en op een ander moment als lid van die cultus en op weer een ander moment als deel van deze clan.' Het is ook weer niet zo, zo voegt Hildyard daar direct aan toe, dat de stam helemaal niet figureerde als een politieke en sociale eenheid in het pre-koloniale Afrika. Maar veel van de hedendaagse stammen zijn niet zozeer overblijfselen van het prekoloniale verleden als wel producten van de bestuurlijke of economische praktijk van de koloniale machten.' In het geval van Rwanda bijvoorbeeld bepaalde in de eerste plaats het werk dat iemand deed of hij Hutu dan wel Tutsi was. Wie zich een grote kudde verwierf werd Tutsi genoemd en stond in hoog aanzien. De Belgische koloniale macht had de Tutsi's nodig als bondgenoten om een fundamenteel onrechtvaardig politiek stelsel in stand te houden. Daarom kregen zij - ten koste van de Hutu's en de Twa - gepriviligeerde posities in de regering en het leger.

Nicholas Hildyard benadrukt dat omarming van 'het recht om anders te zijn' niet automatisch hoeft te leiden tot een scheiding van culturen. Evenmin betekent het feit, dat men gedwongen culturele scheiding niet als een politieke 'oplossing' ziet voor etnisch geweld, dat men bijgevolg voor gedwongen integratie is. Hildyard pleit voor 'pluralisme', waarbij niet alleen de verschillen tussen etnische groepen worden gewaardeerd, maar ook wat ze gemeenschappelijk hebben. Daarbij hoort dat men elkaar als gelijkwaardig beschouwt. Ongelijkheid tussen groepen leidt immers al gauw tot dominantie van de ene groep door de andere. Hij stelt zijn hoop op een politiek waarin verschillen wordt gerespecteerd, maar waarin ook verandering mogelijk is, en aanpassing van de tradities. Waar men nieuwsgierig is naar elkaar, open staat voor debat, en respect heeft voor andere visies en manieren van leven.

En de inheemse volken zelf, hoe staan zij tegenover de Nieuw-Rechtse omhelzing? Eind 1998 liet de vermaarde Noordamerikaanse Indiaanse leider Russell Means zich maar al te graag uitnodigen om te komen spreken op het colloquium 'Verworteling, verankering. Grondslagen voor de 21ste eeuw' dat in Antwerpen werd georganiseerd door de aan het Vlaams Blok gelieerde Nieuw-Rechtse organisatie TeKos. Means verscheen uiteindelijk niet zelf, zodat iemand anders zijn ingestuurde tekst moest voorlezen.

Het is de vraag in hoeverre inheemse volken zich rekenschap geven van de Nieuw-Rechtse avances in hun richting, laat staan dat zij zicht hebben op de wijdere politieke context waarbinnen die worden gemaakt. Onbedoeld lijken inheemse volken er zelf soms mede aanleiding toe te hebben gegeven, bijvoorbeeld in hun reactie op de plaag van de zogeheten wannabe's, de westerlingen die uit gebrek aan een eigen spiritueel referentiekader proberen zelf ook 'Indiaan' of 'Aborigine' te worden en zonder toestemming zweethutceremonies, medicine wheels en vision quests organiseren. Verbolgen over deze vorm van 'spirituele kolonisatie' geven inheemse spirituele leiders hun geestelijk verdoolde gasten de dringende raad om liever op zoek te gaan naar de eigen voorouderlijke en pre-christelijke wortels. Kortom, naar de tradities en mythologieën van bijvoorbeeld de Kelten of Germanen. Sinds het levensgevaarlijke misbruik dat door de nazi's van dit erfgoed is gemaakt lijkt die bron echter voorgoed vervuild.

bronnen (o.a.):

- Ecofascism: Lessons from the German Experience. Janet Biehl & Peter Staudenmaier, AK Press 1995

- 'Blood' and 'Culture'. Ethnic Conflict and the Authoritarian Right. Nicholas Hildyard, CornerHouse Briefing, 11 January 1999.

- Met 'Nieuw Rechts' tegen de globalisering? Eric Krebbers. De Fabel van de Illegaal, 1998

Uit: Indigo, jan./febr. 2000

Intellectuele metapolitiek door Tijn KRAMER in NRC Handelsblad 8 juni 2000

Extreem-rechts in Nederland heeft een nieuw platform: Voorpost. Het miniscule LANS geldt als kweekvijver voor het kader.

Eerst zaaien en dan pas oogsten. Dat is het motto van Voorpost en het Landelijk Actieplatform voor Nationalistische Studenten (LANS). Na verschillende ‘mislukkingen' van extreem-rechtse partijen bij de Nederlandse verkiezingen, met het dieptepunt in mei 1998, hebben enkele extreem-rechtse kopstukken de partijpolitiek verlaten. In plaats daarvan hebben ze gekozen voor ‘metapolitiek', het verspreiden van het extreem-rechtse woord, onafhankelijk van partijen.

Zie voor het complete artikel:
NRC - Intellectuele metapolitiek

Nationalistische intellectuelen willen een "nieuw rechts" door Gerrit de WIT in Gebladerte-reeks 15

Een aantal voormalige kopstukken van extreem-rechtse partijen en organisaties heeft zich verenigd in Voorpost en de Nederlandse Studenten Vereniging. Ze willen voorbij het platte racisme van Janmaat en wensen extreem-rechts te vernieuwen. Een van de eerste acties was het verspreiden van posters met de leus "Stop de Euro. Voor het behoud van identiteit. Met Voorpost in het offensief."

Voorpost is een van oorsprong Vlaamse organisatie die de Groot-Nederlandse gedachte nastreeft. Ze willen Nederlanders en Vlamingen verenigen in één staat en steunen de blanke boeren in Zuid-Afrika. De ideologie van Voorpost is zonder meer extreem-nationalistisch te noemen. Voorposters zijn vrijwel allemaal lid of lid geweest van andere groepen zoals de CD, de CP'86 en het Vlaams Blok. Tot voor enkele jaren geleden had Voorpost nog regelmatig propagandastands op hun bijeenkomsten. De laatste jaren werd er echter weinig meer van hen vernomen. In 1995 hield Voorpost nog een contactdag met een dia-serie over Zuid-Afrika. Onder de 40 aanwezigen was de hele top van de CP'86. Demonstraties van CP'86 trokken de laatste jaren nog wel Voorpost-leden. De CP'86 hield via Voorpost contact met extreem-rechts België.

Tot 1995 organiseerde Voorpost-lid Douwe van der Bos in september jaarlijks een demonstratie bij de herdenking van de "Slach by Warns". Dat is een Fries-nationalistisch evenement waarbij de overwinning van de Friezen op de Hollanders in 1345 wordt herdacht. In 1995 hielden verschillende anti-fascistische organisaties tijdens die herdenking een demonstratie voor het huis van Van der Bos. Die verdedigde zijn huis samen met leden van de CP'86, de CD, het Nederlands Blok, Voorpost, het Actiefront Nationaal-Socialisten (ANS) en nazistische Duitsers. Vanaf 1991 ronselde Van der Bos, samen met enkele andere Voorpost-leden, huurlingen voor de Kroatische fascistische HOS-militie en voor de Zuid-Afrikaanse racistische Boerestaatparty. Daarnaast smokkelden zijn huurlingen wapens en explosieven naar Zuid-Afrika. Van der Bos zamelde ook geld in voor de Afrikaner Weerstand Beweging.

Intellectueel volksnationalisme

Na de scheuring van de CP'86 in de NVP/CP'86 en Volksnationationalisten Nederland is Voorpost weer nieuw leven ingeblazen. Het 'intellectuele' kader van de voormalige CP'86 heeft de partij verlaten en heeft Voorpost overgenomen. Kopstukken als Marcel Rüter, Michiel Bos en Tim Mudde uit Sassenheim zien de volksnationalistische partijpolitiek überhaupt niet meer zitten. Ze zijn de repressie, de onderlinge ruzies en het hoge 'dombo'-gehalte in de partij zat. Voorpost belichaamt voor hen de volksnationalistische organisatie die boven de extreem-rechtse partijen staat. Voorpost moet een nieuwe voorhoede gaan vormen die intellectuele vorming benadrukt. Mudde en zijn kameraden zien meer in het organiseren van lezingen, het uitgeven en produceren van volksnationalistische literatuur via Voorpost-mantelorganisatie SOS-boekendienst, het infiltreren in het universitaire leven via de aan Voorpost gelieerde Nederlandse Studenten Vereniging, het spelen van een rol in de publieke opinie en het organiseren van kampen, weekenden en kroegavonden. Hierin is niet direct een rol weggelegd voor het platte racistische populisme waarmee Janmaat zich profileert.

Voorpost geeft een breder kader aan hun streven naar een fascistische staat. De organisatie legt de nadruk op het beschermen van de "eigen" identiteit en ageert tegen de toenemende islamitische en Amerikaanse invloeden op de Nederlandse cultuur. Door hun intellectuele manier van optreden hopen ze een rol te kunnen gaan spelen in het politieke krachtenveld en het maatschappelijke leven. Partijpolitiek blijft voorlopig nog uit den boze. Met name Rüter hamert al jarenlang op het uitbouwen van het 'intellect' van extreem-rechts. Kort voor de scheuring binnen de CP'86 in november 1996 werd Rüter voorzitter van Voorpost.

Voorpost kan zich ontwikkelen tot de vergaarbak van intellectueel extreem-rechts. Hiermee lijkt ze de weg op te willen gaan van de nieuw-rechtse stromingen in Duitsland en Frankrijk. In Frankrijk bijvoorbeeld schiep zo'n intellectuele bundeling ruimte voor een partij als het Front National. Het gedachtegoed van Voorpost staat niet op zichzelf. Ook een CDA-senator als A. Postma, hoogleraar in Groningen, pleitte begin mei voor een hernieuwde discussie over de samenvoeging van Vlaanderen en Nederland. Ook Jan Willem Wiggers en Theo Brinkel, beiden werkzaam voor het Wetenschappelijk Bureau van het CDA, toonden zich al eerder voorstander van een hereniging.

Nationalistische studentenvereniging

In november 1996 werd vanuit Voorpost de Nederlandse Studenten Vereniging (NLSV) opgericht. De NLSV wil nationalistische studenten organiseren en zo een extreem-rechts intellectueel kader kweken. De vereniging probeert naar eigen zeggen afdelingen op te zetten in Rotterdam, Utrecht en Leiden. De NLSV noemt zich een vereniging voor bewust Nederlandse studenten en komt op voor "de Nederlandse zaak" en voor "de Nederlandse volksgemeenschap". Ze vindt het "een vereiste voor een evenwichtige persoonlijkheid om een duidelijk beeld van de eigen Nederlandse identiteit te vormen". De NLSV laat er op haar website geen misverstanden over bestaan: "De NLSV is een vereniging van studenten die zich vanuit een natuurlijke levensvisie willen bezinnen op hedendaagse en toekomstige problemen die de Nederlandse maatschappij en gemeenschap betreffen. Daarbij laten we ons niet voorschrijven wat correct en wat niet correct is. Wij bepalen dat liever zelf. Deze non-conformistische, eigenzinnige opstelling heeft inmiddels tot enig onbegrip en vooroordelen geleid. Sommige louche elementen schuwden het niet ons voor alles wat vies is uit te maken. De meest opzienbarende scheldnamen zoals extreem-rechts, ultra-rechts en fascistisch hebben enkele NLSV ers dan ook al naar hun hoofd geslingerd gekregen." Niet geheel ten onrechte.

De NLSV gelooft in een sociaal en cultureel systeem van volksgemeenschappen, waarin geen plek is voor het "onnatuurlijke", zoals het liberalisme dat de mens reduceert "tot een bandenloos atoom in een toevallige massa. Daardoor wordt de natuurlijke ordening van de gemeenschap verstoord" en is "verlies van identiteit onoverkomelijk". Het socialisme krijgt er ook van langs. Dat "erkent niet de organische structuur van de gemeenschap, noch de natuurlijk onderscheiden groepen." De NLSV gaat niet zozeer uit van de "inferioriteit van andere rassen", zoals bij meer 'traditionele' extreem-rechtsen, maar van de veronderstelde "onverenigbaarheid van allochtonen en autochtonen". De studenten pleiten ook voor een hereniging van Nederland en Vlaanderen. "De Nederlanden één!", was dan ook een leus op de posters.

De NLSV-ers maken graag uitstapjes naar culturele bezienswaardigheden. Ze organiseren ook bier- en zangavonden (in het Nederlands) en activiteiten in de vrije natuur. De NLSV beroept zich hierbij op eeuwenoude Europese studententradities. De leden dragen vaak een baret en sjerp. Dat is met het oog "op de herleving en herwaardering van de Nederlandse tradities". Eén daarvan is de aanbidding van het koningshuis. Voor koninginnnedag verspreidde de NLSV dan ook op de Leidse universiteit een poster met 2 coupletten van het Wilhelmus. In februari 1997 bezocht een aantal NLSV-leden samen een bijeenkomst van Voorpost-Vlaanderen in België. Op 18 april 1997 organiseerde de vereniging haar eerste openbare activiteit. In Rotterdam werd een "Algemeen Nederlands Studenten Zangfeest" gehouden. Echt indrukwekkend was de opkomst niet: 20 mensen waarvan ruim de helft Vlamingen. Ook Tim Mudde kwam nog even langs. Hij was echter na 5 minuten weer vertrokken. In mei 1997 deed de NLSV mee aan een Pinksterkamp. Dat kamp was georganiseerd door Voorpost-Nederland, met onder meer Tim Mudde in de gelederen, en de Duitse neo-nazistische Junge Nationaldemokraten. Onlangs hield Voorpost-Nederland nog een strandwandeling en een barbecue waarvan de opbrengst ten goede kwam aan het NLSV.

Boer Nation Embassy of Nederland

De NLSV meet zich een voorzichtige houding aan. Uitgesproken racistische of extreem-nationalistische opmerkingen worden niet gemaakt. Ook wordt er nooit verwezen naar andere extreem-rechtse organisaties. De NLSV zelf ontkent extreem-rechts te zijn. Dat het toch om een enge club gaat, blijkt uit de achtergrond van de bestuurders en uit de dagelijkse praktijk van de NLSV. De NLSV is opgericht door de studenten Michel Hubert en Jan Koevoet. Marcel Bas is contactpersoon voor Zuid-Afrika. Wie zijn deze heren?

Op een homepage van de "Boer Nation Embassy of Nederland" meldt Marcel Bas zich als "Kontak Persoon Suid Afrika" van de NLSV. Bas is een oude bekende binnen extreem-rechts Nederland. In 1991 begint hij artikelen te publiceren in het blad StaVast van het uitermate rechtse Oud Strijders Legioen (OSL). Hij schrijft een verslag over een anti-Golfoorlogdemonstratie in Den Haag waarin hij 3 kolommen vuilspuit op links en vredelievend Nederland. In de jaren daarna schrijft Bas vele pagina's vol over de door hem verfoeide multiculturele samenleving, de stroom van asielzoekers en het Nederlandse drugsbeleid. Vanaf 1993 is Bas ook bestuurslid van de jongerenafdeling van de Nederlands-Zuidafrikaanse Werkgemeenschap (NZAW). Ook schrijft hij regelmatig in het blad "Zuid-Afrika Nu" van de NZAW. De NZAW is een felle pro-apartheidsorganisatie die zich na de omwenteling in Zuid-Afrika wat gematigder is gaan opstellen. Bas behoort tot de extreem-rechtse vleugel van het NZAW. Dat blijkt in november 1996 uit zijn artikel in "Zuid-Afrika Nu" over het oprukkende moslim-fundamentalisme en de toenemende criminaliteit in Zuid-Afrika. Hij neemt daarin dermate rechtse standpunten in dat de voorzitter zich er in een naschrift van distantieert.

In 1997 vertrekt hij naar Zuid-Afrika, maar houdt contact met zijn 'volksgemeenschap'. In oktober 1997 plaats hij een e-mail op de website van de gemeente Voorschoten, waarin hij zijn waardering voor die gemeente en de site uitspreekt. "Als er zoiets bestaat als dorpsnationalisme, dan ben ik er aanhanger van. Voorschoten moet Voorschoten blijven." Na 7 maanden Zuid-Afrika keert Bas begin april 1998 weer in Voorschoten terug. Sinds die tijd worden in Leiden diverse oranje posters van de NLSV aangetroffen waar-op studenten worden aangespoord om zich aan te sluiten bij de club die "politiek incorrect durft te zijn". Bas weet ook nog een hetzerige brief in het Leidsch Dagblad geplaatst te krijgen, waarin hij de vloer aanveegt met het Leidse actiecentrum Eurodusnie, De Fabel van de illegaal en de onlangs gesloten boekhandel Manifest. Op 25 april brengt Bas nog een bezoek aan de landdag van het OSL.

Doodstraf voor drugsdealers

De NLSV-bestuursleden Hubert en Koevoet zijn op dit moment ook lid van de militant nationalistische organisatie Voorpost-Nederland. NLSV-secretaris Koevoet is daarnaast ook een bekende van CP'86. NLSV-voorzitter Hubert studeert aan de Utrechtse universiteit. In 1992 wordt hij CP'86-lid. In september 1993 schrijft hij in "Centrumnieuws", het voormalige CP'86-partijblad, dat hij samen met een vriend het CP'86-gemeenteraadslid Stewart Mordaunt in Den Haag heeft bezocht. Hij meldt dat hij in Den Haag "negers en Marokkanen" drugs zag gebruiken en eindigt met het subtiele "doodstraf voor drugdealers". Ook op straat wordt Hubert actief. In 1995 wordt hij 2 keer gearresteerd bij verboden CP'86-demonstraties.

Hubert heeft interesse in Internet en wordt op de universiteit lid van de Internet-subcommissie van zijn faculteit. In dezelfde periode neemt CP'86 op Internet een eigen "site" in gebruik. Die staat op naam van partijsecretaris Tim Mudde, die in de Bollenstreek woont. De site bevat veel informatie over de partij, artikelen uit het partijblad en staat bol van de Keltische kruizen. Hubert onderhoudt de site. Behalve voor CP'86 heeft hij ook pagina's opgemaakt voor de extreem-rechtse onderzoeksgroep ODIN, die anti-fascisten bespioneert. Op de universiteit is eens gezien dat Hubert met een computerprogramma in de weer was dat "Jewrats" heette.

Paneldebat: Op de vlucht voor nieuw-rechts ? - door ACU op WTO-ned november '99

Discussie: Op de vlucht voor nieuw-rechts?

Met in het panel: Kees Stad, Ventana en anti-World Trade Organisation-netwerk, Merijn Schoenmaker, anti-racistische groepering
Fabel van de Illegaal en ex-secretariaatslid van 'MAI niet gezien' en Hans van
Boven, directeur van de Nederlandse Vegetariersbond en coordiantor van
Animal Peace.

Anti-mai

Het secretariaat van het campagne-netwerk 'MAI niet gezien!' (anti-globaliseringscampagne) kwam er in 1998 achter dat ook nieuw-rechts grote interesse had in de campagne en besloot na intensief onderzoek en diverse publicaties te stoppen met de campagne. Niet iedereen was het daarmee eens.

Nieuw-rechts is een stroming, met in Nederland Voorpost als belangrijkste exponent, die zich baseert op de theorie van de verovering van de culturele
macht. Door beinvloeding van de publieke opinie en zich te mengen in debatten
en vraagstukken, hoopt zij uiteindelijk via een politieke partij de macht te
verwerven. Zo is er in het verleden in België en Frankrijk ruimte gemaakt voor respectievelijk het succesvolle Vlaams Blok en het, nu wat teruggevallen, Front National.

Nieuw-rechts, of extreem-rechts, heeft zich, historisch gezien, altijd al geinteresseerd in politieke kwesties waar (radikaal)-links zich tegenaan bemoeit. De recente interesse heeft echter ook een ander doel, namelijk het verwarren en verzwakken van haar politieke tegenstanders. Hiervan zijn de acties op 16 oktober jl. van Voorpost en aanverwante groepen rond McDonalds een goed voorbeeld. Het Komitee Utrecht tegen Racisme en Fascisme (KURF)is benieuwd hoe linkse groeperingen omgaan met deze interesse en wat voor antwoord ze formuleren op theoretisch en praktisch gebied.

De volgende stellingen zullen in het debat als leidraad fungeren:

* Bij een breed opgezette campagne, kan de groep die de kar trekt, niet zomaar stoppen, als zij merken dat de ideologische invulling niet helemaal klopt.
* Door het formuleren van te strakke hoofdlijnen in een campagne, zul je teveel mensen uitsluiten waardoor het effect van de campagne marginaal blijft.
* Het is onmogelijk om alle campagne-onderwerpen van de etiketten anti-patriarchaal en anti-racisme te voorzien
* Is de invloed van nieuw-rechts of conservatieve groepen erg? Zolang jouw uitgangspunten duidelijk zijn, is er niets aan de hand. Zodra er alleen nog
maar rechtse types op jouw campagne afkomen, kun je je gaan afvragen waar je mee bezig bent.
* Dierenrechten zijn onzijdig, het maakt niet uit of je rechts of links bent
om op te komen voor de rechten van dieren.
* Of nu links of rechts tegen McDonalds is, het gaat erom zoveel mogelijk mensen ervan te weerhouden bij McDonalds te eten

Uiteraard is het mogelijk om vragen te stellen aan de panelleden.

Zaal open: 19.30
Aanvang discussie: 20.00
Pauze: 21.00
Einde 22.00

Plaats: ACU, Voorstraat 71, Utrecht

Nieuw-Rechts: of hoe de denkbeelden van het vooroorlogse fascisme kunnen voortleven na WO II door Onbekend

Inleiding:

Centraal in dit werk staat de visie van Nieuw-Rechts op het Westerse samenlevingsmodel. Een ideologie is echter nooit los te koppelen van haar strategie op het verwerven van macht over de samenleving. Deze strategie is immers -logischerwijs- nauw verbonden met de eigenlijke ideologie die uitgedragen wordt.

Fundamenteel is dus de vraagstelling “wanneer bezit iets of iemand macht over/binnen de samenleving?”

Het is op basis van deze vraag dat een onderscheid kan gemaakt worden tussen het vooroorlogse fascisme en haar naoorlogse equivalent namelijk de “Nouvelle Droite” of Nieuw-Rechts. Hier zal immers betoogd worden dat de “Nouvelle Droite” in wezen de moderne veruiterlijkingsvorm is van het fascisme. De nadruk ligt hierbij op de “veruiterlijkingsvorm”, aangezien enkel de fascistische strategie is veranderd. Voor de naoorlogse visie op het verwerven van macht staat binnen fascistische kringen immers het concept “metapolitieke strijd” centraal. Het betreft hier eigenlijk een afgeleide van de neo-marxistische kritiek van Antonio Gramsci Daarom is het interessant om even vooraf kort deze visie te schetsen.



Hoofdstuk I: De kritiek van de neo-marxist Antonio Gramsci

Gramsci was van mening dat Marxisten zich niet voldoende hadden beziggehouden met de “bovenbouw” Door hun te grote aandacht voor de onderbouw waren ze in zijn ogen kortzichtig. Het volstaat volgens Gramsci dus niet dat er macht wordt nagestreefd over de onderbouw.

Een nieuwe cultuur (dus ook denkbeelden bij mensen in een samenleving en hun gedrag) wordt namelijk ook bepaald door de staat, de politiek en een ideologie en niet enkel door zuiver economische factoren. Het waren in de ogen van Gramsci de staat en de ideologie die de samenleving vorm gaven zodat ze het best de noden van de heersende economische macht kon dienen (het kapitalisme dus).

Om macht te bezitten moet er dus ook gewerkt worden aan een machtspositie binnen het bepalen van de denkbeelden van mensen, en dit kan gebeuren vanuit de “bovenbouw”.

Het politieke apparaat loopt immers parallel met het zogenaamde “civiele apparaat” volgens Gramsci. Ieder politiek apparaat wordt dus nog eens versterkt door een maatschappelijke consensus, namelijk de ideologische ondersteuning door de massa. Deze ideologische ondersteuning veruiterlijkt zich door het bestaan van een zekere consensus over cultuur, het heersende wereldbeeld en de ethiek. Het bestaan van politieke macht is dus mede afhankelijk van de culturele macht die besloten ligt in de massa.

Aan dit principe zal Nieuw-rechts een nieuwe invulling geven die in de volgende hoofdstukken aan bod zal komen.

Hoofdstuk II: Het Nieuw-Rechtse “Gramscianisme”[1]

In voorgaand hoofdstuk werd de kritiek van Gramsci op het klassieke marxisme besproken.

Kort samengevat stelde Gramsci dat de hegemonie van de samenleving ook verwezenlijkt wordt vanuit de marxistische bovenbouw. De staat beperkt zich dus niet tot haar rol van staatsapparaat. Ze houdt zich ook onledig met het bepalen en dirigeren van de bestaande ideologie in de samenleving.

Het is voor politieke bewegingen dus eveneens belangrijk dat de bevolking overtuigd wordt van de noodzaak van verandering. Hun denkbeelden, ethiek, waarden, kunst moet bewerkt en gekneed worden. Het is immers pas wanneer de massa verandering als logisch en vanzelfsprekend aanziet, dat de bestaande politieke orde omver kan worden geworpen, aangezien ze dan geen wortels meer heeft in de maatschappelijke consensus.

Uit deze redenering trekt Nieuw-Rechts een aantal consequenties. De “metapolitieke strijd”, zo fundamenteel voor Nieuw-Rechts is dus een “revolutie” of “oorlog” die uitgevochten wordt op het culturele niveau van de wereldbeelden en algemene visies op mens en samenleving.

Het is dit metapolitieke niveau dat het vertrekpunt is van Nieuw-Rechts. Zij willen letterlijk de “laboratoria van het denken” overnemen. Zij willen tegenover het egalitaire ethos en het egalitaire socio-economische denken een wereldbeeld plaatsen dat “verscheidenheid” of “differentialisme” centraal stelt. Zij creëren dus de denkbeelden en visies die noodzakelijk zijn voor het controleren van de culturele macht over de samenleving.

Dit alles blijkt ook uit de definitie van Nieuw-Rechts zoals ze door Pierre Krebs (de belangrijkste vertegenwoordiger van het Duitse Nieuw-Rechts) werd verwoord:

“Ons streven kan niet gevat worden binnen een politieke partij maar eerder binnen een metapolitiek, zuiver cultureel project.”

Dit is echter de invulling van Nieuw-Rechts door één van de eigen ideologen; in een volgend hoofdstuk zal de concrete aard en het kader waarbinnen Nieuw-Rechts functioneert uit de doeken worden gedaan. Alvorens daartoe over te gaan wil ik graag nog wijzen op deze uitspraak van Filip De Winter die hij deed in het “zwartboek progressieve leraars”:

Filip Dewinter: "De ideologische meerderheid is belangrijker dan de parlementaire meerderheid, ze gaat deze laatste zelfs gewoon vooraf.”

Deze uitspraak kan zonder twijfel opgevat worden als een bewijs van de verregaande invloed van het Nieuw-Rechtse denken op de jongere kaders van het Vlaams Blok. In de laatste twee hoofdstukken zal hier echter ruimer worden op ingegaan.


Hoofdstuk III: Nieuw-Rechts haar oorsprong en het waarom van haar strategie[2]

In de voorgaande hoofdstukken werd aangegeven dat er verschillende strategieën zijn om de macht te verwerven over een samenleving. Men kan opteren voor een politieke strategie of opteren voor een metapolitieke strategie (Nieuw-Rechts).

De metapolitieke strijd, is eerder het wapen van diegenen die langs democratische weg geen politieke macht kunnen afdwingen.

Dat gebrek aan wervende kracht is ook de reden waarom Nieuw-Rechts zich gestort heeft op deze theorie van Gramsci. Maar waarom zou Nieuw-Rechts überhaupt weinig of geen wervende kracht hebben? Om een antwoord te hebben op deze indringende vraag zullen we voor het eerst moeten ingaan op de “ideologie” van Nieuw-Rechts aangezien we het nu enkel over haar “strategie” hebben gehad. Nieuw-Rechts is namelijk de moderne verschijningsvorm van het fascisme, en aangezien het fascisme binnen brede lagen van de bevolking na de Tweede Oorlog in diskrediet was geraakt, lag het voor hand dat politieke macht niet binnen handbereik lag.

We moeten dus een duidelijk onderscheid maken tussen de “uiterlijkheden” van een ideologie en haar “innerlijke wezen”. Dat innerlijke wezen is de “filosofie” de “kern” van een politieke ideologie en is net datgene wat haar kan onderscheiden van andere ideologieën. Anders zou het immers zo zijn dat we alle dictaturen op één hoopje kunnen gooien, want bijvoorbeeld “parades”, “militarisme”, “leiderscultus”, “politiek geweld” en “ideologische terreur” zijn bijvoorbeeld zowel kenmerken van een stalinistische als van een fascistische staat.

Willen we komen tot de kern van de zaak dan moeten we verder kijken dan deze “uiterlijkheden” of manieren waarop deze staat zichzelf in stand weet te houden, en elke tegenbeweging de kop indrukt. Daarom zal ik in een volgend hoofdstuk komen tot een eerste verkenning van de concrete Nieuw-Rechtse ideologie.


Hoofdstuk IV: De Nieuw-Rechtse ideologie[3]

Nieuw-Rechts heeft net als elke ideologie een ontstaansgrond. We moeten er daarbij wel nogmaals op wijzen dat Nieuw-Rechts geen partijpolitiek denken impliceert. Haar doel is namelijk niet het verwerven van politieke macht maar enkel het scheppen van een cultureel fundament waarop die politieke macht later kan gebouwd worden. Zij zijn de “voorhoede” zeg maar, de denktank.

Toch hebben ze ook een ideologie met een aantal specifieke kenmerken. En die ideologie heeft bepaalde wortels en gaat terug tot bepaalde auteurs.


De impact van het concept “Konservative Revolution”

Eén van die basisfiguren is Armin Mohler die in 1950 een werk publiceerde met de titel: “Die Konservative Revolution in Deutschland 1918-1932”. Men kan het werk beschouwen als een soort catalogus van alle antidemocratische denkers uit het Duitsland tussen 1918 en de machtsgreep van de NSDAP. Hij beschouwde al die auteurs LETTERLIJK als “de Trotskisten van de Duitse revolutie.” Ze waren de weg aan het plaveien voor de “gezonde” transformatie van de Duitse en westerse cultuur. Mohler schreef: “ Hitler en zijn Derde Rijk was net zo zeer een perversie van de nationalistische revolutie (waar ze naar streefden) als de Stalinistische invulling van de “socialistische revolutie” was voor de Troskisten”.

Een centraal deel in het denken van Mohler is vervolgens het geloof in “verval”.

Hij stelde dat “ de oude westerse structuren in verval zijn, het waren eens synthesen van de klassieke Oudheid en het christendom en de Verlichting.” “Een nieuwe eenheid bestaat nog niet, we leven in een tussenfase, en de “Konservative Revolution” was een aanzet om die tussenfase te overbruggen.” Tot deze Konservative Revolution rekende Mohler ook het Nazisme hoewel hij vond dat ze er toch op een aantal punten van afweek. Zo paste het “sociale en populistische karakter” van het nazisme niet echt binnen de Konservative Revolution. Anderzijds schreef hij letterlijk, dat één punt alle verschillende veruiterlijkingen verbond, één punt was wezenlijk belangrijk en dat was een geloof in een revolutie die haar wortels had in specifiek nationalistisch of etnisch denken én voelen als bron van “wedergeboorte”. Een ander wezenlijk punt is in zijn ogen het verwerpen van het Joods-christelijke lineaire denken over tijd. Hun voorkeur ging uit naar een cyclische of sferische tijdsopvatting.

Op basis van citaten van mensen die hij tot de Konservative revolution rekende; zoals Jünger, kwam hij tot de stelling dat de mensheid een “nulpunt” zou bereiken, op dat ogenblik zou de “decadente tijd” van egalitarisme, kosmopolitisch denken, materialisme, individualisme, rationalisme, en de principes van de Franse Revolutie (vrijheid, gelijkheid en broederschap) plaats maken voor een hiërarchische, supraindividuele, “organische” en “heroïsche” samenleving.

We mogen het kader waarbinnen het werk van Mohler ontstond niet buiten beschouwing laten, het is immers van wezenlijk belang om de impact ervan ten gronde te vatten. Mohler schreef zijn werk immers in het Duitsland van net na de Tweede Wereldoorlog. Mohler schreef bovendien zelf in zijn werk; dat hij met dat werk expliciet de bedoeling had zijn bijdrage te leveren bij de verwezenlijking van de Konservative Revolution. Hij schrijft: “die Europese Revolutie die door de nederlaag van de Nazi-Duitsland en de overwinning van de decadente Liberale en communistische imperialisten noodzakelijk is geworden.”

Het draagt als ondertitel “handboek” en het is duidelijk om wat voor handboek het gaat; een handboek dat nieuwe moed moet geven aan diegenen die in ideologische wanhoop verkeren o.i.v. het nieuwe maatschappelijke en politieke kader. Het boek creëert immers een nieuw “begrip” namelijk de “Konservative Revolution”. Dat begrip had nooit bestaan voor Mohler ermee op de proppen kwam. Hij had daarmee niet tot doel een nieuw heuristisch instrument te introduceren maar wou integendeel een nieuwe inspiratiebron aanreiken die de basiskenmerken van het vooroorlogse fascisme de naoorlogse periode moest binnenloodsen.

Op die manier heeft Mohler dan ook een uiterst belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van radicaal-rechts. Hij stelt immers en geeft die boodschap duidelijk mee; dat de rechtse revolutie die zich in het interbellum aftekende, door de nederlaag van Nazi-Duitsland “uitgesteld werd”, en dat de “decadente krachten” zich opnieuw in het zadel hebben getild. Daardoor is de tijd niet langer rijp voor directe aanvallen op politieke bastions zoals die door de SA en de SS werden uitgevoerd of door demagogie en massapropaganda werden afgedwongen. In plaats daarvan was het volgens Mohler tijd om het werk over te laten aan intellectuelen (eerder denkers en visionairs want “intellectuelen” ziet Mohler als mensen die enkel met de rede bezig zijn wat een obsessie van het verlichtingsdenken is in zijn ogen). Die denkers en visionairs moesten de culturele onderbouw vormgeven.

Een belangrijke bron voor de link tussen Mohler en de nieuwe “fascistische strategie” is Giorgio Locchi. Locchi is de auteur van het werk “de essentie van het fascisme” en is één van de vooraanstaande intellectuelen van extreem-rechts in Italië. Locchi ziet fascisme als “de eerste politieke uiting van een zuiver spiritueel en cultureel “superhumanisme” of elitarisme.” Dit “superhumanisme” verwerpt de egalitaire, democratische, universalistische visie op de mens en keert zich tegen het vooruitgangsgeloof. Het ontstaan van dit denken had volgens hem zijn wortels in de 19de eeuw en heeft zich volgens hem niet genoeg kunnen doorzetten in de jaren ’30 en ’40 (Mussolini en Hitler verloren de oorlog) maar kon uiteindelijk overwinnen in de tweede helft van de 20e eeuw, indien het zich aanpaste en zich zou richten op de verandering van de culturele onderbouw.


De impact van Julius Evola

We zagen reeds hoe de Duitser Amin Mohler omging met de nederlaag van het Nazisme, maar ook het Italië na Mussolini kende een soortgelijke figuur namelijk Julius Evola. Evola maakte in de jaren ’20 deel uit van de Italiaanse Dada beweging, maar keerde zich nadien eerder richting auteurs als Nietzsche, Spengler en Jünger.

Ook hij ervoer zijn tijd als zijnde “decadent”, hij schreef deze “decadentie” toe aan secularisatie, materialisme en rationalisme.

Evola gaf de voorkeur aan wat hij noemde “traditionele samenlevingsvormen” die in zijn ogen gekenmerkt werden door instituties die bepaald werden door een geloof in een “metafysische orde” (een orde opgelegd door iets dat niet aards is). Zulke samenlevingen werden geregeerd door een “elite” bestaande uit krijgers en priesters (de fameuze krijgeraristocratieën). Door deze verbinding van priesters en krijgers zou in zijn ogen het eeuwige met het tijdelijke verbonden worden. Het gevolg van zo’n maatschappelijke orde zou volgens Evola het ontstaan van een “ascetische militaristische ethiek” zijn. Geschiedenis was in de ogen van Evola een cyclisch gebeuren (samenlevingen doorlopen verschillende fasen van opkomst en verval). De samenleving na de Franse Revolutie beschouwde hij als decadent maar in zijn ogen zou het tij onvermijdelijk keren. Evola zag een tijdje in Mussolini de man die deze “traditionele” samenlevingsvormen opnieuw zou instaureren. Hij beschouwde de Italianen als een superieure tak van de “Arische boom”. Evola richtte zijn hoop echter vooral op de SS die hij beschouwde als een uiting van zijn “ascetische militaristische ethiek”. Hij vond echter dat zowel Hitler als Mussolini toch een pact hadden gesloten met de “decadente” tijd waarin ze leefden, aangezien ze toch een aantal compromissen hadden gesloten met “de massa”. Ze waren met andere woorden niet aristocratisch genoeg in zijn ogen en maakten enigszins nog deel uit van “de massa”. In zijn ogen was het echter onvermijdelijk dat een nieuwe aristocratische cultuur zou ontstaan die “alle arische volkeren” zou behelzen.

In de jaren ’60 toen Italië al een eind gevorderd was met de wederopbouw begon zijn vertrouwen in een snelle “ommekeer” echter weg te ebben. Zijn nieuwe ideeën schreef hij neer in “Calvalcare la tigre” uit 1961. Daarin stelde hij dat er in de moderne wereld niets meer was waar hij zich aan kon vastklampen. Er was geen “ware organische staat”, er waren “geen heersers”, “ geen monarchen die heersten bij goddelijk recht en het zwaard en de scepter konden hanteren”, zijn wanhoop was dus groot.

De regimes in Duitsland en Italië hadden in zijn ogen een enorme potentiële dynamiek gehad maar dat alles was nu verdwenen en maakte plaats voor “het effect van de principes van de Franse Revolutie met zijn vulgariteit, middelmatigheid en barbaarsheid.”

Welke weg moest de “natuurlijke aartsaristocraat nu inslaan?” Die weg was de weg van de “apoliteia”, de afkeer van de politiek en alles wat die vorm geeft. Men moet dus de “tijger berijden” (de titel van het boek) en zich laten dragen door het besef dat deze bestaande wereld toch vroeg of laat zal plaats maken voor een “nieuwe orde”, hoe lang is van geen tel meer.

Evola gaf dus de raad om niet meer over te schakelen op de technieken van het vooroorlogse fascisme want die tactiek zou in de naoorlogse periode niet meer haalbaar zijn. Moest men dan de hoop opgeven? Allerminst! Men kon de hoop blijven koesteren dat verandering onvermijdelijk zou komen en leven in het besef dat er een “geheime broederschap” was van mensen die zich onopmerkzaam gedroegen en zich schijnbaar accommodeerden aan het systeem, maar langzaam de culturele onderbouw wijzigden.

Naast het concept “Konservative revolution” dat door Mohler was bedacht (het betrof vooral denkers die niet of amper rechtstreeks bij nazi-Duitsland betrokken waren) om fascisme als een paard van Troje de naoorlogse periode binnen te smokkelen, bestond er nu voor al diegenen die beseften dat het klimaat in het Europa van na 1945 een snelle opkomst van het fascisme onmogelijk maakte, een nieuwe “oplossing” namelijk een “culturele strijd”. Politieke macht was onmogelijk maar op cultureel niveau kon een strijd geleverd worden.

Op die manier vormden Evola en Moehler de belangrijkste ideologische fundamenten van wat Nieuw-Rechts zou worden.


Nieuw-Rechts of liever de “Nouvelle Droite”[4]

Wat hadden Evola en Mohler concreet verwezenlijkt?

1) Ze hielden het fascistische standpunt dat “socialisme en liberalisme decadente voortvloeisels waren van de verderfelijke Franse Revolutie” overeind.

2) Ze legden de oorzaak van de nederlaag van Hitler bij het feit dat hij een compromis had gesloten met de bestaande krachten. Bovendien had hij geen intellectuele elite gebouwd die het hele bouwwerk moest dragen, maar had hij de voorkeur gegeven aan de demagogie. Bovendien was het nazisme toch nog te strikt nationalistisch. Het had wel een “heel-Europese gedachte” gehuldigd maar was toch nog teveel uitgegaan van een “Duitse invulling” daarvan.

3) Ze verwierpen de holocaust, dus dat kon in hun ogen niet meer tegen hen gebruikt worden.

4) Ze verklaarden waarom een “anti-egalitaire revolutie” niet langer onmiddellijk haalbaar was in deze tijd maar gaven toch een blauwdruk voor een nieuwe (culturele) strategie.

5) Het rechtse gramscianisme werd door hen al gehuldigd en wou dus zeggen dat ze zich afkeerden van politieke partijen en kozen voor een culturele strategie die in hun ogen de nieuwe politieke hegemonie moest voorafgaan.

6) Bovendien wisten ze zich in te dekken tegen beschuldigingen als zouden ze fascisten zijn aangezien ze zich (door hun voorkeur voor een culturele STRATEGIE) keerden tegen de uiterlijke kenmerken van de politieke STRATEGIE van de vooroorlogse fascisten (paramilitaire formaties, geweld, terreur, leiderscultus, strikt nationalisme).

Een belangrijke man namelijk Pierre-André Taguieff; heeft uitgebreid het proces geschetst hoe deze denkbeelden van Evola en Mohler door de NOUVELLE-DROITE werden overgenomen.

Het betoog van Taguief gaat als volgt:

In het prille begin was de NOUVELLE-DROITE een antwoord op de crisis binnen het Franse fascisme in de nasleep van de Algerijnse oorlog. Dominique VENNER schreef in 1962 “pour une critique positive” waarin hij opriep tot een Frans ultranationalisme dat zou geworteld moeten zijn in een Europees raamwerk. Eigenlijk had VENNER zich laten inspireren door het werk “Qu’est-ce que le fascisme” van Maurice BARDÈCHE uit 1961. In dat werk verheerlijkte de auteur “de kracht van het fascisme die het getoond had bij het scheppen van nieuwe samenlevingen in het Duitsland en Italië van de jaren ’30”. Ook legde hij een belangrijke rol weg voor het fascisme bij het creëren van een “nieuw Europa” dat “bevrijd” zou zijn van de invloed van de VS en de USSR. Het ultranationalisme dat dus bestond voor de Tweede Wereldoorlog zou moeten plaatsmaken voor een soort “EUROPEANISME”…

Taguieff toonde aan dat de schrijfsels van al diegenen die later bij de NOUVELLE DROITE (en haar belangrijkste denktank GRECE) betrokken waren, in de periode 1962-1967 deze idee van het “Europeanisme” wel verdedigden, maar dit toch nog koppelden aan een “ biologisch Arianisme” in onvervalste Nazi-stijl.

Het is pas in de periode 1972-1979 dat de Nouvelle Droite ten tonele zou verschijnen en een cultureel en geen raciaal discours zou afsteken.

De belangrijkste standpunten waren:

1) Een verwerpen van het “gelijkheidsdenken” (egalitarisme) mensen zijn dus fundamenteel ongelijkwaardig

2) Een oproep tot de “wedergeboorte van Europa” via haar “Indo-Germaanse wortels” (wat de nazi’s nog “Arisch” hadden genoemd).

Bij de uitwerking van deze ideeën speelde het in mei ’68 opgerichte GRECE een fundamentele rol. Grece was de “denktank” van Nieuw-Rechts en ze bestaat nu nog steeds.

Een tweede belangrijke fase binnen de ontwikkeling van de Nouvelle Droite kwam er in de periode 1979-1983 toen men de idee van het “differentialisme” introduceerde.

Dit differentialisme hield in dat men “opkwam” voor de verscheidenheid aan “rassen” en culturen in de wereld. Met dat argument kwam men op tegen “vluchtelingenstromen” en “ontwikkelingshulp” en uiteraard “rassenvermenging”.

Dit kwam nog meer tot uiting in de periode 1984-1987 toen men overschakelde op het “derdewereld-isme” dat nog explicieter hulp aan de derdewereld verwierp omdat zulks de “culturen op deze planeet teveel zou gelijkmaken”.

De belangrijkste figuur, of zelfs dé figuur die de NOUVELLE DROITE belichaamde, was Alain de Benoist.

Alain De Benoist[5]

Eén figuur is dus onlosmakelijk verbonden met de Nouvelle Droite en dat is Alain De Benoist.

Hij was één van de oprichters van de GRECE en haar belangrijkste vertegenwoordiger. In zijn werk “Vu de Droite” uit 1977 vinden we o.a. volgende uitspraken: “450 miljoen Europeanen zijn de afstammelingen van dezelfde cultuur, van dezelfde bron. Hun voorvaders zijn de Indo-Europeanen” p.32 (wat de nazi’s Ariërs noemden of Indo-Germanen).

Ik citeer nu even, Professor Louis Vos historicus aan de KUL:

“De Franse Nouvelle Droite-beweging, waarin de vereniging GRECE (uitgesproken: Grèce: Groupement de Recherche et d'Etudes pour la Civilisation Européenne) met als belangrijkste ideoloog Alain de Benoist. GRECE wilde via een netwerk van basisgroepen, de uitgave van boeken en tijdschriften (zoals Nouvelle Ecole), en het opzetten van colloquia en conferenties in kringen van studenten, de dominerende linkse cultuur ondermijnen en vervangen door een rechtse visie op de samenleving. Ze wilde vooral drie axioma's van de heersende cultuur in vraag stellen: de universeel aanvaarde rechten van de mens, het streven naar sociale gelijkheid, en het taboe dat sinds 1945 rustte op fascisme en rechtse revolutie. Ze bood haar militanten een coherente doctrine waarvan het kernstuk was: “de ongelijkheid van de mensen.”


Hoofdstuk VI: Nieuw-Rechts en het Vlaams Blok[6]

Nieuw-Rechts en het rechtse deel van de Vlaamse Beweging voor het egmontpact

Na de Tweede Wereldoorlog was het politieke en ideologische klimaat in Vlaanderen een snelle opkomst van Rechts-radicale bewegingen allerminst gunstig gezind. De meeste bewegingen gingen ondergronds en verdwenen in de marginaliteit. Het partijpolitieke Vlaams-nationalisme had in de naoorlogse periode erg te leiden onder het odium van de collaboratie en dat gold uiteraard in exponentiële mate voor haar uiterst rechtse vleugel. Onder invloed van allerhande factoren waaronder de verscherping van de Koude Oorlog kwam er verandering in die situatie. Eerst kon het partijpolitieke Flamingantisme zich enigszins organiseren binnen de Volksunie en in haar marge was er plaats voor allerhande rechts-radicale formaties. Het was echter pas o.i.v. de verscherpte links-rechts tegenstellingen aan het einde van de jaren '60 dat er enigszins sprake was van een radicaal-rechts heropleven in Vlaanderen . Een belangrijke verklarende factor was de invloed van Nieuw-Rechts in Vlaanderen. Langzamerhand werden de kringen van nazi-nostalgici veelal verdreven uit het rechts-radicale spectrum en maakten ze plaats voor een generatie de oorlog amper bewust had beleefd. Op deze generatie ruste niet langer het odium van de collaboratie en ze kon probleemloos een nieuwe ideologie introduceren in het naoorlogse Vlaanderen. Zo was er het “Aktiecentrum Delta”, en schreef Roeland Raes Nieuw-Rechts georiënteerde bijdragen in het blad “Dietsland Europa”.

Een ander bewijs van de groeiende verspreiding van het Nieuw-rechtse gedachtegoed is de in 1976 opgerichte radicale studenten vereniging NSV (Nationalistische Studentenvereniging). Aanvankelijk bestond de NSV enkel in Antwerpen maar toen ook aan de andere Vlaamse universiteiten afdelingen werden opgericht, ontpopte het NSV zich tot een vormingscentrum dat een enorme impact had op een nieuwe generatie Vlaamsnationalisten.

In 1981 werd onder invloed van de NSV ook een eigen scholierenvereniging opgericht namelijk het Nationalistisch Jongstudentenverbond of NJSV. Dit creëerde de kaders waaruit een nieuwe generatie rechts-radicalen zou opstaan die een beslissende impact zouden hebben op het Vlaams Blok.

Die beslissende impact werd in de hand gewerkt door het Egmontpact dat in 1977 door de Volksunie ondertekend werd. Die ondertekening dreef de interne spanningen tussen de partij en haar rechts-radicale vleugel ten top. Het boegbeeld van die rechts-radicale vleugel was Karel Dillen die al in 1974 een “Vlaams-Nationale Raad” had opgericht die als drukkingsmiddel binnen de VU werd aanzien. In 1977 zag Dillen echter nog enkel heil in de oprichting van een nieuwe Rechts-Radicale partij.

De ideologische onderbouw ervan begon in datzelfde jaar vorm te krijgen op de maandelijkse conferenties van de Stichting Deltapers waar de thema’s van de Nouvelle-Droite ideologie behandeld werden en waar zelfs haar boegbeeld Alain de Benoist geregeld het woord voerde.

De versmelting van de Nieuw-Rechtse ideologie met het traditionele Rechts-radicale Vlaamsnationalisme kwam er onder invloed van twee politieke formaties, namelijk de Vlaams-Nationale Partij (VNP) van Karel Dillen en de Vlaamse Volkspartij (VVP) van Lode Claes. Dillen bleef trouw aan het oude Rechts-radicalisme dat verankerd was in een virulent Vlaamsnationalisme maar Claes zag meer heil in één breed conservatief front waar een aantal Nieuw-rechtse denkbeelden niet vreemd aan waren (o.i.v. Pauwels).

Beide bewegingen zouden voor de verkiezingen van december 1978 samen een kartel vormen onder de naam “Vlaams Blok”. Het resultaat van deze lijst was; dat enkel Karel Dillen werd verkozen en dat Claes de samenwerking opzegde.

Zijn beweging de VVP ging gedeeltelijk op in de VNP van Dillen en stierf voor het overige een stille dood. Een jaar later richtte Luk Pauwels; die voordien partijsecretaris was geweest bij de VVP, samen met zijn echtgenote Hildegonde de Bois het tijdschrift “Teksten, Kommentaren en Studies” (TeKoS) op.

Vanaf de jaren ’80 zou dit blad een enorme invloed uitoefenen op de ideologische transitie binnen het Vlaamse Rechts-radicalisme.


Hoofdstuk VII: Nieuw-Rechts als dominante ideologie binnen het Vlaams Blok

De impact van het Nieuw-Rechtse blad TeKos

TeKoS verdreef aan het begin van de jaren ’80 “Dietsland Europa” van het voorplan, en wierp zich op als de dominante denktank binnen Rechts-radicale Vlaams-nationalistische kringen. Op die manier begon de Nouvelle Droite aan een gestage opmars en dan vooral bij de jongere generaties en kaders van het Vlaams Blok. TeKoS werd een spreekbuis voor tal van intellectuelen die de Nouvelle Droite een eigen “Vlaams” gezicht wilden geven.

De basiselementen van de Nouvelle Droite bleven echter dezelfde, namelijk het ondergraven van het egalitarisme en het universalisme en het aanwijzen van het verlichtingsdenken als de voornaamste oorzaak van het culturele “verval”. Het palingenethische ultranationalisme dat zo kenmerkend was geweest voor het vooroorlogse fascisme, kreeg evenwel (getrouw aan de Nouvelle Droite) nu een Europese invulling. Er werd immers gesteld, dat er enkel een einde aan dit verval kon komen via de instauratie van een “Indo-Europees samenlevingsmodel”. Dit samenlevingsmodel kunnen we vergelijken met wat Julius Evola als de “traditionele samenleving” had omschreven, namelijk een samenleving met een strakke sociale hiërarchie waarbij de “inherente ongelijkheid” tussen de mensen centraal staat. Culturen worden eveneens omschreven als intrinsiek onverenigbaar. Daarom moet tussen de verschillende samenlevingen toch een scheiding blijven bestaan die enkel doorbroken mag worden in naam van het behoud van een onderling evenwicht door de “Rijksgedachte”. Vlaanderen wordt volgens deze visie geen federale deelstaat of onafhankelijke staat, maar maakt gewoon deel uit van het “Heel-Europese Rijk”.

Dit is de concrete ideologie, maar uiteraard wordt deze geheel getrouw aan het franse voorbeeld, uitgedragen via het concept van de “metapolitieke strijd”. TeKoS wil dus de bestaande maatschappij visie ondergraven en vervangen door een maatschappijvisie die de ongelijkheid tussen mensen beklemtoont. Nadat de dominante maatschappijvisie in de culturele bovenbouw is gewijzigd, ligt de politieke macht binnen handbereik. Vanaf haar ontstaan heeft TeKoS deze ideeën uitgedragen en groeide ze uit tot het belangrijkste ideologische richtsnoer voor Nieuw-Rechts in Vlaanderen. Haar grootste invloed oefende TeKoS uit op de eerste generaties jongeren die gevormd werden door de Nationalistische Studentenvereniging (NSV). Vele van die jongeren verdienden vervolgens hun politieke sporen binnen het Vlaams Blok. Zo schreef de latere voorzitter van het Vlaams Blok zijn thesis aan de VUB over het concept “metapolitieke strijd” binnen de Nouvelle-Droite.

Nieuw-Rechts en de electorale opkomst van het blok in perspectief

De invloed van Nieuw-rechts bleef echter niet beperkt tot deze jongere generatie. Haar invloed liet zich ook gevoelen binnen de meer traditionele kringen. Zo besteedde: “Dietsland Europa”, onder invloed van een nieuwe generatie jonge redacteurs meer aandacht aan de Nouvelle Doite dan voorheen. Alain de Benoist was zelfs gastspreker op het zilveren jubileum van Dietsland-Europa. Citaten van de Benoist waren ook niet vreemd aan een ideologisch manifest van Were Di uit 1985. Er werd zelfs een speciaal themanummer uitgegeven dat handelde over de hier reeds besproken Julius Evola. Het was echter vooral opvallend hoe het Nieuw-Rechtse gedachtegoed zich binnen het Vlaams Blok nestelde.

De impact van deze ideologische oriëntering kan niet losgekoppeld worden van de electorale doorbraak van het blok. Vlaanderen was daarmee zeker geen precedent in Europa, ook andere landen werden geconfronteerd met dit fenomeen. Het Vlaams Blok was aan het begin van de jaren ’90 immers niet langer slechts de partij van een aantal misnoegde Vlaamsnationalisten. Een nieuwe jonge generatie doordrongen van het Nieuw-Rechtse gedachtegoed, diende zich immers aan. Als grote voorbeeld voor deze jonge garde gold Jean-Marie Le Pens Front National in Frankrijk. Ze stonden een versmelting van Vlaamsnationalisme en Nieuw-Rechts radicalisme voor. Ouderdomsdeken en leidinggevende figuur Karel Dillen stimuleerde dit proces tot groot ongenoegen van sommige militanten die furieus opstapten en een nieuwe formatie vormden namelijk het “Nationalistisch Verbond”. Het was dit opstappen van een aantal traditionele Vlaamsnationalisten, dat de weg vrijmaakte voor de Nieuw-Rechtse jongere garde. Halfweg de jaren ’80 hadden Filip Dewinter (oud-NSV-preses) en Frank Vanhecke al de “Vlaams Blok Jongeren” opgericht. Het waren de VBJ die als allereerste op hun congres in 1987 het migrantenstandpunt verwoorden. De groep rond Dewinter en Vanhecke kreeg bovendien de steun van een oude getrouwe als Roeland Raes en wist op deze manier haar stempel te drukken op de ideologische onderbouw van het Vlaams Blok. Deze overgangsfase bereikte haar hoogtepunt met de machtsoverdracht van Karel Dillen ten bate van Vanhecke in 1995.

Deze nieuwe oriëntering die de nadruk legde op het “migrantenvraagstuk” bewerkstelligde de electorale doorbraak die zich vanaf het einde van de jaren ’80 en het begin van de jaren’90 aftekende.

Zo haalde het blok aanvankelijk amper 3% van de stemmen tijdens de parlements- en provincieraadsverkiezingen van 1987 en groeide dit aantal uit tot maar liefst 10,3 % in 1991. Het Blok ging in één klap van 2 naar 12 zetels waarvan er 5 gingen naar de jongere Nieuw-Rechtse generatie. In de parlementsverkiezingen van 1995 groeide het aantal vertegenwoordigers in de 4 wetgevende vergaderingen samen tot 31. Het grote breekijzer voor de verwezenlijking van dit rechts-radicale succes lag in het xenofobe anti-migrantenstandpunt,. Dit zat echter ingebed en was innig verweven met de oudere anti-Belgische Vlaams-nationalistische traditie. De helft van deze zitjes gingen opnieuw naar een groep jonge nieuwkomers. De hang naar een Rechts-radicale revolutie was het levendigste onder deze jongere verkozenen.

Naar de publieke opinie toe kwamen deze Nieuw-Rechtse wortels niet tot uiting. Het blok stelde zich op als een volwaardige populistische partij die er prat op ging als 'de stem van het volk' te fungeren. In wezen verwerpt het Vlaams Blok echter vanuit haar Nieuw-rechtse opstelling de liberale parlementaire democratie. En tracht ze via een soort metapolitieke Kulturkampf de legitimiteit ervan in vraag te stellen. Daarbij wordt een beroep gedaan op de ideologische steun van TeKoS en Dietsland Europa om de principes van liberalisme, egalitarisme en solidariteit te ondermijnen en uit te hollen.

Het Vlaams Blok valt dan ook binnen de rechts-radicale vleugel van de Vlaamse Beweging. In wezen beschouwt men het verdwijnen van België en de onafhankelijkheid van Vlaanderen als van ondergeschikt belang aan de vestiging van een exclusivistisch nationalistisch regime, dat het 'eigen volk eerst' zal plaatsen. Het enige geldige criterium voor het behoren tot de volksgemeenschap dat aanvaard wordt, is de afstamming. Deze samenleving wordt gebaseerd op het principe van het “organisch gegroeide leiderschap van een elite”. In de ogen van de meerderheid van deze rechts-radicale nationalisten is het Nieuw-Rechts dat als richtsnoer moet gebruikt worden bij de verwezenlijking van deze rechtse Nieuwe Orde.


--------------------------------------------------------------------------------

[1] KREBS (P.). Die Europäische Wiedergeburt. Tübingen, Grabert, 1982, pp.82-86.

[2] Op basis van GRIFFIN (R.). Interregnum or Endgame: Radical Right Thought in the “Post-fascist” Era. In: Journal of political Ideologies. August 2000. GRIFFIN (R.). Between metapolitics and apoliteia: the New-Right’s strategy for conserving the fascist vision in the “interregnum”. In: Modern & Contemporary France. Vol. 8, No. 1 (February 2000).

[3] Ibidem.

[4] GRIFFIN (R.). Europe for the Europeans: Fascist Myths of The European New Order 1922-1992. In: Brookes School of Business, Occasional Paper, Thamesman Press, 1994.

[5] VOS (L.). Rechts-Radicalisme. In: Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging. Lannoo, Tielt, p. 2559.

[6] Dit volledige hoofdstuk is gebaseerd op: Ibidem. pp. 2559-2565.

vrijdag, oktober 28, 2005

Nieuw-rechts anti-oorlogscomité verleidt linkse intellectuelen - door Eric KREBBERS in De Fabel van de illegaal 35, juli/augustus 1999

"De Europeanen willen vrede", kopt de petitie van het Franse anti-oorlogscomité "Non a la guerre". Hoewel afkomstig uit nieuw-rechtse hoek, wist het comité ook veel handtekeningen binnen te halen van linkse kopstukken. De initiatiefnemers hopen aan geloofwaardigheid te winnen wanneer ze in één adem genoemd worden met linkse intellectuelen. Dat leek Voorpost-chef Marcel Rüter kennelijk ook wel wat.

Op 20 april stuurde Rüter daarom ongevraagd 2 stukken over de petitie tegen de Kosovo-oorlog naar de e-mail abonnees van het linkse discussieblad Konfrontatie. Door een technisch foutje van de redactie had het nieuw-rechtse kopstuk de hand weten te leggen op het e-mail adressenbestand het digitale blad.

Nieuwe ecologie

Het eerste stuk betrof een persbericht van het Franse comité, waarin beweerd wordt dat al ruim 400 vooraanstaanden en 40.000 anderen de petitie ondertekend hebben. Ook zouden er al 50 lokale comité's zijn opgericht en worden de eerste openbare manifestaties aangekondigd. Volgens het persbericht zouden de Amerikanen de oorlog opstoken tot grote woede van de vredelievende Europeanen. Het comité meent de enig overgebleven kracht tegen de oorlog te zijn, nu vrijwel alle gevestigde rechtse en linkse partijen ervoor zijn.

De petitie en het persbericht van het comité zijn geschreven door Laurent Ozon. Ozon is directeur van Nouvelle Écologie, de milieutak van de Franse nieuw-rechtse think tank GRECE die zeer nauwe banden onderhoudt met het Front National. GRECE probeert onder meer via de milieubeweging ouderwetse Blut-und-Boden ideeën opnieuw ingang te doen vinden. Ozon werkt daarbij overigens nauw samen met de engelse miljonair Goldsmith, die met zijn ultra-conservatieve ecologische ideeën een enorme invloed heeft in nieuw-rechtse kringen. In sommige gevallen treedt Ozon op als woordvoerder van Goldsmith.

Hoofdvijand Amerika

Met Ozons persbericht stuurde Rüter ook een artikel van Luc Pauwels mee. Pauwels is mede-oprichter van het Vlaams Blok en tegenwoordig chef van de Delta Stichting, de Belgische dochter van GRECE. Net als zijn Franse collega's ziet hij het "Amerikaans militair kolonialisme, dat hand in hand gaat met hun cultureel en economisch imperialisme" als de grootste vijand. De NAVO zou slechts "een Amerikaans instrument" zijn om "Europa onder voogdij te houden". Maar Pauwels is tegen de Franse petitie omdat hij NAVO-ingrijpen tegen de "communist Milosovic" toch wel toejuicht.

De petitie rept met geen woord over de Europese imperialistische belangen achter de oorlog. Nationalisme wordt niet als probleem aangewezen en er wordt overduidelijk geredeneerd vanuit "volkeren" en andere nieuw rechtse-concepten. Linkse thema's rond anti-racisme, vrouwenstrijd of uitbuiting worden gemeden, zoals bij nieuw-rechts gebruikelijk. Heel Europees nieuw-rechts ondertekende de petitie, maar ook veel bekende linkse intellectuelen, waaronder de Britse toneelschrijver Harold Pinter en de filmmaker Ken Loach ("Land and Freedom"). De lijst omvat verder ook communisten, anarchisten en groenen. Sommigen bleken niet op de hoogte van de herkomst van de petitie en streepten zwaar geschrokken hun handtekening door. Anderen hadden er echter geen moeite mee en herkenden zich helaas in de extreem-rechtse ideologie.

Samenwerking weigeren

Al in 1993 waarschuwde een groep van 40 beroemde Europese intellectuelen, zoals Umberto Eco, tegen het meewerken aan nieuw-rechtse projecten. "Al enige tijd proberen de ideologen van extreem-rechts ons te laten geloven dat ze veranderd zijn. Daarom zijn ze een grote verleidingscampagne begonnen richting democratische persoonlijkheden en intellectuelen, waaronder ook linkse. Slecht geïnformeerd of volledig onbewust van deze activiteiten hebben linksen artikelen ondertekend in nieuw-rechtse bladen. Met hun namen wil nieuw-rechts ons overtuigen dat ze werkelijk veranderd zijn." De groep kondigde aan om voortaan elke samenwerking met nieuw-rechts "te weigeren in bladen, boeken, radio en tv, of in bijeenkomsten die georganiseerd worden door personen die banden hebben met extreem-rechts".

Het anti-oorlogscomité heeft inmiddels de eerste manifestatie achter de rug en heeft ook een landelijke krant uitgebracht met 80.000 exemplaren. Behalve van Ozon en zijn kameraden staan er ook artikelen in van linksen. De bekendste is de Amerikaanse anarchist Noam Chomsky. Volgens de redactie heeft hij zelf toestemming voor publicatie gegeven. Gelukkig is er sinds kort ook een duidelijk linkse petitie in omloop, opgesteld door intellectuelen die de ruk naar rechts een halt willen toeroepen.

Met "nieuw rechts" tegen de globalisering? door Eric KREBBERS in De Fabel van de illegaal 31, oktober/november 1998

Artikel in het Frans: Avec la nouvelle droite contre la mondialisation?
Artikel in het Duits: Zusammen mit der Neuen Rechten gegen die Globalisierung?
Artikel in het Engels: Together with the New Right against globalisation?

Ze zijn solidair met de Indianen en voor culturele diversiteit. Ze willen af van het kapitalisme en de globalisering. En ze kennen hun rechtse én linkse klassieken. De intellectuele voorhoede van extreem-rechts lijkt zich te verzamelen rond het discussieblad Studie, Opbouw & Strijd (SOS). "Nieuw rechts" noemen ze zich, naar hun geestverwanten in vooral België en Frankrijk. Maar hoe nieuw zijn hun ideeën eigenlijk? Een analyse van de bijdragen van hoofdredacteuren Rüter en Veldman aan het recente zomernummer van SOS (nr. 13/14).

Nu het oude extreem-rechts à la Janmaat volledig ineen lijkt te storten, is in SOS een discussie gestart over de opbouw van een "nieuw" rechts. De extreem-rechtse denktank Voorpost en de Nederlandse Studenten Vereniging (NLSV) praten ook mee. "Nieuw rechts" richt zijn aandacht onder meer op de zwakke plekken van het "links-liberale gedachtegoed", zoals ze het zelf noemen. Men schurkt tegen allerlei linkse bewegingen aan en zoekt aanknopingspunten om aan de uitgangspunten van die bewegingen een extreem-rechtse draai te geven.

Rüter en Veldman citeren bijvoorbeeld om de haverklap en met een overduidelijk sardonisch genoegen twijfelachtige uitspraken van "links-liberale" opinieleiders en geven die een ereplaats in hun "nieuw rechtse" nationalistische ideologie. Zo spannen ze onder meer Ton Lemaire, Hans Koning, Albert Stol, Umberto Eco en Stella Braam voor hun karretje en laten hen ongewild het gelijk van "nieuw rechts" bevestigen. Maar met hoeveel zelfvertrouwen ze hun vernieuwingsproject ook presenteren, hoezeer ze ook hun best doen welbespraakt en 'linksig' over te komen, aan het eind van hun verhaal voelen Rüter en Veldman zich toch weer genoodzaakt terug te vallen op de oude vertrouwde "Blut und Boden"-ideologie om hun argumenten kracht bij te zetten.

Een culturele revolutie

Het "nieuw rechtse" kopstuk Rüter is een overtuigd aanhanger van de ideeën van Gramsci, de Italiaanse communist die jarenlang levend begraven was in de kerkers van de Italiaanse fascist Mussolini. Volgens Gramsci heeft een revolutie pas kans van slagen als ook de cultuur van een land fundamenteel verandert, als de "culturele hegemonie" van de elite doorbroken wordt.

Daartoe is een "culturele revolutie" nodig, en dat is precies wat Rüter voor ogen staat. Hij wil de "heersende links-liberale consensus" doorbreken. Die wordt ons opgelegd door "het grootkapitaal" en wordt georganiseerd door de staat. De hele maatschappij en ook ons denken moet volgens hem in de toekomst gebaseerd raken op zijn "nieuw rechts" nationalisme.

Rüter is tegen de "mondialisering" en sympathiseert bijvoorbeeld met de strijd tegen het Multilateraal Akkoord inzake Investeringen (MAI). Hij raadt zijn lezerspubliek zelfs aan om eens kennis te nemen van de radicaal-linkse campagne "MAI niet gezien!". Zijn kameraden van NLSV raakten zelfs zo enthousiast dat ze de anti-MAI homepage ongevraagd linkten aan die van henzelf. Rüter haalt Marx aan, die ooit neerpende dat de neiging tot mondialisering al in het kapitaal zelf besloten ligt. En het mondiale kapitalisme verkoopt ook cultuur, benadrukt hij. Het "koloniseert de verbeelding" en dat leidt tot een mondiale "uniformisering van de leefwijze" en een "ontworteling van collectieve identiteiten en traditionele culturen". Rüter wil dat de macht van "het grootkapitaal" wordt ingeperkt en pleit daartoe, net als de anti-MAI campagne, voor een "participatieve" of "directe democratie".

Rüter en Veldman ergeren zich vooral aan de cultuur van het "vooruitgangsdenken", waarmee alle wereldburgers door het kapitalisme bestookt worden. Veldman: "De meest fundamentele politieke scheidslijn loopt vandaag de dag niet meer tussen 'links' en 'rechts', maar tussen aan de ene kant de pleitbezorgers van de ongeremde economische groei, van de zogenaamde vooruitgang, zij die de mensen in eerste plaats zien als consument en de aarde als gebruiksvoorwerp, en aan de andere kant diegenen die zoals Rüter het formuleert 'de gehele kosmische levensruimte willen delen met dier, plant en materie, en haar onbeschadigd aan de komende generaties willen overdragen'."

Veldman verklaart zich solidair "met volkeren die een strijd voeren voor het behoud van de eigen identiteit en met al diegenen die zich verzetten tegen de vernietiging van flora en fauna, tegen de ongebreidelde macht en invloed van multinationale ondernemingen en tegen de internationale consumptiemaatschappij".

Indiaans nationalisme

De Noord-Amerikaanse Indianen staan hoog op de ranglijst van Veldmans troetelvolkeren. In zijn lange artikel "Indiaans nationalisme - de strijdbijl is nog niet begraven!", schetst hij uitgebreid de vernietiging van de "cultuur en identiteit" van de "autochtone volkeren" van Amerika. Die wordt volgens hem veroorzaakt door de "massale instroom van vreemdelingen, die aan de cultuur en religie van de inheemse bevolking geen boodschap hebben". Veldman stelt de christelijke cultuur en de vooruitgang verantwoordelijk voor al het onrecht dat de Indianen is aangedaan. Hij citeert graag de bekende Indiaanse schrijver Vine Deloria Jr., die niets meer met het christendom, het kapitalisme of linkse solidariteit te maken wil hebben. Dat zou allemaal maar import zijn. "De meeste Indianen zijn nationalisten. Dat wil zeggen dat ze zich in de eerste plaats bezorgd maken over de ontwikkeling en bestendiging van de stam", heeft Deloria Jr. eens gezegd.

Net als veel linksen neemt Veldman neemt het op voor de Indiaanse activist Leonard Peltier, die al 23 jaar onschuldig gevangen zit. En hij maakt ook flink propaganda voor de Nanai Notes, een blaadje van de Indianen-solidariteitsbeweging in Nederland. Met "nieuw rechts" wil Veldman mee profiteren van de sympathie waarop Indianen hier kunnen rekenen. "Het onlogische is dat men de eigenheid en identiteitsbeleving wel looft en prijst als het over haast volledig uitgestorven en uitgeroeide minderheden gaat of over absoluut 'ongevaarlijke' mini-volkeren, maar diezelfde waarden onmiddellijk verdacht maakt en verkettert als ze een strijdbaar nationalisme voeden bij een wat groter volk", aldus Veldman. Die gemakshalve over het hoofd ziet dat de geschiedenisboeken vol staan met "minderheden" die uitgeroeid werden, juist door een "wat groter volk" met zo'n "strijdbaar nationalisme".

Spirituele genocide

Maar Veldman heeft meer pijlen op zijn boog. Hij probeert zijn "strijdbaar nationalisme" ook te verkopen via de ideeën van Trudell, de invloedrijkste Indiaanse leider uit de jaren 70. Die haatte het christendom, en zag het als een "spirituele genocide waarvan het blanke volk zelf eerst het slachtoffer werd". Dat gebeurde volgens Trudell in de Middeleeuwen, nog voordat het geloof naar Amerika werd geëxporteerd. "Onze eigenheid" zou toen onderdrukt zijn, precies zoals later bij de Indianen. Dus wanneer Veldman nu uitroept: "De Indiaanse strijd is onze strijd!", dan bedoelt hij dat letterlijk. Net als de Indianen moeten Nederlanders hun "eigenheid" terugvinden en "in de eerste plaats nationalisten" worden.

Iemand die zich ook voor de Indianen inzet, is de linkse activiste Stella Braam. In haar boek "Stemmen van de Aarde" schreef ze onder meer: "De grond is de basis van het bestaan. Deze bewaart de wortels van hun beschaving en de heilige plaatsen van de voorouders." Dat deed Veldman vanzelfsprekend watertanden. "Gezien het feit dat zoveel goedbedoelende mensen de cultuur en levensbeschouwing van inheemse volkeren blijkbaar intrinsiek als waardevol beschouwen is het verbazingwekkend dat Europeanen die zich op hun beurt eveneens afzetten tegen het westerse vooruitgangsdenken en die vaak terug op zoek gaan naar de eigen culturele wortels en identiteit vaak op zoveel argwaan en weerstand kunnen rekenen van diegenen die hun waarden juist zeggen te delen."

Voor-christelijke beschavingen en religies mogen op grote interesse van "nieuw rechts" rekenen. Onderzoekers als Koenraad Logghe speuren in oude geschriften naar tekenen van die vermeende blanke "eigenheid". Logghe schrijft zelf ook wel eens in SOS en in het zomernummer staat een lovende recensie van zijn nieuwste boek "De Graal: tussen heidense en christelijke erfenis". Aanvankelijk was de New Age-uitgeverij Ankh Hermes van plan het boek op de Nederlandse markt te brengen, maar zag daar vanaf nadat de kritische New Age-watchers van SIMPOS Logghe's "nieuw rechtse" signatuur hadden onthuld. "Nieuw rechts" haakt met dit soort onderzoek overigens ook aan bij de groeiende beweging van New Agers die geïnteresseerd zijn in de "Oude Noordse Tradities", een potentiële achterban.

Een feodaal ideeëngoed

Hoe nieuw is "nieuw rechts"? Het ouderwetse botte racisme lijkt op het eerste gezicht van de baan. Veldman verklaart zich zelfs solidair met inheemse volkeren, zolang ze niet hierheen komen. Hij zegt ook niets te voelen voor de "blinde solidariteit met blanken elders in de wereld" waar extreem-rechts zich vaak aan overgeeft. Toch blijkt er uiteindelijk weinig nieuws onder zon. "Nieuw rechts" blijft terug verlangen naar een mythisch verleden van vóór "de beschaving", waarin iedereen zijn door de natuur voorgeschreven plek kende. Een gouden feodale tijd waarin "volkeren" nog etnisch zuiver waren.

Volgens Rüter is de mens van nu "ontworteld" en afgesneden van zijn "natuurlijke oorsprong", de "organische gemeenschap". "Mensen, waar ze ook zijn en waar ze ook leven, zijn met een land, een stuk aarde verbonden, hetgeen ze als hun eigen aanzien; zij zijn bereid, voor het behoud van onafhankelijkheid en integriteit ervan te vechten." Rüter gelooft ook in "een zelfverdedigingsrecht en -plicht op het niveau van de verschillende natuurlijke gemeenschappen waarvan ieder mens deel uitmaakt, te beginnen met het gezin. Het is de drang naar behoud van etnische en culturele diversiteit, tegen de verschraling, tegen nivellering en tegen monolithische structuren." En zo loopt Rüters "nieuw rechtse" nationalisme ook weer uit op een simplistisch biologisch racisme. Want, aldus de SOS-redacteur, "als sociaal levend wezen bezit de mens een instinctieve dispositie, een aanleg zich met diegenen te identificeren die hem gelijkend zijn."

De "nieuw rechtse" schrijfsels tonen de kwetsbaarheid aan van een onscherp geformuleerd, en door crisis aangetast links ideeëngoed. Om ze in hun straatje te passen hoeven Rüter en Veldman de citaten van de linkse 'opinionleaders' helaas niet eens te verdraaien of uit hun context te lichten. Bij het huidige gebrek aan een duidelijk geformuleerd links alternatief is het niet ondenkbaar dat "nieuw rechts" straks een grote aantrekkingskracht gaat uitoefenen op een nieuwe generatie activisten.

Daarom moeten linkse activisten goed aangeven waarom ze precies tegen de globalisering protesteren. En waaraan ze denken als ze voor culturele diversiteit opkomen. Hopelijk niet aan de statische, door het verleden en de natuur bepaalde volkse "eigenheid" van "nieuw rechts". Een denkwijze waarbij degene wiens voorouders ergens al het langst zouden wonen, het meeste recht van spreken krijgt en zijn cultuur en politiek aan alle anderen kan opdringen.

Linkse activisten zouden moeten streven naar samenlevingsvormen die kunnen veranderen en waaraan ook alle nieuwkomers bijdragen. Het zou links moeten gaan om het ontwikkelen van autonome internationalistische strijdculturen. Want links is niet tegen een globalisering van de solidariteit of tegen een mondiale uitwisseling van culturen en ideeën. En zeker niet tegen "de vooruitgang". Het gaat er alleen om in welke richting we "vooruit" gaan en wie dat bepaalt.

maandag, oktober 10, 2005

NIEUW RECHTS IN VLAANDEREN. Het gedachtegoed van het Nieuw Rechtse tijdschrift ‘Teksten, Kommentaren en Studies’ - scriptie door Sofie DELPORTE

Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte,
voor het behalen van de graad van
Licentiaat in de Geschiedenis.
Academiejaar: 2001-2002
Universiteit Gent
Promotor: Prof. Dr. Bruno De Wever






Dankwoord

Inleiding

DEEL I: Wat is Nieuw Rechts?
1. De vertegenwoordigers van Nieuw Rechts
1.1 Inleiding
1.2 De Nouvelle Droite in Frankrijk
1.2.1 De voorgeschiedenis van GRECE: een beknopt overzicht
1.2.2 Het ontstaan en de ontwikkeling van GRECE
1.3 Een eerste analyse van TeKoS
1.3.1 Het ontstaan
1.3.2 De activiteiten
1.3.3 De redactie en medewerkers
1.3.4 De veranderende vormgeving
2. Een eerste omschrijving van Nieuw Rechts
2.1 De afwijzing van een ideologisch kader
2.2 Rechts, ‘Nieuw’ Rechts en ‘Oud’ Rechts

DEEL II: Het Nieuw Rechtse gedachtegoed
1. Het uitgangspunt
1.1 De cultuurcrisis van de Westerse beschaving
2. De kritiek van Nieuw Rechts
2.1 Het anti-egalitarisme
2.2 De afwijzing van de monotheïstische godsdiensten
2.2.1 Het totalitaire karakter van de monotheïstische religies
2.2.2 De afwijzing van het joods-christendom
2.2.3 De afwijzing van de Islam
2.3 De afwijzing van het liberalisme en het communisme
2.3.1 Het liberalisme en het communisme: twee gelijkaardige ideologieën
2.3.2 De afwijzing van het communisme
2.3.3 De afwijzing van het liberalisme
2.4 De afwijzing van het multiculturalisme
3. Het tegenproject van Nieuw Rechts
3.1 Een nominalistische wereldbeschouwing
3.2 Le droit à la différence
3.2.1 ‘Le droit à la différence’ als tegenpool van het egalitarisme
3.2.2 ‘Le droit à la différence’ van elk volk
3.2.3 ‘Le droit à la différence’ van elk individu


3.3 Een organische samenleving
3.3.1 De organische samenleving van Nieuw Rechts
3.3.2 De nood aan verworteling en traditie
3.3.3 De noodzakelijke elite
3.3.4 De staat in een organische samenleving
3.3.5 De economie in een organische samenleving
3.4 Onze Indo-europese erfenis
3.4.1 Onze Indo-europese erfenis als antwoord op de Westerse cultuurcrisis
3.4.2 Onze Indo-europese erfenis volgens Nieuw Rechts
3.5 Het Nieuw Rechtse heidendom
3.5.1 Het heidendom: een inleiding
3.5.2 De Noordse traditie
3.5.3 Het heidendom volgens Nieuw Rechts
3.6 De Europese rijksgedachte
3.6.1 De focus op Europa
3.6.2 De rijksgedachte
3.6.3 De Europese rijksgedachte vandaag
3.7 Ecologische bewogenheid
3.7.1 De ecologische bewogenheid als onderdeel van het Nieuw Rechtse gedachtegoed
3.7.2 Een radicaal revolutionair ecologisme?
3.7.3 De ecologische bewogenheid: een conservatief thema
4. De tactiek van Nieuw Rechts
4.1 De metapolitieke strategie
4.1.1 Het gedachtegoed van Gramsci
4.1.2 Het metapolitieke concept van Nieuw Rechts
4.1.3 De hegemonie van links
4.1.4 De metapolitieke strijd
4.1.5 De Franse Revolutie en de Vlaamse beweging: twee voorbeelden van een geslaagde metapolitieke operatie
5. Capita Selecta
5.1 Ontwikkelingshulp
5.2 Gezin en opvoeding
5.3 Wetenschap
5.4 De monarchie






DEEL III: Nieuw Rechts in een breder perspectief
1. Nieuw Rechts en de conservatieve revolutie
1.1 De conservatieve revolutie: een inleiding
1.2 De conservatieve revolutie in de Weimarrepubliek
1.2.1 De focus op de Weimarrepubliek
1.2.2 De situatie voor de eerste wereldoorlog
1.2.3 De impact van wereldoorlog I en het mentale klimaat in het interbellum
1.2.4 De conservatieve revolutie: een indeling
1.2.5 De conservatieve revolutie versus het nazisme
1.3 Nieuw Rechts een erfgenaam van de conservatieve revolutie? Een kort overzicht
1.3.1 De conservatieve revolutie: een voorloper van Nieuw Rechts?
1.3.2 De verwantschap tussen Nieuw Rechts en de conservatieve revolutie: een kort overzicht
2. Nieuw Rechts en de Vlaamse beweging
2.1 Nieuw Rechts en de band met de radicaalrechtse traditie in de Vlaamse beweging
2.1.1 Is Nieuw Rechts radicaalrechts?
2.1.2 De inbedding in de Vlaamse beweging: de voorgeschiedenis van TeKoS
2.1.3 De inbedding in de Vlaamse beweging: de Vlaamsgezinde achtergrond van enkele redacteurs van TeKoS
2.2 De visie van TeKoS op de Vlaamse beweging
2.2.1 De aandacht voor de Vlaamse beweging
2.2.2 De Vlaamse beweging volgens Nieuw Rechts: volksgericht en heelnederlands
2.2.3 De visie op het rechts-radicalisme in de Vlaamse beweging tijdens het interbellum en de tweede wereldoorlog
2.2.4 De visie op de Vlaamse beweging na de tweede wereldoorlog en nu

Besluit

Bibliografie

Bijlagen (pdf 75 kb)
1. Overzicht van alle artikels in Tekos per auteur
2. Statutaire doelstellingen van de Delta-Stichting vzw





Dankwoord

Mijn oprechte dank gaat uit naar mijn promotor professor dr. Bruno De Wever voor de uitstekende begeleiding bij het onderzoek en het schrijven van deze licentiaatsverhandeling.

Verder gaat mijn dank uit naar mijn ouders die mij deze studie lieten aanvatten.









Inleiding

Vlaanderen wordt de laatste jaren geconfronteerd met een gestage opgang van radicaalrechts. In 1999 behaalde het Vlaams Blok 15,5% van de stemmen voor het Vlaams parlement en in 2000 veroverde het in de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen zelfs 33% van de stemmen. Naast dit populistische rechts-radicalisme bestaat er in Vlaanderen ook een meer intellectuele rechts-radicale strekking, het zogenaamde Nieuw Rechts. De belangrijkste spreekbuis van deze denkrichting is het in 1979 opgerichte tijdschrift ‘Teksten, Kommentaren en Studies’ of ‘TeKoS’. Dit tijdschrift refereert in zeer sterke mate aan de Nouvelle Droite beweging in Frankrijk, waarvan de vereniging GRECE de belangrijkste vertegenwoordiger is en Alain de Benoist de voornaamste ideoloog. Voor Nieuw Rechts staat niet de partijpolitieke actie centraal, maar wel de metapolitieke strijd of de strijd op cultureel niveau. Het wil de rechts-radicale ideeën op het culturele terrein tot dominant paradigma maken. Volgens Louis Vos bepaalde TeKoS in de loop van de jaren ’80 en ‘90 steeds meer de ideologische oriëntering van het rechts-radicalisme in Vlaanderen. Het tijdschrift ontwikkelde zich tot het belangrijkste ideologische referentiepunt voor de nieuwe radicaalrechtse elite. Het zou onder meer de Vlaams Blok kaderleden van een jongere generatie sterk aanspreken.[1] Ook Marc Spruyt heeft er in enkele artikels al op gewezen dat het Blok het belang van de metapolitieke strijd erkent en dat het een inspanning doet om het Nieuw Rechtse gedachtegoed bij zijn leden bekend te maken.[2] Verschillende redacteurs van TeKoS zijn overigens ook actief in het Vlaams Blok. De invloed van Nieuw Rechts kan het Vlaams Blok een grotere respectabiliteit verlenen door het programma een onderbouwde doctrine en nieuwe thema’s te verlenen. Ondanks de toenemende invloed van deze strekking in het radicaalrechtse milieu is Nieuw Rechts in Vlaanderen nog nauwelijks bestudeerd.

Hoewel het oorspronkelijk de bedoeling was om de Nieuw Rechtse invloed in het Vlaams Blok programma te onderzoeken, ben ik van deze probleemstelling afgestapt. Het uitwerken van een ideologisch kader van Nieuw Rechts nam meer tijd in beslag dan verwacht door het feit dat er nog maar weinig diepgravend onderzoek is verricht naar het Nieuw Rechtse gedachtegoed. Er waren reeds twee thesissen geschreven over Nieuw Rechts in Vlaanderen: Patrick Commers, De Conservatieve Revolutie in Vlaanderen. Een kritische analyse van het Nieuw Rechtse tijdschrift Teksten, Kommentaren en Studies (KUL, 1997, 167p.) en Patrick Rentmeesters, Nieuw rechts in Vlaanderen: een onderzoek naar de doorstroming van de Nieuw Rechtse ideologie in het Vlaams Blok (VUB 1994, 169p.) Het overzicht dat in beide werken van het Nieuw Rechtse ideeëngoed werd gegeven, bleek echter te weinig systematisch en niet voldoende diepgravend te zijn.

Ik heb er dan ook voor geopteerd de Nieuw Rechtse ideologie diepgaand uit te werken en meer bepaald na te gaan welke ideeën door Nieuw Rechts verdedigd worden, welke redeneringen er achter schuilen en wat de onderlinge verbanden tussen de verschillende thema’s zijn. In tweede instantie heb ik dit gedachtegoed willen plaatsen in een breder historisch kader door de band met de conservatieve revolutie en de plaats van Nieuw Rechts binnen de Vlaamse beweging te onderzoeken.

In het eerste deel van deze thesis wordt een omschrijving gegeven van wat verstaan wordt onder ‘Nieuw Rechts’. Het gaat daarbij specifiek om de Nieuw Rechtse beweging zoals die in de loop van de jaren ’70 op de voorgrond trad met de doorbraak van de Nouvelle Droite in Frankrijk en de oprichting van het Nieuw Rechtse tijdschrift TeKoS in Vlaanderen. Nieuw Rechts in Vlaanderen refereert in belangrijke mate aan de Franse Nouvelle Droite zoals die wordt voorgestaan door Alain de Benoist en de vereniging G.R.E.C.E. Daarom wordt in eerste instantie de Nouvelle Droite beweging in Frankrijk besproken. Vervolgens wordt een eerste beeld geschetst van het tijdschrift TeKoS. Na deze bespreking van de vertegenwoordigers, wordt een eerste omschrijving gegeven van wat Nieuw Rechts in feite inhoudt.

In het volgende deel wordt het gedachtegoed van Nieuw Rechts grondig uitgewerkt. Het opstellen van een samenhangend ideologisch kader, die de belangrijkste krachtlijnen van Nieuw Rechts omvat, was het belangrijkste onderdeel van dit thesisonderzoek en vergde ook de meeste tijd. Het opstellen van een dergelijk kader was immers niet zo evident omdat er geen afgelijnd, allesomvattend coherent ideologisch corpus van Nieuw Rechts bestaat. De onderzoeker van Nieuw Rechts is aangewezen op niet gebundelde artikels en publicaties van personen, verenigingen en tijdschriften die tot het Nieuw Rechtse kamp kunnen worden gerekend. Er bestaat verder ook zeer weinig secundaire literatuur over deze ideologische stroming. De literatuur die bestaat, is vaak ideologisch gekleurd en bovendien is de uitwerking van het gedachtegoed vaak oppervlakkig en niet systematisch. Het ideologisch kader dat in deze thesis wordt gegeven, is gebaseerd op inzichten van derden en eigen inzichten en dus voor discussie vatbaar. De grenzen tussen de verschillende thema’s zijn artificieel en zeker niet absoluut. Het ideologisch kader is opgesteld aan de hand van publicaties van Nouvelle Droite ideoloog Alain de Benoist, een honderdtal artikels uit het Nieuw Rechtse tijdschrift TeKoS (1979-2001), enkele uitgaven uit de TeKoS-reeks, werken van redacteurs of sympathisanten van TeKoS en secundaire literatuur over Nieuw Rechts en de Nouvelle Droite. Het belangrijkste, want meest genuanceerde secundaire werk over de Nouvelle Droite is dat van P.A. Taguieff, Sur la nouvelle droite: jalons d’une analyse critique (Paris, Descartes, 1994, 425p.). De gegevens over de Nieuw Rechtse ideologie die zijn overgenomen uit secundaire literatuur stemmen overeen met informatie die kan teruggevonden worden in Nieuw Rechtse publicaties. De voetnoten in de tekst verwijzen naar de publicatie waarin het standpunt en/of het discours over een bepaald aspect van de Nieuw Rechtse ideologie het best is uitgewerkt of samengevat. Het spreekt voor zich dat niet alle werken kunnen vermeld worden waarin dezelfde ideeën werden teruggevonden.

Het ideologisch schema werd onderverdeeld in vijf grote delen: het uitgangspunt van Nieuw Rechts, de kritiek van Nieuw Rechts op het hedendaagse Westerse bestel, het Nieuw Rechtse tegenproject, de strategie of de manier waarop dit project moet worden gerealiseerd en ten slotte wordt ook aandacht besteed aan enkele ethische en sociale standpunten van Nieuw Rechts. Het was de bedoeling de concrete ideeën en stellingnames van Nieuw Rechts weer te geven en het discours dat wordt opgebouwd om die standpunten te verdedigen en te legitimeren. Nieuw Rechts gebruikt veelvuldig elementen uit het ideeëngoed van tal van wetenschappers, filosofen, sociologen, antropologen,… om het eigen gedachtegoed te ondersteunen. Het geheel aan auteurs waar in Nieuw Rechtse publicaties naar wordt verwezen, is zeer heterogeen, maar verschillende onder hen zouden zich waarschijnlijk verzet hebben tegen een dergelijke vorm van recuperatie of het oneens zijn met bepaalde andere standpunten van Nieuw Rechts. Het was in het kader van deze thesis echter niet de bedoeling in te gaan op de talrijke inspiratiebronnen waar Nieuw Rechts zich op beroept.

In het derde deel van deze thesis wordt Nieuw Rechts in een breder perspectief geplaatst door een aantal voorlopers te belichten. Meer bepaald wordt de band met de conservatieve revolutie en de plaats van Nieuw Rechts binnen de Vlaamse beweging onderzocht. De situering van het Nieuw Rechtse gedachtegoed binnen de Vlaamse beweging en het overzicht van de band met de conservatieve revolutie zijn gebaseerd op literatuurstudie en artikels uit TeKoS. Beide vraagstellingen waren als dusdanig nog niet gethematiseerd. De conservatieve revolutie wordt vaak aangehaald als ‘voorloper’ van Nieuw Rechts, maar deze stelling wordt louter geponeerd en niet uitgewerkt. Nieuw Rechts zelf refereert vaak aan de conservatief-revolutionaire stromingen in het interbellum in de Weimarrepubliek. Er wordt dan ook een kort overzicht gegeven van deze conservatieve tegenbeweging. Daarna wordt nagegaan of Nieuw Rechts kan beschouwd worden als een erfgenaam van deze conservatieve revolutie. Ook de verhouding van Nieuw Rechts ten opzichte van de Vlaamse beweging was nog niet geanalyseerd. Het overzicht van de plaats van Nieuw Rechts in de Vlaamse beweging is opgesplitst in twee delen. Ten eerste wordt geanalyseerd of en op welke manier Nieuw Rechts ingepast kan worden in de rechts-radicale traditie binnen de Vlaamse beweging. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de houding van Nieuw Rechts tegenover de Vlaamse beweging. Voor dit hoofdstuk heb ik uitgebreid gebruik gemaakt van de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging.

Men kan waarschijnlijk ook de Action Française en het katholieke corporatisme beschouwen als voorlopers van Nieuw Rechts. In het kader van dit thesisonderzoek moest echter een keuze gemaakt worden. De keuze voor de conservatieve revolutie en de Vlaamse beweging is ingegeven door de overweging dat deze beide bewegingen de grootste invloed hebben uitgeoefend op Nieuw Rechts. TeKoS zelf besteedt bovendien nauwelijks of geen aandacht aan de Action Française en het katholieke corporatisme.

Tot slot nog enkele praktische opmerkingen. Tot het nummer 42 (1985) kreeg elk artikel in TeKoS een cijfercode dat naar een indeling in tien rubrieken verwees die op hun beurt verder waren onderverdeeld. Het was de bedoeling de nummers uit elkaar te halen en de artikels per onderwerp te ordenen volgens de cijfercode. Dit is de reden waarom voor de artikels tot 1985 in deze thesis geen paginering wordt vermeld. Tot 1999 hanteerde TeKoS de progressieve spelling. In citaten wordt deze spelling dan ook overgenomen. In de bibliografie zijn enkel de artikels uit TeKoS opgenomen waar in de voetnoten naar verwezen wordt. Als bijlage is een lijst opgenomen van alle artikels die gepubliceerd zijn in Tekos, geordend per auteur.








[1] L. Vos, ‘Rechts-radicalisme’, in: R. De Schrijver e.a. (eds.), De Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt Lannoo, 1998 (CD-rom)
[2] M. Spruyt, ‘Antonio Gramsci, leermeester van het Vlaams Blok’, De Hoogste Tijd, VIII, 1995, 3, pp.7-17
M. Spruyt, ‘Le Vlaams Blok et la Nouvelle Droite. Le détournement de Gramsci’, in: LE PAIGE Hugues (ed.), Le désarroi démocratique. L’extrême droite en Belgique, Bruxelles, Labor, 1995, pp.165-181




DEEL I: Wat is Nieuw Rechts?

1. De vertegenwoordigers van Nieuw Rechts

1.1 Inleiding

De wortels van Nieuw Rechts, zoals het de dag van vandaag bestaat, liggen in Frankrijk. Daar ontstond in de tweede helft van de jaren ’60 de zogenaamde Nouvelle Droite beweging met de oprichting van de culturele vereniging GRECE (Groupement de Recherche et d'Etudes pour la Civilisation Européenne), met als belangrijkste ideoloog Alain de Benoist. In Vlaanderen werd in 1979 het tijdschrift ‘Teksten, Kommentaren en Studies’ opgericht dat beschouwd kan worden als de belangrijkste vertegenwoordiger van Nieuw Rechts bij ons. Nieuw Rechts wil de ideologische en methodologische basis van radicaalrechts hernieuwen. Belangrijk is dat deze beweging geen politieke ideologische stroming is, maar in de eerste plaats een cultuur-ideologische. Ze wil een nieuwe (rechtse) collectieve mentaliteit scheppen en heeft niet de bedoeling zich partijpolitiek te profileren. Nieuw Rechts gaat er immers van uit dat men eerst de macht moet verwerven op het culturele niveau voor men de macht kan grijpen op het politieke vlak (het metapolitieke concept van Gramsci). Vandaag de dag wordt dit culturele niveau gedomineerd door links, met in de ogen van Nieuw Rechts uiterst nefaste gevolgen. Ze wil deze linkse hegemonie breken en een rechtse maatschappijvisie algemeen ingang doen vinden via een metapolitieke strategie die onder meer gevoerd wordt door de uitgave van boeken en tijdschriften en het organiseren van colloquia.

TeKoS refereert in belangrijke mate aan de Nouvelle Droite beweging in Frankrijk. Vanaf het nummer 7-8 (1980) van TeKoS staat het logo van GRECE op de voorpagina en wordt vermeld dat het tijdschrift wordt uitgegeven “in samenwerking met de Groupement de Recherche et d’Etudes pour la Civilisation Européenne (G.R.E.C.E.), Parijs”. Volgens Luc Pauwels is de wereld- en levensbeschouwing van GRECE “volledig gelijklopend” met die van TeKoS.[3] De vermelding verdwijnt vanaf het nummer 55 uit 1989, maar het logo blijft gehandhaafd. Er worden ook nog steeds op geregelde tijdstippen artikels gepubliceerd van Alain de Benoist en op de colloquia van TeKoS is hij een graag geziene gastspreker. Om deze reden wordt in deze thesis eerst kort aandacht besteedt aan deze Franse beweging.

1.2 De Nouvelle Droite in Frankrijk

1.2.1 De voorgeschiedenis van GRECE: een beknopt overzicht

Veel van de personen die actief zijn en waren in GRECE, maakten deel uit van het militante rechts nationalistische milieu in Frankrijk.[4] Na het trauma van de tweede wereldoorlog groepeerde dit rechts zich opnieuw naar aanleiding van de onafhankelijkheidsstrijd van Algerije. Rechts had zich het behoud van de Franse kolonie tot doel gesteld, maar de campagne draaide uit op een mislukking. In juli 1962 werden de akkoorden van Evian ondertekend waardoor de onafhankelijkheid van Algerije een feit was. In een referendum sprak de overgrote meerderheid van de bevolking (90,7%) zich uit voor de onafhankelijkheid van de kolonie. Dit was een kaakslag voor rechts dat van de strijd tegen de onafhankelijkheid zijn hoofdthema had gemaakt. Dit fiasco van rechts zou een belangrijke impuls betekenen voor het tot stand komen van de Nouvelle Droite.[5] Het FEN speelde daarin een belangrijke rol. Deze Fédération des Etudiants Nationalistes was in 1960 opgericht, nadat het zich had afgescheurd van de Union Nationale des Etudiantes de France (UNEF) uit onvrede met diens eis voor een onafhankelijk Algerije.[6] In deze vereniging van nationalistische studenten en intellectuelen vonden verschillende van de toekomstige stichters van GRECE elkaar, waaronder Alain de Benoist en Pierre Vial.[7] Het FEN voerde op legale wijze strijd voor ‘Algerije Frans’, onder meer via ‘Cahier universitaires’, het tijdschrift van de groep. Het kantte zich tegen het egalitarisme (wat zich vertaalde in een sterk koloniaal racisme), was anticommunistisch en antichristelijk, Europees gericht en pleitte voor solidariteit tussen de blanke volkeren. Tevens werd sterk de nadruk gelegd op de nood aan een onderbouwende doctrine voor rechts.[8] Deze thema’s zullen later ook terug te vinden zijn in het gedachtegoed van de Nouvelle Droite. Dominique Venner speelde in de hergroepering van rechts eveneens een belangrijke rol. In 1962 schreef hij, naar aanleiding van het verlies van Algerije als Franse kolonie, het manifest “Pour une critique positive”. Hij legde daarin enerzijds de nadruk op de nood aan vernieuwing van de doctrine en anderzijds pleitte hij voor de aanpassing van de strategie door te focussen op het ideologisch en culturele vlak in plaats van op het politieke.[9] Dit pleidooi voor reflectie over de doctrine en de strategie was ‘revolutionair’ in het toenmalige Franse radicaalrechtse milieu dat gedomineerd werd door anti-intellectualisme en ‘mannen van de actie’ die niet gediend waren met abstracties. Deze rehabilitatie van de theoretische reflectie, evenals Venners pleidooi voor een culturele strijd, zou een grote invloed uitoefenen op de Benoist en de latere stichters van GRECE. In het manifest van Venner lagen reeds de fundamenten vervat van wat later de Nouvelle Droite werd genoemd. Deze oproep tot kritische analyse en eenheid van doctrine werd ook uitgedragen door ‘Jeune Europe’, een rechtse en Europees gerichte vereniging, die het jaar daarvoor was opgericht door Jean Thiriart (1922-1992).[10]

Het pleidooi voor een nieuwe theoretische fundering werd verspreid en in praktijk gebracht door het tijdschrift ‘Europe Action’. Dit blad was in 1963 door Dominique Venner opgericht. Alain de Benoist (pseudoniem Fabrice Laroche) was één van de belangrijkste medewerkers.[11] ‘Europe Action’ verdedigde een ‘neo-nationalisme’ dat gekenmerkt werd door een Europese visie en het differentialisme of het respect voor de etnische en culturele diversiteit (en dus het afwijzen van elk universalisme). Volgens Duranton-Crabol was deze Europese visie het directe gevolg van het Algerije debacle. De onafhankelijkheid van Algerije had verschillende nationalisten ervan overtuigd dat de nationalistische dimensie veranderd was: men moest de subversie niet bestrijden in een verzwakt Frankrijk, maar in gans Europa.[12] Dit ‘neo-nationalisme’ was gebaseerd op een ‘biologisch realisme’ wat de verheerlijking inhield van het sociaaldarwinisme en racisme legitimeerde. ‘Europe Action’ verdedigde de superioriteit van het Westen. Het universalisme werd afgewezen omdat het deze superioriteit ontkende. Het tijdschrift wees ook het christendom af omdat de Europese beschaving in oorsprong heidens zou zijn en mentaal ‘gekoloniseerd’ werd door het joods-christendom.[13] Deze onderwerpen (het differentialisme, de Europese focus, het antichristendom) zouden later ook terug te vinden zijn in het ideeëngoed van GRECE. Het belang van ‘Europe Action’ lag ook in het feit dat het “le pont entre deux générations” vormde. Het blad bracht jonge militanten en de oudere rechtse generatie samen.[14] In januari 1966 werd vanuit het tijdschrift de politieke partij Mouvement Nationaliste de Progrès (MNP) opgericht. In de loop van hetzelfde jaar veranderde de partij haar naam in Rassemblement Européen de la Liberté (REL).[15] Veel militanten van deze partij waren afkomstig uit het FEN dat de semi-autonome studentenafdeling van het REL werd. In deze partij waren verschillende van de toekomstige kaderleden van GRECE actief.[16]

1.2.2 Het ontstaan en de ontwikkeling van GRECE

Op het einde van de jaren ’60 zag de situatie van radicaalrechts in Frankrijk er weinig rooskleurig uit. Jean-Louis Tixier-Vignancour, de nationalistische kandidaat voor de presidentsverkiezingen in 1965, behaalde slechts 5,1% van de stemmen.[17] ‘Europe Action’ werd stopgezet in december 1966 en ‘Cahiers Universitaires’ verdween in januari 1967. De ongelukkige kandidatuur van Jean-Louis Tixier-Vignancour werd gevolgd door een verpletterende verkiezingsnederlaag van REL in 1967 en de ineenstorting van deze beweging in de lente van 1968.[18] De gebeurtenissen van mei ’68 schokten het rechtse milieu, maar het slaagde er niet in een passend antwoord te formuleren op de revoltes. Het was duidelijk dat herbronning bij rechts noodzakelijk was en nieuwe initiatieven niet konden uitblijven.[19]

De eerste contacten voor de stichting van GRECE (Groupement de Recherche et d'Etudes pour la Civilisation Européenne) vonden plaats in de herfst van 1967. De vereniging werd opgericht in januari 1968 (en dus voor mei ’68) in Nice. Het eerste nummer van het tijdschrift van de vereniging, ‘Nouvelle Ecole’, is gedateerd februari-maart 1968.[20] Het letterwoord GRECE verwijst bewust naar het antieke Griekenland als een van de wiegen van onze cultuur, maar GRECE benadrukt daarbij dat deze verwijzing geen beperking inhoudt. De vereniging wil aandacht besteden aan de ganse Europese voorgeschiedenis.[21] GRECE bestond voornamelijk uit jonge intellectuelen, die voor het grootste deel afkomstig waren uit het ‘oude’ nationalistische milieu, maar die niet geloofden in het spel van de politieke partijen of in een volksmobilisatie. De politieke nederlaag van de nationalistische beweging gaf voeding aan het idee dat er nood was aan een culturele tegenbeweging tegenover de legitieme linkse cultuur.[22] GRECE werd opgericht met de bedoeling een denktank of werkgemeenschap te vormen die tot taak had een coherente rechtse ideologie te ontwikkelen en een rechtse wereldbeschouwing algemeen ingang te doen vinden via een metapolitieke strategie.[23] Alain de Benoist werd de belangrijkste kracht achter deze metapolitieke beweging. Volgens Taguieff heeft deze laatste van de Nouvelle Droite een sterk gepersonaliseerde beweging gemaakt. Hij is de belangrijkste producent van het orthodoxe Nouvelle Droite discours.[24]

De metapolitieke strategie veronderstelt een gedegen organisatorische uitbouw en een zekere bekendheid. Daartoe begon GRECE met de uitgave van verschillende tijdschriften. Naast het tijdschrift ‘Nouvelle Ecole’, dat vooral gericht is op intellectuele middens, werd ook het blad ‘Elements’ opgericht. Dit tijdschrift was tot 1973 een louter intern contactblad, daarna werd het ook onder het brede publiek verspreid. Vanaf dan gold het als de officiële spreekbuis van GRECE.[25] Vanaf 1974 verscheen de serie ‘Etudes et recherches’ dat de bedoeling had een ‘theoretisch’ blad te zijn. De eerste reeks liep tot 1977, een tweede reeks werd gestart in 1983. Vanaf 1985 verscheen ook ‘Panorama des idées actuelles’. In 1988 startte Alain de Benoist met de uitgave van het blad ‘Krisis’, los van GRECE. Geen van deze tijdschriften heeft echter een grote oplage, ‘Elements’ heeft met zijn 5000 abonnees (in 1994) de grootste oplage.[26] Daarnaast werd ook begonnen met een eigen uitgeverij, Copernic, en werden en worden er studiedagen en colloquia ingericht, evenals een zomeruniversiteit.[27]

Alain de Benoist kreeg in 1978 de Grand prix de l’Académie Française voor zijn boek Vu de Droite. Anthologie critique des idées contemporaines, in feite een compilatie van artikels en boekbesprekingen.[28] Het is echter niet dit boek die de Nouvelle Droite uit haar relatieve marginaliteit haalde, maar wel een mediacampagne in de zomer 1979. De hetze ontstond na de publicatie van een artikel in ‘Le Monde’ getiteld ‘La Nouvelle Droite s’installe’ van de hand van Thierry Pfister.[29] Gedurende drie maanden brandde er in Frankrijk een controverse los over de Nouvelle Droite. De directe aanleiding voor deze mediacampagne zou liggen in het feit dat Louis Pauwels, die in 1977 door krantenmagnaat Robert Hersant was aangesteld als hoofd van ‘Le Figaro Magazine’, verschillende GRECE leden had aangezocht om de redactie van dit tijdschrift te vervoegen. Daardoor werd het lezerspubliek van de Nouvelle Droite in één klap vertienvoudigd.[30] Sinds de grote media-aandacht van 1979 wordt het etiket Nouvelle Droite specifiek gebruikt om de organisaties en het ideeëngoed van GRECE aan te duiden. De term Nouvelle Droite is dus niet afkomstig van GRECE zelf, maar werd door de vereniging uiteindelijk wel overgenomen.[31]

Na 1979 haalde Nieuw Rechts nog nauwelijks de media. Het anti-Amerikanisme en het antichristendom van de Nouvelle Droite leidden ook tot een breuk met ‘Le Figaro Magazine’.[32] In de jaren ’80 stapten verschillende mensen van GRECE over naar Le Front National, onder andere Pierre Vial, een van de medestichters van GRECE. GRECE en Alain de Benoist in het bijzonder, staan echter afkerig tegenover het Front National. De referentie aan het christendom, het populisme, de aanvaarding van het liberale kapitalisme en het Franse nationalisme (in plaats van een Europees perspectief) zijn voor de Nouvelle Droite onoverkomelijke verschilpunten met het FN.[33]

1.3 Een eerste analyse van TeKoS

1.3.1 Het ontstaan

De Vlaamse Volks Partij van Lode Claes is van groot belang geweest voor het bijeenbrengen van een aantal mensen die eind 1979 TeKoS zouden opstarten. Het VVP was een Vlaamsgezinde en rechtse partij die in 1977 door Lode Claes was opgericht uit onvrede met het Egmontpact. De partij wilde een brede conservatieve partij zijn en een Nieuw Rechtse maatschappelijke blauwdruk ontwikkelen. Nogal wat medestanders van Claes maakten deel uit van de groep Stichting Deltapers. In 1977 was deze stichting gestart met maandelijkse conferenties in het kasteel Steytelinck te Wilrijk, waar onder ander veel aandacht werd besteed aan de Franse Nouvelle Droite ideeën. In 1978 vormde het VVP met het oog op de verkiezingen een kartel met de Vlaams Nationale Partij (VNP) van Karel Dillen onder de naam Vlaams Blok. Ook het VNP was opgericht als een reactie op het Egmontpact. De partij verdedigde een exclusief volksnationalistische en separatistische anti-Belgische lijn. Toen enkel Dillen werd verkozen, werd het kartel verbroken en verdere samenwerking met het VNP werd door Claes afgewezen. Na het verkiezingsdebacle richtten enkele voormalige leden van de VVP het tijdschrift 'Teksten, Kommentaren en Studies' op, dat de Nieuw Rechtse ideeën zou blijven uitdragen. De hoofdredacteur werd Luc Pauwels, de spilfiguur van de stichting Deltapers en de voormalige partijsecretaris van de VVP.[34] Een uitgebreid overzicht van de voorgeschiedenis van TeKoS wordt gegeven in het derde deel van deze thesis.

1.3.2 De activiteiten

TeKoS verscheen voor het eerst in december 1979 en wordt uitgegeven door de stichting Deltapers vzw, in 1998 (vanaf nummer 88) gewijzigd in Delta-Stichting vzw. Deltapers werd in 1965 opgericht door Luc Pauwels, Werner Caluwe en Paul Hendrik Leenaards. De statutaire doelstellingen van deze vzw luidden als volgt “De vereniging is een Vlaams d.w.z. Zuid-Nederlandse vereniging, met als doel begeleiding en ondersteuning te geven aan het sociaal-kultureel werk, op zelfstandige basis, waarbij de specialiteit van de dienstverlening ligt op het vlak van de geschiedenis en de aktualiteit van de Vlaamse respektievelijk Heelnederlandse beweging, de Europese kulturele diversiteit, de Europese eenmaking, de ekologie en de volkskultuur. De vereniging is onafhankelijk, onkerkelijk, pluralistisch en niet-partijgebonden.”[35] De stichting gaf daarvoor het tijdschrift ‘De Anderen’ uit.[36]

Tot begin 2001 publiceerde TeKoS meer dan 650 artikels over zeer diverse onderwerpen en van de hand van zeer verschillende auteurs. Daarnaast wordt ook vaak poëzie afgedrukt en vanaf het midden van de jaren ’80 worden in de rubriek ‘Lezers en Schrijvers’ lezersbrieven gepubliceerd. Bij zijn oprichting in 1979 verscheen TeKoS met een oplage van slechts 50 exemplaren. In de volgende jaren heeft het tijdschrift een gestage groei gekend tot een oplage van 2000 exemplaren in 1997. Een deel van de 2000 exemplaren gaat naar abonnees, een deel is bestemd voor de verkoop van losse nummers en een laatste deel wordt gratis rondgestuurd voor werving. Hoeveel reële abonnees TeKoS heeft, is niet bekend. Luc Pauwels weigert daar cijfers over te geven. Het tijdschrift wordt bekostigd met de gelden afkomstig uit de verkoop van abonnementen en losse nummers, met de bijdragen van de medewerkers en de giften van ‘milde schenkers’. De auteurs worden niet betaald voor de geleverde prestaties. Het is vrijwilligerswerk.[37] In de beginjaren verscheen TeKoS op maandelijkse basis, af en toe ook tweemaandelijks. In de loop van 1982 (vanaf het nummer 27-28) verscheen het blad tweemaandelijks. Vanaf 1983 verscheen TeKoS zeer onregelmatig. Vijf maal in 1983, één maal in 1984, vier maal in 1985, twee maal in 1986, terug vier maal in 1987 en drie maal in 1988. Vanaf het nummer 51 in 1988 werd overgeschakeld op een trimesteriele verschijning. Vanaf dan verschijnt TeKoS op regelmatige basis, de enige uitzonderingen hierop zijn 1992 en 1994, toen zijn slechts drie nummers verschenen.

Naast TeKoS wordt sinds 1995 de TeKoS-reeks uitgegeven. Dit zijn brochures van de hand van redacteurs van TeKoS of vertalingen van publicaties van buitenlandse auteurs die het Nieuw Rechtse gedachtegoed aanhangen. In deze reeks verschenen tot begin 2001[38]:
DE BENOIST Alain, Heiden zijn vandaag de dag, Wijnegem, Delta-stichting, 1998, 258p.
DE HOON Frans, Tussen deemstering en morgenrood. Konservatieve overwegingen,
Wijnegem, Delta-stichting, 1999, 255p.
ELST Koenraad, De Vier van Breda, Wijnegem, Deltapers, 1995, 124p.
ELST Koenraad, De islam voor ongelovigen, Wijnegem, Deltapers, 1997, 132p.
GOLDSMITH Edward, De Weg. Een ekologische wereldvisie (vert. Guy de Maertelaere), Wijnegem, Deltapers, 1996, 84p.
LOGGHE Koenraad, Dr. Jan de Vries, Nederlands bekendste germanist en volkskundige, Wijnegem, Deltapers, 1996, 36p.
PAUWELS Luc (ed.), Hoe overleven we de dekadentie?, Wijnegem, Delta-stichting, 1998, 113p.
PAUWELS Luc (ed.), Verworteling, verankering. Grondslagen voor de 21ste eeuw, Wijnegem, Delta-stichting, 1999, 71p.
PAUWELS Wilfried, De Belgische communisten tijdens de oorlog: een mythe ontluisterd?, Wijnegem, Delta-stichting, 2000, 280p.
RAVYTS Kurt, Verschaeve’s visioen van een Germaans beleefd christendom en van een Germaans Rijk, Wijnegem, Deltapers, 1995, 132p.

TeKoS organiseert ook colloquia. Een eerste colloquia werd georganiseerd op 11 oktober 1981 en droeg als titel “Nieuw Rechts als kultureel alternatief”, sprekers waren onder meer Armin Mohler en Pierre Vial (GRECE).[39] Het tweede colloquium “Vrij denken, heiden zijn” vond plaats op 27 oktober 1985, als gastsprekers traden onder meer Alain de Benoist en Jean Varenne op, beiden lid van GRECE.[40] Tot 1997 werden geen colloquia meer georganiseerd. Vanaf dat jaar werd gestart met het inrichten van een jaarlijks colloquium op 11 november. Het derde colloquium had als titel “Hoe overleven wij de dekadentie?”, naast opnieuw Alain de Benoist, gaven onder meer ook Marc Grammens en Edward Goldsmith een voordracht.[41] Het vierde colloquium “Verworteling, verankering. Grondslagen voor de 21ste eeuw” vond het jaar daarop plaats, onder andere Jean Haudrey (hoogleraar Sanskriet em.) en Richard Hunt (hoofdredacteur van ‘Alternative Green’) traden op als sprekers.[42] Het colloquium van 1999 had als titel “Vlaamse identiteit, Nederlandse toekomst in Europa”. De sprekers waren onder meer dr. Piet Jongbloet, hoofdbestuurslid van het ANV, professor Mathias De Storme, voorzitter van het Verbond der Vlaamse Academici, Guido Naets, gewezen directeur pers en media bij het Europees parlement en Alain de Benoist.[43] Het zesde colloquium van TeKoS, “Rechts op antwoord! Tegen de dictatuur van het ‘politiek correcte’ denken” vond plaats op 11 november 2000. Voordrachten waren er van Jacques Claes, Koenraad Elst, Rolf Falter en Grégory Pons.[44] Het colloquium in 2001 handelde over de globalisering, “Globalisering of lot in eigen handen?”. Naast opnieuw Alain de Benoist, waren ook dr. Klaus Zeitler, Peter De Roover en Luc Versteylen aanwezig als gastspreker.[45]

1.3.3 De redactie en medewerkers[46]

De kernredactie bestond vanaf de oprichting uit Luc Pauwels (de hoofdredacteur), Hildegonde de Bois, Marcel Deprins, Frans de Hoon, Paul Hendrik Leenaards en Karl van Marcke. Jan Coenraad Nachenius was vanaf 1981 met de redactie verbonden en zou dat blijven tot aan zijn overlijden in 1987. In 1982 traden N.E. de Leeuw en Janus Meerbosch toe tot de redactie.[47] In het nummer 30 (1982) wordt voor het eerst een redactie vermeld in TeKoS. Karl van Marcke wordt daarin niet genoemd als redacteur. Mieke Clymans was verantwoordelijk voor het redactiesecretariaat. In 1985 trad Guy de Maertelaere toe tot de redactie. In 1988 overleed de medestichter van de Delta-stichting en redacteur van TeKoS, Paul Hendrik Leenaards (1924-1988). In 1989 werd de redactie uitgebreid met Paul Janssen, Daan Goosen en Peter Logghe. Het volgende jaar trad Erik Arckens toe tot de redactie. Hij verdween in 1999 uit de redactie. In 1991 werd ook Koenraad Logghe redacteur. Het jaar daarop werd Koenraad Elst opgenomen in de redactie, hij verliet de redactie in 1995. Dirk Bollen, Kurt Ravyts en Piet Jan Verstraete sloten zich in 1994 aan bij de redactie. In 1995 werd Jan Creve redacteur en Joris Smits medewerker van TeKoS. Deze laatste wordt vanaf 1997 niet meer vermeld als medewerker. Frederik van Waeijenberge werd in 1997 in de redactie opgenomen. Dirk Bollen werd het jaar daarop redactiesecretaris. In 1999 overleed Frans de Hoon (1918-1999), mede-oprichter van TeKoS en beheerder van de Deltastichting vzw. Dat zelfde jaar trad Erik Martens toe tot de redactie en werd Johan De Vriendt redactiesecretaris. Kurt Ravyts verliet de redactie en ook Hildegonde de Bois wordt niet langer vermeld als redactielid. In 2000 werden Jan Sergooris en Frank Hensen redacteur van TeKoS en werd Arnout Collier verantwoordelijk voor de vormgeving. Dat zelfde jaar verdwenen Dirk Bollen en Jan Creve uit de redactie, zij worden niet meer vermeld in nummer 99. Vanaf het volgende nummer (100, 2001) worden ook Jan Sergooris, Koenraad Logghe en Frederik Van Waijenberge niet meer vermeld. In hetzelfde nummer worden wel drie nieuwe redactieleden genoemd, namelijk Ingrid Berens, Wolfgang Goeminne en Marc Willems. Martine van der Heyden is verantwoordelijk voor de eindredactie en Arnout Collier voor de vormgeving. Naast artikels van de hand van redactieleden en medewerkers worden in TeKoS ook veel artikels gepubliceerd van andere auteurs.[48]

1.3.4 De veranderende vormgeving

TeKoS verscheen aanvankelijk onder de naam Teksten, Kommentaren en Studies. Tot 1999 wordt de progressieve spelling gehanteerd. De eerste nummers van het tijdschrift waren losbladig en werden bijeengehouden door een bruine kaft. Ieder artikel kreeg een nummer mee dat naar een indeling in tien rubrieken verwees, die dan weer verder decimaal werden onderverdeeld. Het was de uitdrukkelijke bedoeling de nummers uit elkaar te halen en de artikelen per onderwerp op te bergen volgens de cijfercode. Vanaf het nummer 7-8 (1980) verschijnt het logo van GRECE op de voorpagina en wordt vermeld dat het tijdschrift wordt uitgegeven “in samenwerking met de Groupement de Recherche et d’Etudes pour la Civilisation Européenne (G.R.E.C.E.), Parijs”. Deze vermelding verdwijnt vanaf het nummer 55 uit 1989. Het logo werd gehandhaafd tot op de dag van vandaag. Vanaf nummer 11 verandert de presentatie. Het tijdschrift wordt in de rug gelijmd, maar het systeem van losbladigheid en decimale indeling blijft behouden. Vier perforaties moeten het mogelijk maken de artikels op te bergen in de daarvoor voorziene opbergkaften. Dit systeem verandert vanaf nummer 42 (1985). Vanaf dan heeft het tijdschrift een gewone paginering en verdwijnen ook de perforaties. Vanaf het nummer 75 (1994) wordt de titel Teksten, Kommentaren en Studies gewijzigd in TeKoS. De kleur van de kaft is vanaf dan fel oranje. Vanaf het 95ste nummer (1999) stapt TeKoS over op de conventionele, nieuwe spelling.


2. Een eerste omschrijving van Nieuw Rechts

2.1 De afwijzing van een ideologisch kader

Nieuw Rechts wijst in het kader van wat ze zelf noemt ‘een constante interpretatie en herinterpretatie van de intellectuele gegevens’ een congruent geheel als ideologie af.[49] Er is geen sprake van een coherent ideologisch corpus waarvan de toepassing in de politieke praktijk voor de hand ligt. Nieuw Rechts wil een strijd voeren op cultureel niveau. Ze heeft niet tot doel pasklare politieke standpunten uit te dragen.[50] Nieuw Rechts wil een nieuw denkend rechts zijn die de aan de macht zijnde linkerzijde intellectueel van antwoord kan dienen. De titel ‘Teksten, Kommentaren en Studies’ geeft de bedoeling van het tijdschrift aan, namelijk een verzameling van teksten, commentaren en studies aanreiken aan de lezer.

In het artikel ‘Bandbreedte, niet lijn’ uit 1983 stelt Luc Pauwels dat TeKoS geen bepaalde ‘lijn’ volgt en daar ook geen behoefte aan heeft, omdat men het vrije denken moeilijk kan verenigen met de behoefte aan een ‘eenheidsmening’. Wie één lijn wil, schept meteen de ‘afwijkers’, de ketters en ketters worden per definitie vervolgd. Pauwels benadrukt daarbij dat er niet moet worden gekozen tussen de éne lijn met haar totalitaire potentie en de stuurloosheid of de oppervlakkigheid. Mensen die vrij denken, kunnen mogelijk vaststellen dat ze een aantal grondslagen gemeenschappelijk hebben. Ze kunnen een vergelijkbaar normbesef hebben en van daaruit een zelfde levens- en wereldbeschouwing hebben. Vanzelfsprekend komen ze dan tot verwante conclusies en appreciaties. Dat is geen lijn, maar een bandbreedte. Daar zit band in, verbondenheid, verwantschap en breedte, ruimte.[51] De artikels in TeKoS volgen dus geen lijn, maar fluctueren binnen een bepaalde ‘bandbreedte’.

TeKoS verzet zich dan ook tegen ‘etikettenkleverij’ omdat een bepaald etiket te veel beperkingen met zich mee brengt. Het etiket Nieuw Rechts wordt dan ook afgewezen door TeKoS. Volgens Luc Pauwels is de term Nieuw Rechts of Nouvelle Droite, ontstaan als gevolg van de mediacampagne tegen GRECE in 1979, bijzonder slecht gekozen. Ten eerste omdat het een politiek etiket zou zijn voor een in hoofdzaak cultureel fenomeen. Ten tweede omdat het al bestond en men dus een oud etiket ging gebruiken voor een nieuw fenomeen. En ten derde omdat het voor meer verwarring dan onderscheid zorgde: verwarring met het Amerikaans protestantse fundamentalisme, de politiek van Reagan en Tatcher enz.[52] De Nouvelle Droite beweging in Frankrijk heeft dit etiket uiteindelijk overgenomen, maar TeKoS heeft het steeds afgewezen. Luc Pauwels schreef daarover: “We (TeKoS) hebben het vaker dan ons lief was wel over ons heen moeten laten gaan dat we als “nieuw rechts” werden aangeduid, maar slechts incidenteel heeft een redacteur van TeKoS zélf met die aan ons opgedrongen benaming gezwaaid.”[53] TeKoS weigerde de eigen ideologische richting te benoemen. Politieke begrippen zoals links en rechts zijn volgens TeKoS niet toepasbaar op een tijdschrift dat zich bezighoudt met metapolitiek of cultuur. De afwijzing van een ideologisch kader neemt echter niet weg dat er in TeKoS wel degelijk een (nieuw) rechts denkkader wordt uitgebouwd die de grondslagen van een rechtse maatschappijvisie bepaalt.

In het nummer 100 wordt van deze weigering tot zelfbepaling afgestapt. Vanaf dan wordt TeKoS omschreven als een “Vlaams, dit is Zuid-Nederlands, conservatief cultureel tijdschrift. Het is conservatief in de zin van Edmund Burkes leidmotief “to change in order to preserve”. Aan de permanente discussie over en het kritisch onderzoek van wat wij moeten veranderen en wat behouden is dit tijdschrift gewijd.”[54] Volgens Luc Pauwels was TeKoS van meet af aan een conservatief tijdschrift en kleurde een conservatieve grondtoon de meeste artikels.[55] Toch wordt in deze thesis omwille van de duidelijkheid geopteerd om de term Nieuw Rechts te gebruiken. In de literatuur over dit gedachtegoed wordt de term Nieuw Rechts consequent gehanteerd. De keuze voor het gebruik van deze benaming hangt ook samen met het feit dat TeKoS zeer sterk refereert aan de Franse Nouvelle Droite beweging, die zoals gezegd het etiket Nouvelle Droite wel aanvaardde. Een overzicht van het gedachtegoed in het tweede deel van deze thesis maakt overigens duidelijk dat TeKoS zeker geen traditioneel conservatisme verdedigt. De keuze voor het etiket ‘conservatief’ hangt waarschijnlijk samen met een streven naar academische erkenning en een grotere salonfähigheid.

2.2 Rechts, ‘Nieuw’ Rechts en ‘Oud’ Rechts

Hoewel elke ideologische omkadering door Nieuw Rechts van de hand gewezen wordt gewezen, is het duidelijk dat zij een rechtse maatschappijvisie verdedigt, maar tegelijk ‘nieuw’ wil zijn. Zij wil niets meer te maken hebben met traditioneel rechts, noch met het nationaal populisme van het Vlaams Blok en het Front National en zeker niet met economisch rechts. De Nouvelle Droite distantieert zich volledig van ‘oud’ rechts. Ze verwerpt het totalitarisme, het kolonialisme, het nationalisme, het racisme, het moralisme, de steun aan het liberalisme en het reactionaire traditionalisme die aan ‘oud’ rechts worden toegeschreven. Het idee dat er opnieuw moet worden begonnen, is binnen de Nieuw Rechtse beweging duidelijk aanwezig.[56] Er moet een nieuwe maatschappelijke doctrine worden uitgewerkt, gebaseerd op rechtse waarden en ideeën. Deze doctrine moet worden verspreid, niet via de partijpolitiek, maar via een metapolitieke strategie. Nieuw Rechts gaat er daarbij van uit dat de cultuur vandaag de dag gemonopoliseerd wordt door links.

In zijn boek Vu de Droite. Anthologie critique des idées contemporaines uit 1978 houdt Alain de Benoist een pleidooi voor rechts om rechts te mogen zijn. Volgens hem wordt elke rechtse doctrine systematisch in diskrediet gebracht omdat ze consequent wordt geassocieerd met fascisme. In plaats van tegen deze beschuldiging te reageren, blijft traditioneel rechts passief. Het beschikt niet over een onderbouwde doctrine, noch over een effectieve strategie. De zwakheid van rechts wordt scherp bekritiseerd. Maar ook links moet het zwaar ontgelden. Het zijn de linkse idealen, en meer bepaald het egalitarisme, die vandaag de dag dominant aanwezig zijn en die verantwoordelijk zijn voor de crisis waarin de Westerse maatschappij zich volgens Nieuw Rechts bevindt (zie Deel II, “Het Nieuw Rechtse gedachtegoed”). De oplossing voor rechts die Alain de Benoist voorstelt is drieledig. Ten eerste moet rechts zich als rechts affirmeren. Ten tweede moet het zijn voornaamste vijand identificeren, met name het egalitarisme die de diversiteit van de wereld ontkent en reduceert. En ten derde moet rechts erkennen dat geen enkel maatschappelijk domein ‘neutraal’ is en moet het over elk mogelijk onderwerp een eigen discours produceren.[57] Het zijn deze doelstellingen die door Nieuw Rechts in praktijk worden gebracht. Het rechtse discours dat Nieuw Rechts daarbij verdedigt, verschilt op sommige punten grondig van wat door ‘oud’ rechts wordt uitgedragen (zie Deel II).

De definitie die door Alain de Benoist wordt gegeven van ‘rechts’ sluit volledig aan bij het ideeëngoed van Nieuw Rechts: “J’appelle ici de droite, par pure convention, l’attitude consistant à considérer la diversité du monde et, par suite, les inégalités relatives qui en sont nécessairement le produit, comme un bien, et l’homogénéisation progressive de monde, prônée et réalisée par le discours bimillénaire de l’idéologie égalitaire, comme un mal.”[58] Dit anti-egalitarisme vormt de kern van het Nieuw Rechtse gedachtegoed zoals uit het volgende deel zal blijken.

Hoewel Nieuw Rechts een coherente en duidelijk omschreven doctrine afwijst, kan men wel degelijk een ideologisch kader onderscheiden in de publicaties van deze beweging. Het Nieuw Rechtse gedachtegoed wordt gekenmerkt door een cultuurpessimistisch uitgangspunt, een sterk anti-egalitarisme en daarmee samenhangend de afwijzing van de monotheïstische openbaringsgodsdiensten, de afwijzing van het liberalisme en het communisme en de afwijzing van het multiculturalisme. Het alternatief dat wordt bepleit, omvat een nominalistische wereldbeschouwing, de erkenning van ‘le droit à la différence’ of ‘het recht op verschillend zijn’, het herwaarderen van onze (veronderstelde) Indo-europese erfenis, de verdediging van de Europese Rijksgedachte, het pleidooi voor een organische samenleving met aandacht voor traditie en gemeenschapszin, een terugkeer naar het heidendom en een hernieuwde interesse voor ecologie. Al deze verschillende thema’s worden in het volgende deel van de thesis uitvoerig besproken.


[3] L. Pauwels, ‘G.R.E.C.E., een werk- en ideeëngemeenschap. Interview met Jean-Claude Valla’, Tekos, I, 1980, 7-8
[4] P.A. Taguieff, Sur la nouvelle droite: jalons d’une analyse critique, Paris, Descartes, 1994, p.111
[5] P. Commers, De Conservatieve Revolutie in Vlaanderen. Een kritische analyse van het Nieuw Rechtse tijdschrift Teksten, Kommentaren en Studies, Leuven, KUL (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1997, pp.17-18
P. Tommissen, ‘Wat is en wat wil de Nouvelle Droite?’, Eclectica, XIII, 1984, 55-56-57, p.109
[6] P. Commers, De Conservatieve Revolutie…, p.18
[7] A.M. Duranton-Crabol, Visages de la nouvelle droite: le GRECE et son histoire, Paris, Presses de la Fondation nationale des sciences politiques, 1988, p.24
[8] P.A. Taguieff, Sur la nouvelle droite…, pp.112-115
[9] P. Commers, De Conservatieve Revolutie…, p.19
[10] P.A. Taguieff, Sur la nouvelle droite…, pp.120-121
[11] P. Commers, De Conservatieve Revolutie…, p.19
[12] A.M. Duranton-Crabol, Visages de la nouvelle droite…, p.26
[13] P.A. Taguieff, Sur la nouvelle droite…, pp.125-130 en p.135
[14] A.M. Duranton-Crabol, Visages de la nouvelle droite…, p.25
[15] P. Commers, De Conservatieve Revolutie…, p.19
[16] P. Tommissen, ‘Wat is en wat wil de Nouvelle Droite?’, p.109
[17] F. Vanhecke, Metapolitieke strategie, organisatie en ideeën van Kultureel Nieuw-Rechts in Frankrijk: G.R.E.C.E. 1967-1981’, Brussel, VUB (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1981, pp.8-9
[18] A.M. Duranton-Crabol, Visages de la nouvelle droite…, pp.29-30
[19] P. Commers, De Conservatieve Revolutie…, p.20
[20] A.M. Duranton-Crabol, Visages de la nouvelle droite…, p.30
[21] L. Pauwels, ‘G.R.E.C.E., een werk- en ideeëngemeenschap. Interview met Jean-Claude Valla’, Tekos, I, 1980, 7-8
[22] P.A. Taguieff, Sur la nouvelle droite…, pp.148-150
[23] P. Commers, De Conservatieve Revolutie…, p.21
[24] P.A. Taguieff, Sur la nouvelle droite…, pp.IV-V
[25] E. Arckens, De Nouvelle Droite als ideologie tegen de Westerse consumptie-maatschappij: een benadering, Leuven, KUL (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1990, p.4
[26] P.A. Taguieff, Sur la nouvelle droite…, p.20 en pp.180-181
[27] P. Commers, De Conservatieve Revolutie…, p.21
[28] E. Arckens, De Nouvelle Droite…, p.5
[29] Men moet hier opmerken dat het eerste artikel over de Nouvelle Droite reeds in 1972 verschenen was in ‘Le Canard Enchaîné’ getiteld ‘Une officine nazie à Paris’. P. Commers, De Conservatieve Revolutie…, p.22
[30] E. Arckens, De Nouvelle Droite…, p.5
[31] L. Pauwels, ‘Veranderen, om te kunnen behouden’, Tekos, XXII, 2001, 100, p.8
[32] P. Commers, De Conservatieve Revolutie…, p.23
[33] P.A. Taguieff, Sur la nouvelle droite…, pp.52-53
[34] L. Vos, ‘Rechts-radicalisme’, in: R. De Schrijver e.a. (eds.), De Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt Lannoo, 1998 (CD-rom)
[35] Dit zijn de statutaire doelstellingen zoals die vermeld zijn op het formulier voor de lidmaatschapsaanvraag voor de Delta-stichting vzw (zie bijlage)
[36] L. Vos, ‘Rechts-radicalisme’, in: R. De Schrijver e.a. (eds.), NEVB (CD-rom)
[37] deze gegevens zijn overgenomen uit de thesis van P. Commers die zich daarvoor baseerde op een persoonlijk interview met L. Pauwels (24/10/1997), in: P.Commers, De Conservatieve Revolutie…, pp.35-37
[38] s.n., ‘De TeKoS-reeks’, Tekos, XXII, 100, pp.66-67
[39] zie het artikel van A Mohler, ‘Van de konservatieve revolutie tot nieuw rechts: kontinuïteit en diskontinuïteit.’, Tekos, VII, 1986, 44, p.3
[40] H. de Bois, ‘Vrij denken, heiden zijn. Tweede colloquium te Schoten’, Tekos, XVI, 1985, 43, p.3
[41] s.n., “Hoe overleven wij de dekadentie?”, Tekos, XVIII, 1997, 85, p.3
[42] L. Pauwels (ed.), Verworteling, verankering. Grondslagen voor de 21ste eeuw, Wijnegem, Delta-stichting, 1999, 71p.
[43] s.n., ‘Het vijfde colloquium van de Delta-Stichting vzw. Vlaamse identiteit, Nederlandse toekomst in Europa’, Tekos, 1999, 94, p.3
[44] s.n., ‘De TeKoS-reeks’, Tekos, XXII, 2001, 102, p.58
[45] s.n., ‘Het zevende colloquium van de Delta-Stichting vzw. Globalisering of lot in eigen handen?’, Tekos, XXII, 2001, 100, p.3 Dit colloquium heb ik zelf bijgewoond
[46] Dit overzicht is gebaseerd op het redactieoverzicht in TeKoS, het overzicht van de kernredactie werd overgenomen uit de thesis van Patrick Commers die zich daarvoor baseerde op een persoonlijk interview met Luc Pauwels. In de bijlagen is een lijst opgenomen van alle auteurs die gepubliceerd hebben in TeKoS met alle artikels die ze geschreven hebben
[47] P.Commers, De Conservatieve Revolutie in Vlaanderen…, p.38
[48] Voor een overzicht zie bijlage
[49] E. Arckens, De Nouvelle Droite…, p.62
[50] F. Vanhecke, Metapolitieke strategie…, p.31
[51] L. Pauwels, ‘Bandbreedte, niet lijn’, Tekos, IV, 1983, 36
[52] L. Pauwels, ‘Wat we met links (en rechts) gemeen hebben. Wat ons van rechts (en links) scheidt’, Tekos, XVI, 1996, 83, pp.11-12
[53] L. Pauwels, ‘Veranderen, om te kunnen behouden’, p.8
[54] L. Pauwels, ‘Veranderen, om te kunnen behouden’, p.5
Deze omschrijving wordt vanaf het nummer 101 steeds op p.2 vermeld, onder de titel, als vaste omschrijving van wat TeKoS wil zijn
[55] L. Pauwels, ‘Veranderen, om te kunnen behouden’, pp.5-6
[56] A. de Benoist, Les idées à l’endroit, Paris, Hallier, 1979, p.18
[57] A. de Benoist, Vu de droite: anthologie critique des idées contemporaines, Paris, Copernic, 1978, pp.15-26
[58] A. de Benoist, Vu de droite…, p.16









Deel II: Het Nieuw Rechtse Gedachtegoed

1. Het uitgangspunt

1.1 De cultuurcrisis van de Westerse beschaving

Het uitgangspunt van het Nieuw Rechtse gedachtegoed is de (gepercipieerde) crisis van de Westerse beschaving. Het bestaan van deze crisis is volgens Nieuw Rechts onmiskenbaar: de Europese cultuur is nog nooit zo bedreigd geweest als nu. De crisis manifesteert zich niet alleen uiterlijk in tal van decadentieverschijnselen, maar is in de eerste plaats een innerlijke crisis, een crisis van de geest. Alle waarden worden tot materiële herleid, er is een ontstellend gebrek aan redenen om te leven en aan idealen om voor te sterven, er is een tekort aan zelfopofferende moed.[59] De Europeanen verliezen elke vorm van eigenwaarde, traditie, respect en religie. Ze voelen zich gehandicapt zonder hun auto en hun televisie. Europa wordt geconfronteerd met een totale rationalisatie van het collectief leven, de evacuatie van geestelijke waarden en het wegdeemsteren van alle facetten die niet materieel te vatten zijn.[60]

Volgens Nieuw Rechts wordt een maatschappij in crisis gekenmerkt door een dominerend gevoel van twijfel. Deze twijfel neemt de vorm aan van een negatieve instelling, van een ‘in vraag stellen’, dat zich geleidelijk over alle maatschappelijke terreinen uitspreidt. Dit negativisme is vandaag de dag dominerend aanwezig in Europa en zal onvermijdelijk leiden tot de afbraak van de grondslagen van onze Europese cultuur.[61] Nieuw Rechts stelt dat sinds ongeveer twee eeuwen de waarden en normen van onze Westerse beschaving werden ontsluierd als wat ze echt zijn, namelijk conventies. In een tweede fase leidde deze ineenstorting van het geloof in de absoluutheid van het eigen waardensysteem tot een toenemende kritiek op de grondslagen van onze cultuur. Deze kritiek leidde op zijn beurt tot de volledige vernieling van de normen en, in het verlengde hiervan, tot het verdwijnen van elke levenszin. Geleidelijk aan is onze samenleving in ontbinding getreden: de twijfel is overal in doorgedrongen. Niets gaat nog vanzelf. Niemand ziet nog de reden waarom hij dit of dat zou doen. Gezag wordt niet meer gezien als een principe dat boven de gezagsdragers uitstijgt, maar als een kwestie van onder elkaar afsprekende politici. Informatie die in geen enkel kader nog een plaats vindt, versterkt de twijfel in plaats van hem op te vangen. Kennis dient niet meer als instrument om doelmatiger te handelen, maar wordt een remmende en zelfs verlammende factor.[62]

Concreet onderging de Westerse maatschappij de laatste decennia een versneld proces van afbraak van instituties en tradities. Binnen de nieuwe, geïndividualiseerde maatschappij gaan abstracte en voorheen algemeen geldende waarden aan belang inboeten. Er kan geen sprake meer zijn van zoiets als een collectief bewustzijn, het individu bricoleert in functie van persoonlijke voorkeuren of afkeuren een eigen zingevingspakket. Europa wordt geconfronteerd met de implosie van alle zingevingsstelsels. Het sociale weefsel droogt op, berekening dringt overal door en geld wordt de eindterm. Onverschilligheid en verveling voeren de hoofdtoon en zelfs de niet aflatende stroom van brokken hapklare moraal kunnen nauwelijks tot revitalisering aanzetten. Het postmoderne individualisme heeft een Januskop, het predikt zowel humaniteit als een nietsontziende concurrentieslag en een rauw kapitalisme. In een moderne samenleving met bureaucratische regelgeving, geautomatiseerde infobestanden en professioneel gestuurde dienstverlening is er enkel nog een moraal zonder heldere grenzen tussen goed en kwaad. Het is een geneutraliseerde moraal met als motto ‘alles kan en alles mag’. Iedereen leeft zoals hij wil, zolang hij de andere geen last bezorgt. De perverse effecten van deze evolutie zijn voor iedereen duidelijk: de misdaad neemt hand over hand toe, evenals de opnamen in psychiatrische instellingen, het verbruik van kalmerende middelen en zelfmoorden. Narcisme, gevoelsarmoede, cynisme en nihilisme overheersen.[63]

Volgens Nieuw Rechts is de huidige decadentie het gevolg van de verstoring van het evenwicht in de Europese maatschappij. Deze verstoring zou het directe gevolg zijn van de toenemende nivellering en uniformisering. De vroegere differentiatie binnen de organische maatschappij wordt vervangen door multiplicatie en pseudo-differentiatie binnen een mechanische maatschappij. Er ontstaat monotonie. Er wordt een massa prikkels op de mens afgevuurd, maar het resultaat is toenemende verveling.[64] Voor Nieuw Rechts is het egalitarisme de hoofdschuldige van de crisis. De egalitaire gedachte wordt uitgedragen door de monotheïstische religies, het kapitalistisch liberalisme, het communisme en de ideologie van het multiculturalisme en de mensenrechten. Het egalitarisme is vijand nummer één. Het idee dat iedereen gelijk is, werkt nivellering en gelijkschakeling in de hand. Het egalitaire gedachtegoed streeft volgens Nieuw Rechts naar een gestroomlijnde samenleving waarbinnen mensen inwisselbaar zijn.[65] De homogenisering van de samenleving leidt uiteindelijk tot de desintegratie van de maatschappelijke structuur omdat de maatschappelijke actoren, die bestemd waren om vanuit hun verschillende aard of functie op elkaar in te werken, gelijk worden. Wat een gemeenschap was, wordt een massa. Voor de mens is het echter ondraaglijk om te leven als een ongedifferentieerde eenheid in de massa. Het gevolg hiervan is dat hij met behulp van willekeurig bij elkaar gescharrelde middelen een pseudo-persoonlijkheid gaat opbouwen.[66] Het egalitarisme en de hiermee samenhangende vervlakking en nivellering zijn eveneens verantwoordelijk voor het doorbreken van het goede evenwicht tussen houvast en vernieuwing binnen onze maatschappij. In een samenleving is er nood aan houvast, aan traditie en aan gezonde hiërarchie, maar tegelijk is er behoefte aan vernieuwing om te kunnen verdergaan. Een gebrek aan houvast leidt tot decadentie, een te veel aan houvast leidt tot sclerose. In onze huidige samenleving is elke balans zoek wat leidt tot culturele en morele degradatie.[67] Als gevolg van het feit dat het egalitarisme iedere ongelijkheid als een tergende onrechtvaardigheid beschouwt, vindt zij bovendien iedere vorm van gezag repressief en staat zij automatisch argwanend tegenover iedere instelling. Wat de versnelde afbraak van instituties in de hand werkt met alle nefaste gevolgen van dien.[68]

Door het egalitarisme aan te wijzen als voornaamste boosdoener bedient Nieuw Rechts zich van een vijandbeeld dat zijn ‘crisisdenken’ en cultuurpessimisme kan rechtvaardigen. Nieuw Rechts is ervan overtuigd dat de huidige Westerse beschaving afgegleden is naar een stadium van verval en degeneratie, maar het paradoxale aan dit ‘crisisdenken’ is het idee dat de decadentie, die als onvermijdelijk wordt voorgesteld, kan worden tegengegaan door een soort van ‘Europese culturele renaissance’.[69] Nieuw Rechts gaat ervan uit dat Europa zich weliswaar op een dieptepunt bevindt, maar beschouwt dit als een tussenfase waarin nieuwe krachten aan het rijpen zijn. Voorlopig bevinden we ons in een ‘interregnum’ waarin de decadentie de bovenhand heeft, maar ondertussen wordt de heropstanding van de Europese cultuur voorbereid.[70] Nieuw Rechts formuleert een eigen tegenproject dat een uitweg moet bieden uit de huidige cultuurcrisis. De oplossing ligt in het herwaarderen en terug aansluiten bij het ideeëngoed en de waarden en normen ‘die ons eigen zijn’ (zie hoofdstuk 2 “Het tegenproject van Nieuw Rechts”).

Samenvattend kan men stellen dat Nieuw Rechts zich een dubbel doel stelt. Enerzijds worden de verschillende oorzaken van de cultuurcrisis onderzocht, met name het egalitarisme in al zijn gedaantes, en anderzijds wil het ook passende oplossingen voor deze crisis uitwerken. De verschillende aspecten van de hedendaagse Westerse maatschappij die door Nieuw Rechts worden aanzien als oorzaken van de cultuurcrisis en waarop kritiek wordt geformuleerd, worden in het volgende deel van deze thesis behandeld. Het gaat met name over het anti-egalitarisme van Nieuw Rechts en daarmee samenhangend de afwijzing van de monotheïstische openbaringsgodsdiensten, de afwijzing van het liberalisme en het communisme en de afwijzing van het multiculturalisme. De verschillende thema’s van het Nieuw Rechtse tegenproject - het nominalisme, ‘le droit à la différence’, het herwaarderen van onze (veronderstelde) Indo-europese erfenis, de Europese Rijksgedachte, een organische samenleving, het heidendom en aandacht voor ecologie - worden afzonderlijk en uitvoerig behandeld in de daarop volgende hoofdstukken.


[59] R. Commers, ‘Uit de recente ideologische ontwikkelingen in West-Europa: Nieuw Rechts’, in:
L. De Vos en M. Moens, Nieuw rechts: filosofie en praktijk, Borgerhout, EXA, 1983, p.108
[60] E. Arckens, De Nouvelle Droite…, pp.159-160
[61] L. Pauwels, ‘GRECE, een werk en ideeëngemeenschap…’
[62] A. de Benoist, ‘De wereld, het leven en de gedachten die men er zich bij maakt. Een nominalistische visie’, Tekos, II, 1981, 16
[63] E. Arckens, ‘Moderniteit, postmoderniteit en wat daarna?’, in: L. Pauwels (ed.), Verworteling, verankering. Grondslagen voor de 21ste eeuw, Wijnegem, Delta-stichting, 1999, pp.10-21
[64] G. de Martelaere, ‘Het verstoorde evenwicht. Enkele beschouwingen over destabilisatie in mens, natuur en maatschappij’, Tekos, VI, 1985, 42, pp.34-35
[65] P. Tommissen, ‘Het metapolitieke concept van Alain de Benoist’, Tekos, I, 1980, 9-10
[66] G. de Martelaere, ‘Het verstoorde evenwicht…’, p.34
[67] R. Commers, ‘Uit de recente ideologische ontwikkelingen…’, pp.117-118
[68] [68] P. Tommissen, ‘Het metapolitieke concept…’
[69] P. Commers, De Conservatieve Revolutie…, p.67
[70] E. Arckens, De Nouvelle Droite …, p.289 en p.294










Deel II: Het Nieuw Rechtse Gedachtegoed

2. De kritiek van Nieuw Rechts

2.1 Het anti-egalitarisme

Egalitarisme verwijst naar de wereldvisie die alle mensen als wezenlijk gelijk beschouwt. Dit basisidee kan zeer verschillende en zelfs contradictoire ideologische en doctrinaire vormen aannemen, maar altijd staat de gedachte centraal dat alle individuen in essentie identiek zijn en dat uit deze gelijkheid gelijke rechten voortkomen. Nieuw Rechts verwerpt deze wereldvisie met klem en verdedigt een anti-egalitaire wereldbeschouwing. Het egalitarisme is volgens Nieuw Rechts in wezen totalitair omdat het streeft naar de homogenisatie van gewoontes en opinies. Het is een monopolistische ideologie die alle facetten van het maatschappelijk leven doordringt en geen tegenspraak duldt.

Een centraal argument tegen het egalitarisme is het feit dat het meest kenmerkende aspect van de egalitaire gedachte haar neiging tot reductionisme zou zijn. Het egalitarisme streeft naar homogenisatie en leidt bijgevolg tot de eliminatie van de diversiteit in de wereld. Hierbij aansluitend wil het egalitarisme ook elke vorm van differentiatie en hiërarchie binnen de maatschappij liquideren en negeert het derhalve de feitelijke diversiteit van de mensen, waaruit de aanvaardbare, want feitelijke ongelijkheid tussen mensen resulteert. Het egalitarisme streeft dus naar de vernietiging van elke organische samenleving om er een mechanische voor in de plaats te stellen.[71] Egalitarisme staat met andere woorden voor dit gruwelijke toekomstbeeld: de progressieve verdwijning van de diversiteit uit de wereld, de reductie van de culturele verscheidenheid tot één mondiale cultuur en de fatale nivellering van alle individuen. De organische gediversifieerde wereld zal plaats moeten maken voor een mechanisch gehomogeniseerde wereld.[72] Het egalitaire gedachtegoed leidt tot een gehomogeniseerde wereld waarin de mens ontworteld is en waar vervreemding overheerst. Het idee dat alle mensen gelijk zijn, druist immers in tegen de fundamentele behoefte van elke mens om zich te situeren binnen een beperkt kader -en niet binnen een abstract gegeven als ‘de mensheid’-, waarin hij zijn behoren tot een gemeenschap (zijn collectieve identiteit) kan onderkennen en tegelijk zijn eigenheid kan affirmeren.[73]

Een ander fundamenteel argument van Nieuw Rechts tegen het egalitarisme is het feit dat het vreemd zou zijn aan de Europese geest. Het egalitarisme zou de Europese gedachtewereld binnengedrongen zijn via het christendom die de gelijkheid van de mensen voor God predikte. Het christelijk dualisme, de absolute scheiding tussen de wereld en God, leidde tot de egalitaire gedachte dat iedereen voor God gelijk was in het leven na de dood.[74] Dit idee was de Europese heidenen totaal onbekend. In het heidense denken was het goddelijke immanent en wezensgelijk met de wereld.[75] Het egalitarisme is dus een niet-Europees gedachtegoed dat in Europa werd ingevoerd door het joods-christendom, een religie die een manier van denken oplegde aan de Europeanen die vreemd was aan de eigen, Europese denkschema’s (zie volgend hoofdstuk). Het christendom affirmeerde voor de eerste keer dat de verschillen tussen mensen van secundaire aard zijn en dat achter de specifieke eigenheid van elke mens een essentiële gelijkenis schuilgaat. De geschiedenis van het Westen kan volgens Nieuw Rechts beschouwd worden als de geschiedenis van een toenemend egalitarisme. Het egalitarisme bleef immers niet beperkt tot het religieuze domein. Onder impuls van de scheiding tussen kerk en staat en de toenemende secularisatie drong het egalitarisme door in alle maatschappelijke domeinen. Het egalitaire gedachtegoed werd in de achttiende eeuw gelaïciseerd door het Verlichtingsdenken en op die manier geïntroduceerd in het politieke en economische leven: iedereen werd gelijk geboren en iedereen was gelijk voor de wet. In de loop van de nieuwste tijden is de greep van het egalitarisme op de samenleving steeds groter geworden en werd het de dominante ideolo